<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-06T23:53:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 6064</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2926">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-06T23:51:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:2926 Rechtbank Rotterdam , 16-04-2019 / AWB - 18 _ 6064</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:2926:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veelprocedeerder. Uitnodiging voor een gesprek over de voortgang bij ExIT is geen besluit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:2926:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 18/6064</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], te [Plaats], eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 augustus 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek over de voortgang bij ExIT</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 10 oktober 2018 bezwaar gemaakt tegen de brief van 30 augustus 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij besluit van 17 oktober 2018 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. </para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, bezwaar moet worden gemaakt. Het bezwaar moet dus gericht zijn tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 augustus 2018 van verweerder niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op de inhoud van deze brief betreft dit uitsluitend een uitnodiging voor een gesprek over de voortgang bij ExIT en is deze niet op enig rechtsgevolg gericht. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep kennelijk ongegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. </para>
    <para />
    <para>6. Overigens merkt de rechtbank op dat zij over het re-integratietraject en de andere procedures tussen eiseres en verweerder in deze uitspraak geen oordeel kan geven, nu deze procedure alleen gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eiseres tegen de brief van 30 augustus 2018. </para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van J. de Haas, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>