<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:10989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-19T12:23:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7517785 VZ VERZ 19-1637</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2025-1033</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10989">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10989</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-13T11:05:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:10989 Rechtbank Rotterdam , 24-04-2019 / 7517785 VZ VERZ 19-1637</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:10989:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenbeschikking. Verzoek artikel 7:671c BW. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met toekenning van de transitivergoeding en een billijke vergoeding. Alle beslissingen worden aangehouden in verband met hoger beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:10989:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 7517785 VZ VERZ 19-1637</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 24 april 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Nijkerk,  </para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>tevens verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A. Kouwenaar-de Coninck,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">SNOEK BAKKERIJEN,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Capelle aan den IJssel,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.M.A. Oud. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]” en “Snoek Bakkerijen”.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift, ontvangen op 6 februari 2019, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift, ontvangen op 15 maart 2019, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties aan de zijde van [verzoeker];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitaantekeningen aan de zijde van [verzoeker];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitaantekeningen aan de zijde van Snoek Bakkerijen.   </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling is gehouden op 27 maart 2019. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>In de onderhavige procedure zal - voor zover thans van belang - van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [verzoeker], geboren in Polen op [geboortedatum] 1960, is op 1 maart 2006 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Snoek Bakkerijen in dienst getreden in de functie van Inpakker tegen een salaris van € 330,00 netto per week. De werkzaamheden van [verzoeker] zijn gewoonlijk uitgevoerd in de vestiging te Capelle aan den IJssel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Bakkerijen van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft in de periode van april 2013 tot en met januari 2017 een kamer boven de bakkerij gehuurd. Snoek Bakkerijen heeft daarvoor een bedrag van € 401,60 aan huur per maand in mindering gebracht op het loon van [verzoeker]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft vanaf december 2016 geen loon meer betaald. [verzoeker] heeft zich op 27 februari 2017 ziek gemeld wegens ernstige rugklachten. Nadat door [verzoeker] in april 2017 een kort geding procedure is gestart hebben partijen in mei 2017 een minnelijke regeling bereikt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen heeft in juli 2017 de arbodienst ingeschakeld. De bedrijfsarts heeft op 17 september 2017 een probleemanalyse opgesteld. Uit die probleemanalyse volgt - voor zover van belang - dat [verzoeker] benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van fysiek lichte werkzaamheden in een rustige omgeving zonder tijdsdruk. Voorts is door de bedrijfsarts geadviseerd dat het, gezien het ontstane conflict, wellicht verstandig was de </para>
        <para>re-integratie te laten plaatsvinden op een andere werklocatie dan de eigen locatie en dat partijen een plan van aanpak dienen te maken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft naar aanleiding van de probleemanalyse van 21 september 2017 [verzoeker] eerst op 25 september 2017 opgeroepen op het werk te verschijnen. [verzoeker] heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven, omdat hij meende dat van hem niet verwacht kon worden dat hij op het werk zou verschijnen om een tweegesprek aan te gaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft vanaf 26 september 2017 de loonbetaling opgeschort, met als reden dat [verzoeker] zou weigeren passende arbeid te verrichten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De e-mail van ArboVita aan Snoek Bakkerijen van 27 september 2017 luidt - voor zover van belang - als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…) Zoals gisteren al aangegeven is er door de bedrijfsarts bepaald dat er gestart kan worden met de reintegratie. In de probleem analyse van de arts wordt besproken over een andere werklocatie en niet over een plek buiten de organisatie, dit is echt essentieel anders. Als er gesproken zou worden over een plek buiten de organisatie zou spoor 2 al moeten worden opgestart en dit is nog niet aan de orde. De arts zal echter niet veel anders zeggen dat al reeds in zijn rapportage aangegeven en dat is dat er gestart kan worden met de reintegratie. Het conflict zal ook moeten worden opgelost maar dit staat los van de reintegratie. Er zal dus creatief gezocht moeten worden naar een plek waar [verzoeker] zijn passende werkzaamheden kan uitvoeren. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten alle tijden kan [verzoeker] ook een Deskundige Oordeel aanvragen bij het UWV. Tot die tijd blijft de loonstop staan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gezien [verzoeker] het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts lijkt mij het niet de juiste volgorde nu een FML op te stellen, Een second opinion of een Deskundige Oordeel is eerder aan de orde”. (…) </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Partijen hebben vanaf september 2017 uitvoerig met elkaar gesproken en gecorrespondeerd. Snoek Bakkerijen heeft [verzoeker] diverse malen opgeroepen voor een gesprek. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij daartoe niet in staat was vanwege een ernstig arbeidsconflict en dat een tweede spoor traject diende te worden ingezet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] heeft bij het UWV een deskundigenoordeel gevraagd met betrekking tot de </para>
