<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:6738</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-23T11:01:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">578220 / HA RK 19-834</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:6738">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:6738</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-23T11:00:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:6738 Rechtbank Rotterdam , 19-07-2019 / 578220 / HA RK 19-834</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:6738:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Bij uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechter in de zaak van verzoeker een eindbeslissing gegeven. Het wrakingsverzoek is op 17 juli 2019 en derhalve na voormelde uitspraak ingediend. De rechter behandelde de zaak niet meer op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:6738:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meervoudige kamer voor wrakingszaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: 578220 / HA RK 19-834</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 19 juli 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres],</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. S.H. Poiesz</emphasis>, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 2 (hierna: de rechter).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop en de processtukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 15 maart 2019 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Dit verzoekschrift, alsmede het daartegen door [naam wederpartij] ingediende verweerschrift, is door de rechter behandeld ter zitting van 24 juni 2019, waarna de rechter op 12 juli 2019 een beschikking heeft gegeven.</para>
      <para>Die procedure draagt als kenmerk 7620596 \ VZ VERZ 19-4808.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mailbericht van 17 juli 2019 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het wrakingsverzoek met bijlagen en het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt de beschikking van 12 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontvankelijkheid van het verzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.1.</emphasis>
      </para>
      <para>Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. 0p grond van</para>
      <para>hetgeen is bepaald in artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt worden</para>
      <para>gewraakt. Het middel is derhalve toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een</para>
      <para>rechter die jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans aan een partij die</para>
      <para>dienaangaande bestaande vrees heeft die objectief gerechtvaardigd is, (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter</para>
      <para>reeds een einduitspraak heeft gedaan omdat de behandeling van de zaak daarmee is</para>
      <para>geëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.2</emphasis>
      </para>
      <para>Bij de uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechter in de hiervoor omschreven procedure een beslissing gegeven. Die uitspraak is een beslissing op het verzoek ingevolge artikel 186 Rv. Niet gebleken is dat dit verzoek is gedaan tijdens het aanhangig zijn van een procedure, waardoor dit een verzoek is op grond van artikel 186, eerste lid, Rv. Een verzoek op grond van deze bepaling is een zelfstandig verzoek, vooruitlopende op een geding voor de burgerlijke rechter. Hiermee is de behandeling van de zaak door de rechter geëindigd en is de beslissing van 12 juli 2019 een eindbeslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.3</emphasis>
      </para>
      <para>Het wrakingsverzoek is op 17 juli 2019 en derhalve na de uitspraak van voormelde beschikking ingediend. Hieruit volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter. Het verzoek zal op die grond, met toepassing van het bepaalde in artikel 9.1, tweede volzin en onder c, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst af het verzoek tot wraking van mr. S.H. Poiesz wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. A. Verweij, voorzitter, mr. N. Doorduijn en </para>
      <para>mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2019 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: </para>
      <para>aan: </para>
    </parablock>
    <para>- verzoeker</para>
    <para>- mr. S.H. Poiesz</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>