<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:8087</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-01T10:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-08-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-850 ea</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=285&amp;g=2008-01-01">Faillissementswet 285</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:8087">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:8087</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-01T10:57:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:8087 Rechtbank Rotterdam , 10-08-2018 / 18-850 ea</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:8087:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing WSNP-verzoek. Schuld vanwege teruggevorderde bijstandsuitkering na erven van een perceel in het buitenland. Perceel om niet overgedragen aan dochter. Door deze wijze van handelen zijn de schuldeisers benadeeld en heeft verzoekster geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:8087:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: [nummer]</para>
      <para>uitspraakdatum: 10 augustus 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam]
        </emphasis> </para>
      <para>
        [adres]
      </para>
      <para>
        [woonplaats]
      </para>
      <para>verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft op 24 mei 2018 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 2 augustus 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster ontvangt inkomsten uit een WW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 24.142,87.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft een schuld van € 21.045,68 aan de gemeente Ede, ontstaan in 2013, die betrekking heeft op een teruggevorderde bijstandsuitkering. Verzoekster bleek vanaf 2009 eigenaar te zijn van een door haar geërfd stuk grond in Turkije. Zij had daarvan geen melding gemaakt. Verzoekster heeft de terugvordering aangevochten, maar is tot en met het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in het ongelijk gesteld. In de bestuursrechtelijke procedure is kennelijk een taxatierapport opgemaakt waarin de waarde van de grond in Turkije is vastgesteld op € 37.161,-.</para>
      <para>Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij het desbetreffende perceel in 2017 om niet aan haar dochter heeft overgedragen. Verzoekster heeft verklaard dat zij van haar broers en zussen, die aangrenzende percelen in bezit hebben, het perceel niet buiten de familie mag verkopen. Er is niet gebleken van enige door verzoekster ondernomen poging om de grond – desnoods aan familie – te verkopen en met de opbrengst daarvan haar schulden - al dan niet volledig - te voldoen. Door het perceel aan haar dochter over te dragen heeft verzoekster een relevant verhaalsobject buiten haar vermogen gebracht. Door zo te handelen heeft zij haar schuldeisers benadeeld en geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schuld aan de gemeente Ede niet te goeder trouw in ontstaan en dat verzoekster deze niet te goeder trouw heeft laten voortbestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft daarnaast een schuld van € 1.130,12 aan Havensteder. Verzoekster heeft in 2017 huurtermijnen onbetaald gelaten. Ter terechtzitting verklaarde verzoekster dat zij op elke tiende dag van de maand haar WW-uitkering uitgekeerd krijgt en dat zij elke eerste dag van de maand de huur aan Havensteder moet betalen. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit er toe kunnen leiden dat de huur te laat wordt betaald, maar verklaart het niet dat er een achterstand van deze omvang is ontstaan. Verzoekster heeft niet aannemelijk kunnen maken dat haar ten aanzien van het ontstaan deze schuld geen verwijt treft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bovendien moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekster heeft immers, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van haar verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Volgens de bijlagen bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ontvangt verzoekster een WW-uitkering. Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard ziek te zijn en daardoor niet in staat te zijn om te werken. Verzoekster heeft verklaard dat zij in april 2018 door het UWV hersteld is verklaard, dat ze een paar dagen daarna van haar fiets is gevallen en haar pols heeft gebroken. Die moest zes weken in het gips. Verzoekster heeft verklaard dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen haar hersteldverklaring en dat daarover binnenkort een hoorzitting plaatsvindt. Nadere stukken ter onderbouwing van haar arbeidsongeschiktheid ontbreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2018. <footnote-ref linkend="_7a8664fb-0afa-4262-a387-b318f480eb95" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7a8664fb-0afa-4262-a387-b318f480eb95" label="1">
    <para>
      <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</emphasis>
    </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>