        <para>re-integratie-inspanningen van Snoek Bakkerijen. Het deskundigenoordeel van 16 oktober 2017 luidt - voor zover van belang - als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…) “Om na te kunnen gaan of werkgever en werknemer met betrekking tot de re-integratie op het goede spoor zitten kan UWV gevraagd worden hier een oordeel over te geven. Ook kan een oordeel </para>
        <para>aan UWV gevraagd worden als een re-integratietraject is vastgelopen en kan het oordeel dienen om </para>
        <para>	een vastgelopen re-integratie weer vlot te trekken. Dat laatste blijkt uit dit dossier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoewel de werkgever ontkent dat er sprake is van een “verschil van inzicht” blijkt uit de stukken dat de re-integratie stagneert. De bedrijfsarts spreekt namelijk van het “ontstane conflict”, de advocaat van werknemer spreekt van “een ernstig arbeidsconflict” en de werknemer stelt niet meer terug te kunnen naar de organisatie van werkgever. Kortom de re-integratie stagneert in ernstige mate.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu zowel de bedrijfsarts als de advocaat van werknemer spreken van een conflict en de re-integratie ernstig stagneert, lijkt het mij de aangewezen weg dat de bedrijfsarts de richtlijnen hanteert van (…) met betrekking tot het arbeidsconflict zoals deze zijn gepubliceerd in de STECR richtlijnen aanpak arbeidsconflicten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de vraagstelling of de werkgever (als eind verantwoordelijke) voldoende doet aan de re-integratie concludeer ik dat deze niet genoeg doet om de re-integratie weer vlot te trekken aangezien de eerder genoemde STECR richtlijnen aanpak arbeidsconflicten niet worden toegepast”. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen en [verzoeker] hebben in november 2017 mediation beproefd. </para>
        <para>De mediation heeft niet tot een positief resultaat geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Op 29 november 2017 is door de bedrijfsarts een FML-lijst opgesteld. In de bijbehorende rapportage is voorts - voor zover van belang - opgenomen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>	(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beperkingen:</emphasis> 	Niet wezenlijk anders imponerend dan het eerdere consult. Betrokkene geeft aan dat hij zich slechter voelt, maar kan dat niet concrete maken. </para>
        <para>Beperkingen zijn verwoord in een FML. (..)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Prognose:</emphasis> 	Medisch normaal gesproken binnen 3-6 maanden hersteld. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen heeft de re-integratie tweede spoor ingezet bij het </para>
        <para>re-integratiebureau “Re-integratie Richting Resultaat”. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] heeft op 8 februari 2018 opnieuw bij het UWV een deskundigenoordeel gevraagd met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van Snoek Bakkerijen. </para>
        <para>Het deskundigenoordeel van 9 maart 2018 luidt - voor zover van belang - als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…) Werknemer is een 57-jarige man, die op 27 februari is uitgevallen voor zijn werk. De bedrijfsarts stelt pas op 21 september 2017 een probleemanalyse op. In een deskundigenoordeel van oktober 2017 wordt gesteld dat mediation had moeten worden opgestart en dat re-integratie-inspanningen van de werkgever dus niet voldoende zijn. De mediation lukt niet. Op 29 november 2017 stelt de bedrijfsarts een FML op. Volgens de richtlijnen moet er dan binnen 8 weken een tweedespoortraject worden opgestart. Dit had dus uiterlijk 24 januari 2018 moeten zijn gestart. Het intakegesprek heeft pas op 14 februari 2018 plaatsgevonden. Dit is te laat. (…) </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu blijkt dat werkgever geen deugdelijke grond heeft voor het te laat opstarten van het tweedespoortraject moet gesteld worden dat de inspanningen van de werkgever dus niet voldoende zijn geweest”. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>
