<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:7852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:31:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10 /526115 / HA ZA 17-440</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NTHR 2018, afl. 6, p. 303</rdf:li>
          <rdf:li>OR-Updates.nl 2018-0152</rdf:li>
          <rdf:li>TVA 2019/16</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:7852">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:7852</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-20T13:38:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:7852 Rechtbank Rotterdam , 19-09-2018 / C/10 /526115 / HA ZA 17-440</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:7852:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident in een procedure, ingesteld door een Nederlandse claimstichting tegen onder meer de Braziliaanse vennootschap Petrobras. De rechtbank heeft rechtsmacht ten aanzien van het merendeel van de verwijten, maar niet ten aanzien van twee verwijten omdat de vereiste samenhang met aan de Nederlandse gedaagden verweten gedragingen ontbreekt. De in de statuten van Petrobras opgenomen arbitrageclausule is in de op internet gepubliceerde Engelstalige versie onvoldoende duidelijk om aan bevoegdheid in de weg te staan. De procedure wordt niet aangehouden in afwachting van uitkomsten in de US-Class Action of procedures in Brazilië.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:7852:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="573a847f-20dc-41a8-8f28-339cdfcd780a" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="cb882329-1cff-465d-8531-6f0dc4ac2a9a" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer  / rolnummer: C/10 /526115 / HA ZA 17-440</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 19 september 2018</emphasis>
      </para>
      <para>in de zaak van de stichting</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING  PETROBRAS  COMPENSATION  FOUNDATION,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd  te  Amsterdam, eiseres in de hoofdzaak, verweerster  in beide incidenten,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">0	</emphasis>advocaat  mr. W.P. Wijers te  Amsterdam,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de rechtspersoon  naar het recht van de Federale Republiek van   Brazilië</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">PETRÓLEO BRASILEIRO S.A. - PETROBRAS,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Rio de Janeiro (Brazilië), gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres  in beide incidenten,</para>
    </parablock>
    <para>2. de besloten  vennootschap  met  beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">PETROBRAS  GLOBAL  FINANCE B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Rotterdam, gedaagde  in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het aanhoudingsincident,</para>
      <para>advocaat mr. M.E. Koppenol-Laforce te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para>3. de  besloten  vennootschap  met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">PETROBRAS OIL &amp; GAS B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Rotterdam, gedaagde  in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres  in  het aanhoudingsincident,</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">0  </emphasis>advocaat mr. D.F. Lunsingh  Scheurleer te  Amsterdam,</para>
    <para>4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">PETROBRAS INTERNATIONAL  BRASPETRO  B.V., </emphasis>gevestigd  te Amsterdam,</para>
    <parablock>
      <para>gedaagde  in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres  in  het aanhoudingsincident,</para>
    </parablock>
    <para>5. <emphasis role="bold">[gedaagde 5] ,</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in beide incidenten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">6 [gedaagde 6] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] , gedaagde  in  de  hoofdzaak, eiser in beide  incidenten,</para>
      <para>advocaat (4. tot en met 6.) mr. M.E. Koppenol-Laforce te Rotterdam,</para>
      <para>7. <emphasis role="bold">[gedaagde 7] , </emphasis>wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>niet verschenen,</para>
      <para>8. <emphasis role="bold">[gedaagde 8] ,</emphasis></para>
      <para>wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>niet verschenen,</para>
      <para>9. <emphasis role="bold">[gedaagde 9] , </emphasis>wonende  te  [woonplaats] , gedaagde  in de hoofdzaak,</para>
      <para>niet verschenen,</para>
      <para>10. <emphasis role="bold">[gedaagde 10] , </emphasis>wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>niet verschenen,</para>
