<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:10705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-20T08:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/573263 / KG ZA 19-392  (voorlopige voorziening)</psi:zaaknummer>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/ 573257/ FA RK 19-3826 (beroep tegen de oplegging)</psi:zaaknummer>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/573262 / FA RK 19-3828 (beroep tegen de verlenging) zijn…</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10705">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-20T08:26:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:10705 Rechtbank Rotterdam , 07-05-2019 / C/10/573263 / KG ZA 19-392  (voorlopige voorziening); C/10/ 573257/ FA RK 19-3826 (beroep tegen de oplegging); C/10/573262 / FA RK 19-3828 (beroep tegen de verlenging) zijn…</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:10705:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beroep ongegrond.</para>
        <para>Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft, naar aanleiding van de verklaring van achterblijfster, het door haar opgelopen letsel en de verklaring van de zus van achterblijfster dat zij verzoeker en achterblijfster tijdens hun onderlinge telefoongesprek heeft horen schreeuwen </para>
        <para>en achterblijfster heeft horen zeggen dat verzoeker haar niet moest slaan, terecht aangenomen dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van achterblijfster zodat een periode van rust noodzakelijk was. </para>
        <para>Dit betekent dat verweerder bevoegd was om het huisverbod op te leggen.</para>
        <para>Verweerder heeft de belangen van achterblijfster, te weten die van veiligheid, noodzakelijke rust en hulpverlening, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan die van verzoeker bij verblijf in de woning.</para>
        <para>Niet in geschil is dat nog geen adequate hulpverlening tot stand is gekomen. Er hebben geen partnergesprekken plaatsgevonden, de angst van achterblijfster voor verzoeker duurt voort en verzoeker heeft te kennen gegeven niet open te staan voor hulpverlening of partnergesprekken. </para>
        <para>Evenmin is gebleken van overige wijzigingen van omstandigheden na de oplegging van het huisverbod die maken dat het (vermoeden van) gevaar was geweken. Het besluit tot verlenging van het huisverbod kon dan ook in redelijkheid door verweerder worden genomen. </para>
        <para>Ook ter zitting is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die maken dat er aanleiding bestaat het huisverbod thans op te heffen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:10705:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team familie </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Reg.nrs.: C/10/573263 / KG ZA 19-392  (voorlopige voorziening)</para>
    <para>               C/10/ 573257/ FA RK 19-3826 (beroep tegen de oplegging)</para>
    <para>               C/10/573262 / FA RK 19-3828 (beroep tegen de verlenging)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">7 mei 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verzoeker]
      </emphasis>, verzoeker,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] , [adres] , </para>
    <para>gemachtigde mr. M.R. de Kok. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de burgemeester van de gemeente Rotterdam</emphasis>, verweerder, </para>
    <para>gemachtigde mr. R.J.M. Codrington, </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in welke zaak belanghebbende is:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [achterblijfster]
      </emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] , [adres] ,</para>
    <para>hierna achterblijfster.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Ontstaan en loop van de procedure</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 21 april 2019 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij vervolgbeschikking van 23 april 2019 is de achternaam van verzoeker hersteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 1 mei 2019 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 19 mei 2019.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij brief van 2 mei 2019 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Aanwezig waren:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para> verzoeker en mr. L. Winde, die heeft waargenomen voor mr. M.R. de Kok; </para>
    <para> verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.J.M. Codrington;</para>
    <para> Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] ;</para>
    <para> achterblijfster.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para> verklaart het beroep ongegrond,</para>
    <para> wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. Bij het bestreden besluit van 21 april 2019 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.</para>
  <para>2. Bij het bestreden besluit van 1 mei 2019 heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.</para>
  <para>3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
  <para>4. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.</para>
  <para>5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.</para>
  <para>6. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. </para>
  <para>7. Verzoeker betwist dat zijn aanwezigheid in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar of vermoeden daarvan opleverde voor de veiligheid van achterblijfster.</para>
  <para>8. De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar of vermoeden van dat gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. </para>
  <para>Niet in geschil is dat op 20 april 2019 een incident en een ruzie hebben plaatsgevonden tussen verzoeker en achterblijfster. Wel ontkent verzoeker dat daarbij geweld is gepleegd, zoals door achterblijfster is verklaard. Door verweerder zijn foto’s overgelegd waaruit blijkt dat achterblijfster letsel heeft opgelopen aan haar armen en haar voorhoofd. Dat dit letsel door achterblijfster zelf zou zijn aanbracht of vanzelf zou zijn ontstaan is mede gelet op de ernst van de verwondingen niet waarschijnlijk. Verweerder heeft, naar aanleiding van de verklaring van achterblijfster, het door haar opgelopen letsel en de verklaring van de zus van achterblijfster dat zij verzoeker en achterblijfster tijdens hun onderlinge telefoongesprek heeft horen schreeuwen en achterblijfster heeft horen zeggen dat verzoeker haar niet moest slaan, terecht aangenomen dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van achterblijfster zodat een periode van rust noodzakelijk was. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om het huisverbod op te leggen.</para>
  <para>9. Anders dan verzoeker betoogt, heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verweerder heeft de belangen van achterblijfster, te weten die van veiligheid, noodzakelijke rust en hulpverlening, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan die van verzoeker bij verblijf in de woning.</para>
  <para>10. Vervolgens ligt de vraag voor of het (vermoeden van) gevaar na de oplegging van het huisverbod nog voortduurde, in welk geval de Wth voorziet in de verlenging van het huisverbod. Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak volgt dat onder meer relevant is of er al hulpverlening tot stand is gekomen die tot afname van het gevaar heeft geleid. Niet in geschil is dat nog geen adequate hulpverlening tot stand is gekomen. Er hebben geen partnergesprekken plaatsgevonden, de angst van achterblijfster voor verzoeker duurt voort en verzoeker heeft te kennen gegeven niet open te staan voor hulpverlening of partnergesprekken. Evenmin is gebleken van overige wijzigingen van omstandigheden na de oplegging van het huisverbod die maken dat het (vermoeden van) gevaar was geweken. Het besluit tot verlenging van het huisverbod kon dan ook in redelijkheid door verweerder worden genomen. </para>
  <para>11. Ook ter zitting is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die maken dat er aanleiding bestaat het huisverbod thans op te heffen.</para>
  <section>
    <title>
      <nr>12</nr>Het beroep is dus ongegrond. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>14</nr>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </title>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Aldus gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, en door deze en</para>
              <para>mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, ondertekend.</para>
              <para />
              <para>De griffier:                                                                          De voorzieningenrechter:</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <bridgehead role="bold">Rechtsmiddel</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>