        [verzoeker] is op 23 mei 2018 opnieuw door de bedrijfsarts gezien. In de probleemanalyse van 23 mei 2018 is opgenomen dat [verzoeker] op dat moment niet belastbaar was, beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren had, terwijl het eerdere herstel was gestagneerd en de beperkingen waren toegenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <para>Tussen partijen is een loonvorderingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank onder zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420. [verzoeker] heeft in die procedure - kort gezegd - gevorderd te verklaren voor recht dat [verzoeker] de functie van Banketbakker II vervulde en Snoek Bakkerijen te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon over de periode van vanaf april 2013 tot en met oktober 2017, doorbetaling van het loon vanaf november 2017, overlegging van deugdelijke salarisspecificaties, afstorting van pensioenpremies over de afgelopen vijf jaar en betaling van de kosten van de deskundige. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>Bij vonnis van 18 mei 2018 heeft de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht dat [verzoeker] bij Snoek Bakkerijen de functie van Banketbakker II vervult toegewezen en is Snoek Bakkerijen veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 november 2017 tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, onder overlegging van loonspecificaties, alsmede tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 2.385,21 aan kosten voor de deskundige. Alvorens verder te beslissen is Snoek Bakkerijen in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte data en (over)werktijden waarop de berekeningen van Kers zijn gebaseerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft op 11 juli 2018 tegen het (deel)vonnis van 18 mei 2018 hoger beroep ingesteld. Deze procedure is aanhangig bij het Gerechtshof Den Haag onder zaaknummer 200.242.950/01. De procedure met zaaknummer 6485325 CV EXPL 17-40420 is in afwachting van de uitkomst in het hoger beroep aangehouden.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19</nr>
      <parablock>
        <para>Het UWV heeft op 10 januari 2019 aan Snoek Bakkerijen een loonsanctie opgelegd, omdat Snoek Bakkerijen heeft verzuimd het re-integratieverslag van [verzoeker] in het kader van een WIA-aanvraag aan te vullen en omdat zij daarmee niet heeft voldaan aan haar </para>
        <para>re-integratieverplichtingen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen heeft op 11 februari 2019 een bedrag van € 37.859,93 netto aan [verzoeker] voldaan ten aanzien van achterstallig loon berekend over de periode van </para>
        <para>1 november 2017, gebaseerd op het loon voor de functie van Productiemedewerker I.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21</nr>
      <parablock>
        <para>De rapportage van re-integratiebureau R3 Integratie.nu van 25 februari 2019 luidt </para>
        <para>- voor zover van belang - als volgt: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…) “Werknemer is sinds november 2018 aangesloten op een werkervaringsplaats en werkt doorgaans 2x3 uur per week. We hebben gedurende dit traject gekeken naar verschillende functies en we hebben de arbeidsmogelijkheden onderzocht maar niets passends gevonden dat goed aansloot bij zijn belastbaarheid. Uitbreiding van uren en activiteiten in betaalde arbeid lijkt voor nu ook niet mogelijk, gezien de belastbaarheid van werknemer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De belastbaarheid van werknemer is in de afgelopen periode beperkt gebleven, hierover is gedurende het traject contact onderhouden met de bedrijfsarts. Werknemer is zoals eerder benoemd aangesloten op een werkervaringsplaats, maar heeft dit niet duurzaam kunnen aanhouden of uitbouwen. Het is werknemer dan ook niet gelukt om binnen spoor aan te sluiten op de arbeidsmarkt middels een werkervaringsplaats en van daaruit progressie te maken. (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beperkte en wisselende belastbaarheid van werknemer belemmert de aansluiting op de arbeidsmarkt. Ook de zeer beperkte kennis van de Nederlandse taal is voor werknemer een belemmering bij het actief benaderen van de arbeidsmarkt. Ik verwacht dat werknemer voor nu gebaad is bij ruimte voor herstel. Ik verwacht dat bij een toename van herstel alsmede het beheersen van de basiskennis van de Nederlandse taal, dit werknemer in de toekomst mogelijkheden biedt op het vinden van een duurzaam betaalde baan. Geconcludeerd mag worden dat de afstand op de arbeidsmarkt groot blijft”. (…) </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22</nr>
      <para>De re-integratie van [verzoeker] is thans gestaakt.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het verzoek </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het verzoek van [verzoeker] strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen onder toekenning van een transitievergoeding van € 31.042,00 bruto en een billijke vergoeding van € 116.208,00 bruto, onder overlegging van deugdelijke salarisspecificaties, alsmede tot volstorting van de pensioenverplichtingen en tot betaling van een vergoeding van € 179,69 inclusief btw voor de gemaakte kosten voor de berekening van het loon, met veroordeling van Snoek Bakkerijen in de kosten van de procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Aan zijn ontbindingsverzoek heeft [verzoeker] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. </para>
        <para>Tussen partijen is sprake van een ernstige vertrouwensbreuk. Snoek Bakkerijen heeft omstandigheden gecreëerd die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd dient te eindigen. Er is geen valide reden meer het dienstverband voort te zetten. [verzoeker] is als gevolg van psychische en lichamelijke klachten niet meer in staat zijn werkzaamheden te hervatten en van hem kan redelijkerwijs niet meer gevergd worden dat het dienstverband nog langer in stand blijft. [verzoeker] heeft ieder vertrouwen in Snoek Bakkerijen verloren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft gedurende zijn dienstverband structureel banketbakkerswerkzaamheden verricht, naast enige ondergeschikte inpakwerkzaamheden en productiewerk. De door [verzoeker] uitgevoerde werkzaamheden passen in het functieprofiel van Banketbakker III, maar [verzoeker] is coulancehalve uitgegaan van de functie van Banketbakker II (salarisschaal 4). [verzoeker] heeft nimmer een functiebeschrijving, een specificatie van zijn functieloon en salarisschaal of salarisspecificaties ontvangen. Snoek Bakkerijen heeft een fors tekort in de loonbetalingen laten ontstaan en heeft voorts een volstrekt buitenproportionele huurprijs ingehouden op het loon van [verzoeker], terwijl zij daartoe niet bevoegd was. