<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:3077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-24T13:36:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/165822-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:3077">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:3077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-19T10:07:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:3077 Rechtbank Rotterdam , 04-04-2019 / 10/165822-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:3077:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewijs van terroristisch oogmerk en onderzoek naar gedachtengoed verdachte. artikel 83a Sr.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:3077:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Kabinet van de rechter-commissaris</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BESCHIKKING EX ARTIKEL 182 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer	: 10/165822-18</para>
    <para>RC-nummer	: 18/2102</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam heeft een verzoek tot het verrichten van handelingen van onderzoek ontvangen van mr. J. El Hannouche, raadsman van de verdachte:</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [naam verdachte]
    </title>
    <parablock>
      <para>	geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] (Syrië),</para>
      <para>	wonende aan de [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">HET VERZOEK VAN DE VERDEDIGING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de verdachte heeft op 20 maart jl. verzocht om een deskundige van bureau NTA (Nuance door Training en Advies) dan wel een vergelijkbare deskundige te benoemen. Voorts heeft de raadsman op 22 maart jl. verzocht om inzage in alle politierapportages die zijn opgemaakt over verdachte voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">STANDPUNT OFFICIER VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. De officier van justitie verzet zich tegen het benoemen van een deskundige van bureau NTA, dan wel een vergelijkbare deskundige. Tevens verzet de officier van justitie zich tegen het verzoek tot inzage in alle politierapportages die zijn opgemaakt nu haar geen andere rapportages dan de diverse processen-verbaal van bevindingen die zich reeds in het procesdossier bevinden bekend zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">BEOORDELING VAN HET VERZOEK</emphasis>
      </para>
      <para>Wat betreft het verzoek d.d. 20 maart jl.:</para>
      <para>Het verzoek zal worden afgewezen. Opgemerkt zij dat het criterium waaraan het verzoek moet worden getoetst niet is of de uitvoering van het verzoek “<emphasis role="italic">bijdraagt aan de waarheidsvinding en </emphasis><emphasis role="underline italic">daarmee </emphasis>[onderstreping RC]<emphasis role="italic"> een verdedigingsbelang dient</emphasis>”, zoals de officier van justitie stelt. Waarheidsvinding en verdedigingsbelang hoeven immers geenszins (altijd) hand in hand te gaan. Het criterium is of het gevraagde onderzoek relevant kan zijn voor enige door de rechter ex. artikel 348 en 350 Sv. te nemen beslissing, in welk geval een verdedigingsbelang bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderhavige verzoek is expliciet ingestoken op de eerste vraag van artikel 350 Sv.; namelijk de bewijsvraag. De verdediging miskent dat het terroristisch oogmerk van artikel 83a Sr. weliswaar een subjectief bestanddeel is, doch dat het bewijs daarvoor uit objectieve omstandigheden (kan) word(t)(den) afgeleid. Aan de beantwoording van de vraag of sprake was van dit geobjectiveerde subjectieve oogmerk kan het gevraagde onderzoek naar de ideeën een verdachte in redelijkheid geen bijdrage leveren, zodat verdachte door het achterwege laten van dit onderzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen kan worden geschaad en dus geen sprake is van enig verdedigingsbelang. Enig belang van het gevraagde onderzoek (naast de reeds bestaande rapportage ban het Pieter Baan Centrum) voor een van de overige vragen van artikel 348 en 350 Sv. is gesteld noch gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft het verzoek d.d. 22 maart jl.:</para>
      <para>Dit verzoek zal worden afgewezen. Dit verzoek is gebaseerd op dezelfde onjuiste opvatting over het bewijs van enig terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafvordering als het verzoek van 20 maart 2019. Het verzoek ligt daarom op dezelfde gronden reeds voor afwijzing gereed. Voor het bewijs van een dergelijk oogmerk is immers niet doorslaggevend welk gedachtengoed een persoon al dan niet aanhangt. Doorslaggevend is welk oogmerk uit de objectief vaststelbare feiten en omstandigheden afgeleid kan worden, of niet.</para>
      <para>Het verzoek is daarnaast onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft geen enkele nadere aanduiding gegeven van op welke gesprekken en met wie concreet wordt gedoeld, terwijl de officier van justitie in haar zienswijze te kennen heeft gegeven dat alle bekende contactmomenten in de zich reeds in het dossier bevindende processen-verbaal van bevindingen zijn opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter-commissaris heeft gelet op het bepaalde in artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">BESLISSING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter-commissaris:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>wijst af de verzoeken voornoemd.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan te Rotterdam op 4 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. J.B. Smits, </para>
      <para>rechter-commissaris</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beschikking kan de verdachte binnen veertien dagen een bezwaarschrift kan</para>
      <para>indienen bij de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>