<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2019:10378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-02T11:26:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT EA 19/1446</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=285&amp;g=2019-01-01">Faillissementswet 285</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10378">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2019:10378</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-02T11:25:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2019:10378 Rechtbank Rotterdam , 18-12-2019 / FT EA 19/1446</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2019:10378:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing Wnsp-verzoek vanwege niet te goeder trouw onbetaald gelaten schulden. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2019:10378:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: [nummer]</para>
      <para>uitspraakdatum: 18 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>
        [adres]
      </para>
      <para>
        [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 10 oktober 2019 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van</para>
      <para>4 december 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 902.205,92.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft samen met een compagnon in 1993 een bedrijf opgericht dat zich aanvankelijk richtte op de ‘prepress’markt en later op de drukwerkmarkt. Dit bedrijf is in oktober 2009 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel nadat de bedrijfsresultaten achterbleven en er forse schulden waren ontstaan. Dit betreft onder meer de schuld aan ABN-AMRO (voor een bedrag van (nu) € 147.598,83) en De Lage Landen financial lease van € 424.576,74. </para>
      <para>In 2008 zijn verzoeker en zijn echtgenote uit elkaar gegaan. In 2009 is de scheiding uitgesproken. Verzoeker heeft een schuldverklaring ondertekend op grond waarvan zijn ex-echtgenote € 123.878,00 van hem te vorderen heeft. Op de schuldenlijst van verzoeker staat een schuld aan het LBIO van € 11.578,05 die betrekking heeft op achterstallige kinderalimentatie. De genoemde schulden zijn - evenals de overige schulden op de schuldenlijst van verzoeker - weliswaar buiten de vijfjaarsperiode ontstaan, maar de rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij deze schulden te goeder trouw onbetaald heeft gelaten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de door of namens verzoeker overgelegde stukken bevinden zich e-mailberichten van mevrouw [naam ex-echtgenote verzoeker] , de ex-echtgenote van verzoeker, aan Sociale Dienst Drechtsteden (schuldhulpverlening) waarin zij haar bezwaren uit ten aanzien van de verzochte toelating van verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Mevrouw [naam ex-echtgenote verzoeker] heeft ook een e-mailbericht van vergelijkbare strekking aan de rechtbank gestuurd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat verzoeker in tegenstelling tot zijn verklaring niet alleenstaand is maar samenwoont, dat hij meer werkt en verdient dan waarvan blijkt uit de stukken en dat hij nalatig is in het nakomen van zijn (kinder)alimentatieverplichting. Niet gebleken is dat schuldhulpverlening in de door mevrouw [naam ex-echtgenote verzoeker] gevoerde correspondentie aanleiding heeft gezien om - ten minste - enig nader onderzoek te doen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank wel op haar weg had gelegen. Ter zitting is gebleken dat in elk geval enige in de mails genoemde feiten juist blijken te zijn: zo heeft verzoeker erkend dat hij een aantal keren op wintersport is geweest (hoewel de kosten daarvan volgens hem door anderen zijn voldaan), hij met zijn partner een campervakantie heeft gehouden en ook op een ander moment dat jaar op vakantie is geweest.</para>
      <para>In de door verzoeker overgelegde stukken en in zijn aanvankelijke verklaring ter zitting heeft hij gesproken over ‘een goede vriendin’ bij wie hij in 2013 en 2014 heeft gewoond en bij wier broer hij in 2013 in dienst is getreden. Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting erkend dat deze ‘goede vriendin’ [naam vriendin verzoeker] is (de vrouw wier naam ook in de e-mails van mevrouw [naam ex-echtgenote verzoeker] wordt genoemd) en dat hij met haar sinds 2012 een affectieve relatie heeft. </para>
      <para>Verzoeker werkt sinds 2013 volgens zijn verklaring en de overgelegde loonstroken 28 uur per week (bij de broer van mevrouw [naam vriendin verzoeker] ). De rechtbank heeft verzoeker indringend bevraagd over zijn inspanningen om een fulltime dienstverband - en daarbij behorend hoger salaris - te verkrijgen. Verzoeker heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij vanaf 2009 concrete en serieuze inspanningen heeft verricht om een fulltime betaalde baan te vinden, terwijl hij daartoe wel in staat moet worden geacht. Dit klemt te meer nu is gebleken - mede op grond van verzoekers eigen verklaring - dat hij in de afgelopen jaren niet of nauwelijks heeft afgelost op zijn schulden: zo heeft hij vanaf 2008 geen enkele aflossing gedaan op de schuld aan mevrouw [naam ex-echtgenote verzoeker] . Ook ABN-AMRO heeft blijkens de toelichting van schuldhulpverlening niet met het minnelijke aanbod willen instemmen omdat verzoeker slechts 28 uur per week werkt. De rechtbank merkt in dit verband op dat verzoeker, ondanks het daartoe strekkende verzoek in de bijlage bij de oproepbrief, geen sollicitatiebewijzen heeft overgelegd.</para>
      <para>De hiervoor vermelde omstandigheden acht de rechtbank reeds voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daar komt bij dat ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voorts slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zich niet maximaal heeft ingespannen om zijn schuldeisers tegemoet te komen, maar dat zijn inspanningen voornamelijk gericht lijken te zijn om het beperken van zijn afloscapaciteit en voor beslag vatbaar inkomen. Daarnaast heeft verzoeker niet uit zichzelf - maar pas na vragen van de rechtbank - verklaard over de daadwerkelijke aard van zijn relatie met zijn partner en zijn werkgever. Van een saneringsgezinde houding is de rechtbank niet, althans onvoldoende, gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker kennelijk per 1 januari 2020 - bij zijn huidige werkgever - fulltime gaat werken en aldus zijn afloscapaciteit zal verhogen. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die niet te goeder trouw onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkeling onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) is om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert en hij zich merkbaar om de belangen van zijn schuldeisers zal bekommeren, zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van </para>
      <para>M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019. <footnote-ref linkend="_4ecf6e0c-328d-4b8e-a981-d301570e5420" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat om dit vonnis</para>
      <para>mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4ecf6e0c-328d-4b8e-a981-d301570e5420" label="1">
    <para>
      <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</emphasis>
    </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>