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Tijdens het dienstverband heeft [verzoeker] in strijd met de wet en de cao veel overuren moeten maken in de weekenden en rondom feestdagen, waarbij werkweken van 50 uur geen uitzonderingen vormden. Er was sprake van ernstig misbruik en van veel te lange werktijden zonder pauzes, hetgeen evident in strijd met de arbeidstijdenwet. Tijdens ziekte of vakantie werd [verzoeker] niet doorbetaald, behoudens onder dreiging van een kort geding. Snoek heeft zich regelmatig agressief, intimiderend en onbetamelijk jegens [verzoeker] gedragen, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in psychische klachten van [verzoeker]. [verzoeker] is in februari 2017 uitgevallen met ernstige klachten en beperkingen aan zijn rug en psychische klachten ten gevolge van de buitensporige werkzaamheden die hem door Snoek Bakkerijen jarenlang zijn opgedragen. Door de extreme arbeidsomstandigheden is [verzoeker] arbeidsongeschikt geworden. Tijdens de ziekte van [verzoeker] heeft Snoek Bakkerijen zich evenmin als een goed werkgeefster gedragen door de re-integratie op verschillende manieren moedwillig tegen te werken en te laat de re-integratie in het tweede spoor te starten. Daarmee heeft Snoek Bakkerijen bewust aangestuurd op een ernstig arbeidsconflict. Snoek Bakkerijen is diverse malen ten onrechte overgegaan tot loonstakingen, zelfs na afgifte van een voor haar ongunstig deskundigenoordeel. [verzoeker] was daardoor steeds weer genoodzaakt stappen te nemen om zijn loon veilig te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft laakbaar gehandeld en heeft grovelijk haar verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst veronachtzaamd. Snoek Bakkerijen heeft zich daarnaast op geen enkele wijze ingespannen de verhoudingen tussen partijen te normaliseren. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen c.q. nalaten aan de zijde van Snoek Bakkerijen maakt [verzoeker] aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bij de berekening van deze vergoedingen dient rekening te worden gehouden met het loon gebaseerd op de functie van Banketbakker II, salarisschaal 4. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het verweer van Snoek Bakkerijen strekt tot toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en tot afwijzing van de overige verzoeken van [verzoeker] (waaronder de transitievergoeding en de billijke vergoeding). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.  </para>
        <para>
          [verzoeker] heeft vanaf het begin van zijn dienstverband werkzaamheden verricht die vallen onder de functie van Productiemedewerker I. Subsidiair is [verzoeker] werkzaam in de functie van Productiemedewerker II. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft aan [verzoeker] de gelegenheid en de voorzieningen gegeven om veel te geld te verdienen. Snoek Bakkerijen betwist dat [verzoeker] onder dwang overwerk heeft moeten verrichten en op ongebruikelijke uren heeft moeten werken. Incidenteel heeft [verzoeker] wel overwerk verricht op “ongebruikelijke” uren, maar dat was altijd op verzoek van [verzoeker] zelf. [verzoeker] wilde veel geld verdienen en Snoek Bakkerijen heeft - in afwijking van de cao - met roosters geschoven en speciaal voor [verzoeker] overuren gecreëerd. [verzoeker] heeft conform de afspraak met Snoek Bakkerijen de beschikking gekregen over woonruimte in de bakkerij en hij kon gemakkelijk op “ongebruikelijke” uren overwerk verrichten. Jaarlijks werkte [verzoeker] geen 52 weken, maar gemiddeld slechts 39 weken, waarbij door [verzoeker] een gedeelte onbetaald verlof in verband met verblijf in Polen werd opgenomen. Snoek Bakkerijen betwist uitdrukkelijk de door [verzoeker] zelf bijgehouden uren en de door Kers opgestelde berekening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen meent dat [verzoeker] ten aanzien van de re-integratie een onjuiste voorstelling van zaken geeft. [verzoeker] had voor zijn ziekmelding op 27 februari 2017 een verlengde (en deels onbetaalde) verlofperiode van acht weken opgenomen. Tussen partijen is in april 2017 een geschil ontstaan over de inzetbaarheid van [verzoeker]. Snoek Bakkerijen betwist dat zij in 2017 en 2018 de loonbetaling enkele malen heeft gestopt, zij is daartoe slechts eenmaal overgegaan. Snoek Bakkerijen heeft [verzoeker] na de eerste probleemanalyse uitgenodigd te komen praten over de wijze waarop de re-integratie diende te worden vormgegeven. [verzoeker] heeft in afwijking van het advies van de bedrijfsarts het standpunt ingenomen dat hij enkel aan een re-integratie tweede spoor wilde meewerken. Snoek Bakkerijen heeft [verzoeker] aangepast werk aangeboden en hem opgeroepen te verschijnen, maar [verzoeker] heeft daaraan geen uitvoering gegeven. Naar de mening van Snoek Bakkerijen weigerde [verzoeker] daarmee passende arbeid te verrichten en voldeed hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen. Na het deskundigenoordeel heeft Snoek Bakkerijen het loon weer betaald en is ook het achterstallige loon voldaan. Snoek Bakkerijen heeft uiteindelijk het tweede spoor traject ingezet om de re-integratie niet nodeloos te vertragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen betwist uitdrukkelijk dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. </para>
