<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:4234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-14T14:15:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/960303-17 18/2903 (89 Sv) 18/2904 (591a Sv)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2021:1075" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:1075</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:4234">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:4234</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-23T12:22:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:4234 Rechtbank Rotterdam , 30-04-2019 / 10/960303-17 18/2903 (89 Sv) 18/2904 (591a Sv)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:4234:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>89 591a Sv na vrijspraak MK. Dat verzoeker in de loods was waar drugs liggen in zijn enkele hoedanigheid van taxichauffeur is allerminst logisch zonder dat hierover een nadere verklaring wordt gegeven</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:4234:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team straf 2</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer: 10/960303-17</para>
    <para>Raadkamernummers: 18/2903 (89 Sv)</para>
    <para>		         18/2904 (591a Sv) </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op de verzoeken van:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [naam verzoeker] , verzoek,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] , Marokko, </para>
      <para>voor deze zaak domicilie kiezende te Rotterdam, Heemraadssingel 165, ten kantore van </para>
      <para>zijn raadsman mr. C.Y. Kekik.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>Op 8 oktober 2018 zijn ingediend twee verzoekschriften met verzoeken op grond van artikel 89 respectievelijk artikel 591a Sv. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoeken zijn op 30 april 2019 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. P.E.M. Morsch, de verzoeker en de raadsman zijn gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek artikel 89 Sv </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker ten laste van de Staat wordt toegekend een bedrag van € 33.179,- bestaande uit: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een bedrag van € 17.275,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een bedrag van € 15.904,- als vergoeding voor loonderving.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft primair geconcludeerd dat er geen gronden van billijkheid zijn om een vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd dat verzoeker zich eerst beroept op zijn zwijgrecht en voor de rechter-commissaris een summiere verklaring heeft afgelegd. Het had meer in de reden gelegen dat hij meer over de situatie zou verklaren. Hierdoor moet de gevolgen van de voorlopige hechtenis voor rekening van verzoeker blijven. </para>
      <para>De officier van justitie heeft subsidiair geconcludeerd tot matiging van de immateriële schade omdat de voorlopige hechtenis slechts 147 dagen heeft geduurd en ten aanzien van de inkomstenderving omdat voorstaande inhoudt dat verzoeker dan slecht voor 4 maanden inkomstenderving heeft gehad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek artikel 591a Sv</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor de kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 280,- en bij een behandeling en nadere toelichting in raadkamer ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 550,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para>De verzoeker is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer van 10 november 2017 tot op 13 november 2017 in verzekering gesteld geweest op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Aansluitend heeft hij tot de schorsing van 6 april 2018 in voorlopige hechtenis verbleven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 27 juni 2018, is de verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op 12 juli 2018 onherroepelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek artikel 89 Sv </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 89 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding heeft ingevolge artikel 90 Sv plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen de verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade </emphasis>
      </para>
      <para>Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden geen gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartoe wordt het volgende overwogen.</para>
      <para>Een observatieteam van de landelijke Eenheid ziet dat een bestelauto met daarvoor (naar later blijkt) de verdachte met zijn taxi op de [adres delict] in de Vierpolders een loods inrijdt en in het opslaggedeelte aan de achterzijde worden beide voertuigen aangetroffen. Achter de  bestelauto liggen vijf zakken met cocaïne. Voor de rechter-commissaris verklaart de verzoeker dat hij daar slechts ter plaatse was om als taxichauffeur iemand op te halen. Ter plaatse worden 3 personen aangetroffen waaronder de verzoeker. Het argument van de verzoeker is allerminst logisch zonder dat een nadere verklaring wordt gegeven. De meervoudige kamer heeft voorts in zijn beoordeling overwogen dat het enkele gegeven dat verdachte ter plaatse was niet voldoende is voor een bewezenverklaring van overtreding van de Opiumwet maar dat de omstandigheden waaronder verzoeker is aangetroffen dit zeker ernstige bezwaren oplevert tegen de verzoeker en dat de verklaring van verzoeker deze bepaald niet weg neemt. Dit maakt dat het aan verzoeker in overwegende mate aan zichzelf heeft te wijten dat de voorlopige hechtenis noodzakelijk is geweest. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Materiële schade </emphasis>
      </para>
      <para>Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor inkomstenderving omdat verzoeker gedurende de voorlopige hechtenis zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten en daardoor inkomen is misgelopen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen is overwogen bij het verzoek voor de immateriële waarden wordt op basis daarvan dit verzoek worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek artikel 591a Sv </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld wordt dat een gewezen verdachte indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - op grond van artikel 591a juncto artikel 90 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschrift/en</emphasis>
      </para>
      <para>Het verzoek ziet op de vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het op grond van artikel 89 en 591a Sv ingediende verzoekschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 89 Sv brengt met zich dat er evenmin gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding voor de kosten voor de indiening van het onderhavige verzoekschrift, onderscheidenlijk het ingediende verzoekschrift ex artikel 89 Sv toe te kennen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">t.a.v. het onder RK-nummer 18/2903 ingeschreven verzoek:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">t.a.v. het onder RK-nummer 18/2904 ingeschreven verzoek:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door:</para>
      <para>mr. G.P. van de Beek, rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van R.M.T. Verheijde, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>