        <para>De aantijgingen van [verzoeker] die neerkomen op slavernij zijn ongefundeerd. Snoek Bakkerijen kan niet ontkennen dat er geschilpunten bestaan over het re-integratietraject, maar er is geen sprake van dat Snoek Bakkerijen de re-integratie moedwillig heeft tegengewerkt. Het is volgens Snoek Bakkerijen juist [verzoeker] die niet meewerkt door moedwillig het advies van de bedrijfsarts anders te interpreteren en vast te houden aan het tweede spoor. Ook aan het feit dat Snoek Bakkerijen een loonsanctie heeft opgelegd gekregen maakt niet dat zij verwijtbaar handelt. Het re-integratietraject staat los van de onwerkbare situatie tussen Snoek Bakkerijen en [verzoeker]. Snoek Bakkerijen heeft de </para>
        <para>re-integratie gestaakt, omdat [verzoeker] reeds voor de eindrapportage van het </para>
        <para>re-integratiebureau zelf een ontbindingsverzoek had ingediend en zij de onderhavige procedure wenst af te wachten voordat kosten worden gemaakt voor een werknemer die niet mee voor Snoek Bakkerijen wil werken. De oorsprong van het conflict over de functie en het loon van [verzoeker] is gelegen in het feit dat [verzoeker] zich achteraf op het standpunt stelt dat de gemaakte afspraken in strijd zijn met de cao. Dit betekent nog niet dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>De door [verzoeker] verzochte vergoedingen dienen alleen op formele gronden te worden afgewezen, omdat beide verzoeken afhankelijk zijn van de uitkomst van de twee andere procedures waarin partijen nog procederen over de exacte functie van [verzoeker], de hoogte van zijn loon en zijn arbeidsomvang. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het (voorwaardelijk) tegenverzoek </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van primair een bedrag van € 18.473,60 dan wel subsidiair een bedrag van € 8.126,21 aan huur en servicekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande huursommen. Indien het ontbindingsverzoek van [verzoeker] ex artikel 7:671c BW niet wordt toegewezen, dan wel wordt ingetrokken verzoekt Snoek Bakkerijen de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <parablock>
        <para>Snoek Bakkerijen heeft aan haar verzoeken - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. </para>
        <para>Nu Snoek Bakkerijen de huur niet kan verrekenen vordert zij in deze procedure bij wijze van zelfstandig verzoek de achterstallige huur. [verzoeker] heeft een onzelfstandige woonruimte gehuurd, met gebruik van een douche, toilet en keuken. Partijen zijn daarvoor een huurprijs van € 401,60 per maand overeengekomen, die [verzoeker] altijd zonder protest heeft voldaan. Over een periode van vier jaar bedraagt de achterstallige huur totaal € 18.473,60. Subsidiair vordert Snoek Bakkerijen de huurprijs overeenkomstig het woningwaarderingstelsel ten bedrage van € 140,41 per maand alsmede een bedrag van € 25,00 per maand voor de voorzieningen tot een bedrag van totaal € 8.126,21. De door [verzoeker] genoemde huurprijs </para>
        <para>ad € 30,76 per maand acht Snoek Bakkerijen in geen enkel opzicht redelijk en deze is gebaseerd op een onjuiste berekening. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen is zeer teleurgesteld en ernstig gegriefd door de verwijten die door [verzoeker] in het verzoekschrift aan haar adres zijn gemaakt. Gezien de ernst van die verwijten kan van Snoek Bakkerijen niet langer gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Snoek Bakkerijen vermoedt dat [verzoeker] een verhaal verzonnen heeft zodat hij een zo hoog mogelijke vergoeding toegekend krijgt. De leugens van [verzoeker] hebben een onherstelbare vertrouwensbreuk opgeleverd. Gelet op de dusdanig verstoorde arbeidsverhouding ligt herplaatsing van [verzoeker] niet in de rede. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <parablock>
        <para>Het verweer van [verzoeker] strekt primair tot afwijzing van de verzoeken en subsidiair te bepalen dat het zelfstandig verzoek tot betaling van de huurpenningen wordt afgesplitst op grond van artikel 7:686a lid 10 BW. Voor zover het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen verzoekt [verzoeker] toekenning van de wettelijke transitievergoeding van € 31.042,00 bruto, alsmede een billijke vergoeding van </para>
        <para>€ 116.208,00 bruto, onder overlegging van deugdelijke salarisspecificaties, waaronder pensioenafdracht specificaties. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <para>
        [verzoeker] bestrijdt dat de ingehouden huurpenningen correct zijn berekend en heeft zich verzet tegen verrekening. Voor zover de vordering niet is verrekend is de huurvordering (gedeeltelijk) verjaard. Meer subsidiair verzoekt [verzoeker] de huurprijs vast te stellen op een bedrag van € 30,76 per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <para>De overige stellingen van partijen worden - voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang - bij de beoordeling betrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het verzoek ex artikel 7:671c BW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.</para>
        <para>De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden toegewezen. Bij dit oordeel weegt mee dat het hier om een verzoek van een werknemer gaat, waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat een verzoek door een werknemer, gelet op het (grond)recht van arbeidskeuze, in beginsel gehonoreerd dient te worden. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd dat hij het dienstverband als gevolg van fysieke en psychische klachten inmiddels als onaanvaardbaar beklemmend en belemmerend ervaart. </para>
        <para>Uit de stellingen van [verzoeker] volgt duidelijk dat er wat hem betreft geen enkel (behoorlijk) draagvlak meer is voor een verdere samenwerking met Snoek Bakkerijen. Snoek Bakkerijen heeft zich ook niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzet en heeft bovendien op haar beurt verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Gelet op het voorgaande zijn er daarmee omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd dient te eindigen. De kantonrechter zal dan ook bepalen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verwijtbaar handelen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Vervolgens dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat voor toekenning van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 onder b BW en een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 onder b BW. Voor toekenning van deze vergoedingen aan [verzoeker] dient sprake te zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van  Snoek Bakkerijen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, waarbij te denken valt aan een situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd en de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het door [verzoeker] gestelde ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van Snoek Bakkerijen zal binnen een beperkt kader worden beoordeeld. In de reeds aanhangige loonvorderingsprocedure is door de kantonrechter bij (deel)vonnis van 18 mei 2018 een oordeel gegeven ten aanzien van de functie van [verzoeker], de loonbetaling en het overwerk. Snoek Bakkerijen is voor wat betreft de toegewezen verklaring voor recht dat de functie van [verzoeker] als Banketbakker II moet worden aangemerkt en dienovereenkomstig in loonschaal 4 dient te worden beloond in hoger beroep gegaan. In deze procedure zal dan ook (voorlopig) geen oordeel worden gegeven over de functie en het loon van [verzoeker], in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het Gerechtshof te Den Haag. Teneinde een onaanvaardbare doorkruising van de loonvorderingsprocedure te voorkomen zal evenmin een oordeel worden gegeven ten aanzien van het overwerk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>Binnen het hiervoor geschetste beperkte kader is de kantonrechter wel van oordeel dat de vraag of Snoek Bakkerijen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten bevestigend moet worden beantwoord. Daartoe wordt overwogen dat Snoek Bakkerijen te weinig heeft gedaan om te tussen partijen bestaande problemen, die kennelijk zijn ontstaan na de ziekmelding van [verzoeker] op 27 februari 2017, op te lossen en er voor te zorgen dat het </para>
        <para>re-integratietraject door [verzoeker] voortvarend kon worden doorlopen. Snoek Bakkerijen heeft de ziekmelding van [verzoeker] lange tijd niet geaccepteerd en heeft pas eind juli 2017 de bedrijfsarts ingeschakeld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Nadat [verzoeker] door middel van het starten van een kort geding procedure aanspraak heeft moeten maken op doorbetaling van zijn loon vanaf december 2016 en partijen in mei 2017 in dit kader een minnelijke regeling hebben bereikt heeft Snoek Bakkerijen per 26 september 2017 het loon gestaakt. Snoek Bakkerijen is tot een loonstop overgegaan, omdat [verzoeker] weigerde in te gaan op de uitnodiging van Snoek Bakkerijen op de werkplek te verschijnen en afspraken over de re-integratie te maken en omdat zij meende dat [verzoeker] weigerde passende arbeid te verrichten. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij vanwege zijn psychische klachten geen tweegesprek kon voeren en dat hij vanwege het arbeidsconflict slechts positief kon reageren op re-integratie in het tweede spoor. Snoek Bakkerijen heeft de probleemanalyse van de bedrijfsarts zo uitgelegd dat [verzoeker] met aangepaste werkzaamheden op de eigen werkplek kon starten en zij heeft daarbij verwezen naar de nadere toelichting van de bedrijfsarts van 27 september 2017. Nu in de probleemanalyse van 21 september 2017 is opgenomen dat sprake was van een conflict tussen partijen, hetgeen door het deskundigenoordeel van 16 oktober 2017 wordt bevestigd, en waaruit bovendien blijkt dat Snoek Bakkerijen zelf onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht mocht Snoek Bakkerijen niet overgaan tot het staken van het loon. Voor zover Snoek Bakkerijen van mening was dat de aan [verzoeker] aangeboden werkzaamheden passend waren en dat juist [verzoeker] onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie had het op haar weg gelegen zelf een deskundigenoordeel aan te vragen. Dit heeft Snoek Bakkerijen echter nagelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>Ook na het door [verzoeker] verzochte deskundigenoordeel van 16 oktober 2017 heeft Snoek Bakkerijen de loonstop gehandhaafd en is zij [verzoeker] blijven oproepen voor een gesprek. Ook nadat uiteindelijk op 29 november 2017 een FML lijst is opgesteld en op </para>
        <para>14 december 2017 een arbeidsdeskundig rapport is opgesteld en partijen mediation hebben beproefd heeft Snoek Bakkerijen de loonstop nog gedeeltelijk gehandhaafd. Door de loonstop pas in februari 2018 formeel op te heffen acht de kantonrechter het aannemelijk dat dit heeft geleid tot spanningen bij [verzoeker] en negatieve gevolgen voor zijn herstel, mede gelet op de inhoud van de probleemanalyse van 23 mei 2018. Snoek Bakkerijen heeft daarmee onvoldoende invulling gegeven aan de op haar rustende re-integratieverplichtingen. Snoek Bakkerijen had meer oog moeten hebben voor de kwetsbare positie van [verzoeker] als zieke werknemer. Dat er ook medische problemen waren blijkt uit de adviezen van de bedrijfsarts en de deskundigenoordelen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <parablock>
        <para>Ondanks aandringen van [verzoeker] heeft Snoek Bakkerijen inmiddels ook de re-integratie tweede spoor gestaakt. Dat daaraan financiële redenen ten grondslag lagen ontslaat Snoek Bakkerijen allerminst van haar verplichtingen inspanningen te leveren teneinde [verzoeker] zo snel mogelijk te laten re-integreren, hetzij binnen Snoek Bakkerijen zelf, hetzij bij een andere werkgever via het tweede spoor. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van </para>
        <para>9 maart 2018 volgt eveneens dat Snoek Bakkerijen te laat het tweede spoor traject heeft opgestart en haar inspanningen niet voldoende waren. Dat Snoek Bakkerijen steken heeft laten vallen en haar wettelijke verplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden lijkt bepaald niet bevorderlijk te zijn geweest voor de (duur van de) arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]. Aannemelijk is dat door de handelwijze van Snoek Bakkerijen de verhouding met [verzoeker] verder is verstoord. Dat zij als werkgeefster niet eerder te maken heeft gehad met re-integratie vormt geen rechtvaardiging voor het handelen van Snoek Bakkerijen. Door jarenlang geen loonspecificaties aan [verzoeker] te verstrekken is Snoek Bakkerijen eveneens structureel tekortgeschoten in haar verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst. Het UWV heeft Snoek Bakkerijen op 10 januari 2019 bovendien een loonsanctie opgelegd voor de duur van een jaar, omdat zij niet al haar verplichtingen is nagekomen in het kader van de WIA-aanvraag van [verzoeker]. Dat geen sprake was van onwil bij Snoek Bakkerijen, omdat zij voor een aantal stukken afhankelijk was van de handtekening van [verzoeker] doet niet af aan dit oordeel, omdat gesteld noch gebleken is dat Snoek Bakkerijen [verzoeker] daarom uitdrukkelijk heeft verzocht en dat hij dit zou hebben geweigerd.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De conclusie luidt dat de wijze waarop Snoek Bakkerijen met de ontstane situatie is omgegaan niet getuigt van goed werkgeverschap en dat het handelen van Snoek Bakkerijen ten aanzien van de re-integratie van [verzoeker] is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:671c lid 2 onder b BW. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">overige verwijten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>De verwijten die [verzoeker] aan Snoek Bakkerijen heeft gemaakt in het kader van zijn bejegening en het gedrag van Snoek dat door [verzoeker] als onbetamelijk en laakbaar is gekwalificeerd zijn door Snoek Bakkerijen uitdrukkelijk betwist, althans Snoek Bakkerijen heeft in dit verband een geheel andere lezing van de feiten gegeven. Die verwijten staan daarmee geenszins vast. Aan nadere bewijslevering op dit punt zal echter niet meer worden toegekomen, nu reeds is vast komen te staan dat Snoek Bakkerijen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij haar re-integratieverplichtingen heeft veronachtzaamd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">transitievergoeding en billijke vergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Nu sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van Snoek Bakkerijen heeft [verzoeker] op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 sub b BW recht op toekenning van een transitievergoeding. Daarnaast zal op grond van het bepaalde in artikel 7:671c lid 2 sub b BW in beginsel aan [verzoeker] een aanvullende billijke vergoeding worden toegekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <parablock>
        <para>De hoogte van de transitievergoeding wordt berekend op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 2 BW, waarbij het begrip ‘loon’ op grond van lid 10 van dit artikel is uitgewerkt in het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. </para>
        <para>Aan het Besluit is nader uitvoering gegeven in de Regeling looncomponenten en arbeidsduur. De billijke vergoeding dient te worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij ook de aan de werknemer toekomende transitievergoeding kan worden betrokken (zie New Hairstyle ECLI:NL:HR:2017:1187 en Zinzia ECLI:NL:HR:2018:878). Voor het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding alsmede de billijke vergoeding (en de daarvoor relevante gezichtspunten) is van belang hetgeen (verder) zal worden beslist in de procedure bij het Gerechtshof te Den Haag dan wel in de loonvorderingsprocedure in eerste aanleg. Voor het relateren van de vergoedingen aan het loon van Banketbakker II, vooruitlopend op de uitkomst in het hoger beroep, zoals door [verzoeker] is verzocht, bestaat onvoldoende aanleiding. Het is immers nog onzeker of [verzoeker] in hoger beroep het gelijk aan zijn zijde krijgt. De beslissing ten aanzien van de transitievergoeding en de billijke vergoeding zal in afwachting van de uitkomst van genoemde procedures worden aangehouden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">datum ontbinding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>De beslissing ten aanzien van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal eveneens worden aangehouden in verband met het daaraan verbonden intrekkingsrecht als bedoeld in artikel 7:686 lid 6 en lid 7 BW. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">pensioenpremies</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Het gedeelte van het verzoek dat ziet op afstorting van de pensioenpremies behoeft geen nadere bespreking en beoordeling meer, omdat [verzoeker] dit verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft ingetrokken. De kantonrechter begrijpt dat [verzoeker] daarmee eveneens heeft bedoeld zijn tegenverzoek met betrekking tot afdracht van de pensioenafdracht specificaties in te trekken.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten Kers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>
        [verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 179,69 aan kosten voor de berekening van het loon door Administratiekantoor Non Stop ([naam]). Reeds bij vonnis van 18 mei 2018 is ten aanzien van de kosten van Kers door de kantonrechter een bedrag van € 2.385,21 inclusief btw aan kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW toegewezen. Door Snoek Bakkerijen is in het licht van het voorgaande onvoldoende concreet onderbouwd waarop de kosten van € 179,69 betrekking hebben zodat dit gedeelte van het verzoek niet toewijsbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het tegenverzoek </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13</nr>
      <para>Snoek Bakkerijen heeft gedurende de periode van april 2013 tot en met januari 2017 een bedrag van € 401,60 per maand in mindering gebracht op het loon van [verzoeker]. Bij wijze van tegenverzoek heeft Snoek Bakkerijen aanspraak gemaakt op betaling van primair een bedrag van totaal € 18.473,60 dan wel subsidiair een bedrag van totaal € 8.126,21 aan huur en servicekosten voor de door [verzoeker] gehuurde onzelfstandige woonruimte in de periode van april 2013 tot en met januari 2017. Dit betreft een vordering die verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW die in deze ontbindingsprocedure bij wijze van tegenverzoek kan worden ingediend en die zich leent voor gezamenlijke behandeling. Bij vonnis van 18 mei 2018 is reeds geoordeeld dat verrekening van enig bedrag aan huur is uitgesloten, omdat verrekening op grond van het bepaalde in artikel 7:632 lid 1 sub e BW slechts is toegestaan als daaraan een schriftelijke huurovereenkomst ten grondslag ligt. Snoek Bakkerijen mocht dan ook geen inhoudingen plegen op de loonbetaling ter zake van huur. Nu gesteld noch gebleken is dat Snoek Bakkerijen naar aanleiding van het vonnis van 18 mei 2018 de ingehouden bedragen aan [verzoeker] heeft terugbetaald is de vordering tot betaling van de huurtermijnen, een en ander zoals door [verzoeker] terecht is gesteld, op grond van bepaalde in artikel 6:127 BW door verrekening teniet gegaan. Dit betekent dat het primaire verweer van [verzoeker] slaagt en het zelfstandig tegenverzoek zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in (het voorwaardelijk) tegenverzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14</nr>
      <parablock>
        <para>Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. [verzoeker] is thans nog arbeidsongeschikt en hoewel zijn ziekte reeds twee jaar heeft geduurd geldt in beginsel het opzegverbod tijdens ziekte. Er is immers sprake van een </para>
        <para>situatie als bedoeld in artikel 7:670 lid 11 sub a BW, nu aan Snoek Bakkerijen een loonsanctie voor de duur van één jaar is opgelegd. In afwijking van het opzegverbod kan het verzoek tot ontbinding worden ingewilligd, nu niet is gebleken dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van [verzoeker]. Het opzegverbod staat ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 sub a BW dan ook in beginsel niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15</nr>
      <parablock>
        <para>In het geval het verzoek van [verzoeker] (tijdig) zal worden ingetrokken zal het tegenverzoek van Snoek Bakkerijen worden toegewezen. Uit de stukken en hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht is een consistent beeld ontstaan dat de arbeidsverhouding tussen partijen volledig en duurzaam verstoord is geraakt, dat herplaatsing geen reële optie is en dat niet valt in te zien hoe partijen nog tot een vruchtbare samenwerking kunnen komen. Deze omstandigheden leveren een redelijke grond voor ontbinding op als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.</para>
        <para>De omstandigheid dat Snoek Bakkerijen van het ontstaan of het voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding enig verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf niet aan ontbinding op de g-grond in de weg (zie HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">transitievergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16</nr>
      <para>In het geval de arbeidsovereenkomst op verzoek van Snoek Bakkerijen zal worden ontbonden zal aan [verzoeker] op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid BW de transitievergoeding worden toegekend. De arbeidsovereenkomst heeft immers ten minste vierentwintig maanden geduurd en er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoeker]. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">billijke vergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17</nr>
      <para>Ten aanzien van het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten aan de zijde van Snoek Bakkerijen en de billijke vergoeding wordt verwezen naar hetgeen hiervoor ter zake het verzoek onder r.o. 4.2 tot en met 4.11 is overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18</nr>
      <para>De beslissing ten aanzien van de (voorwaardelijke) ontbinding, de transitievergoeding en de billijke vergoeding zal dan worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hiervoor genoemde procedures. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in het verzoek en in het tegenverzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19</nr>
      <para>Iedere beslissing zal worden aangehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>de kantonrechter, </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het verzoek en in het tegenverzoek</emphasis>
      </para>
      <para>houdt iedere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
      <para>829</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>