      <para>11. <emphasis role="bold">[gedaagde 11] , </emphasis>wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres zal hierna de Stichting genoemd worden. Gedaagden zullen hierna Petrobras, PGF, POG, PIB, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] , [gedaagde 7] , [gedaagde 8] , [gedaagde 9] , [gedaagde 10] en [gedaagde 11] genoemd worden. Petrobras, PGF, PIB, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] zullen gezamenlijk Petrobras c.s. genoemd  worden en [gedaagde 7] , [gedaagde 8] ,  [gedaagde 9] , [gedaagde 10]  en [gedaagde 11] gezamenlijk de niet verschenen gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure  blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding  van 23 januari 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties (1-161), enkele correcties op de dagvaarding en uitlating betekening  Braziliaanse  gedaagden  van de Stichting;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tegen de niet verschenen  gedaagden  verleende verstek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van comparitie voor antwoord met regie-afspraken van 23 augustus 2017 en de in reactie daarop ontvangen brieven van Petrobras c.s., mede namens POG, (van 5 en 11 september 2017) en van de Stichting (van 6 en 11 september 2017);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende een (deels subsidiair)  verzoek tot aanhouding  van  Petrobras c.s., met producties  162-174;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende subsidiair  verzoek tot aanhouding  van POG;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de Stichting, met producties 175-176;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>- de akte overlegging en toelichting  producties (177-196) van  Petrobras  c.s.;</para>
        <para>- de bij B-formulier van 14 juni 2018 door de Stichting overgelegde  productie    197;</para>
        <para>- de akte overlegging  productie (198) van  Petrobras c.s.;</para>
        <para>- de bij gelegenheid van de op 28 juni 2018 gehouden mondelinge pleidooien overgelegde pleitnotities van Petrobras c.s., POG en de Stichting, alsmede het door Petrobras overgelegde stuk met een tijdlijn van de in Nederland en in de Verenigde Staten gevoerde procedures.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald  in beide  incidenten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit stadium  van de procedure  neemt de rechtbank de volgende feiten tot   uitgangspunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Petrobras is een van de grootste energiebedrijven ter wereld. Zij houdt zich  bezig  met de productie van olie in ruime zin. Tot de Petrobras Groep behoren onder meer de in Nederland gevestigde vennootschappen PGF, POG en PIB, in welke vennootschappen Petrobras in de hier relevante periode van 2004-2014 (indirect) alle aandelen hield, met dien verstande dat Petrobas sinds juni 2013 (indirect) nog 50% van de aandelen in POG hield.  Ruim de helft van de aandelen in Petrobras is in handen  van de Braziliaanse staat. De    overige (gewone en  preferente) aandelen  in Petrobras zijn genoteerd aan de beurs in   Brazilië. Ook op andere beurzen in de wereld vindt handel in haar aandelen plaats. Haar <emphasis role="italic">American  Depositary Shares </emphasis>(hierna: ADS's) zijn genoteerd  aan de <emphasis role="italic">New York Stock  Exchange  </emphasis>in de Verenigde Staten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de Engelstalige versie van de tot november 2016 geldende statuten van Petrobras  is onder meer  het volgende opgenomen:</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">"Art. 58 </emphasis>- Disputes or controversies involving the Corporation, its shareholders, managers and members of the Audit Board shall be resolved according to the rules of the Market Arbitration Chamber, with the purpose of applying the provisions contained in Law n° 6,404 of 1976, in these Bylaws, in the rules issued by the National Monetary Council, by the Centra! Bank of Brazil and by the Brazilian Securities and Exchange Commission (Comissào de Valores Mobiliários - CVM) as welf as in all further rules applicable to the operation of the capita) market in genera!, in addition to those contained in the contracts occasionally signed by Petrobras with the stock exchange or an organized over-the-counter market entity accredited at the Brazilian Securities and Exchange Commission (Comissào de Valores Mobiliários - CVM), with the purpose of the adoption of corporate govemance standards established by these entities and of the respective rules on differentiated practices of corporate govemance, if such is the case."</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>PGF houdt zich bezig met het aantrekken van vreemd vermogen voor Petrobras door uitgifte van obligaties. In verband daarmee zijn prospectussen uitgegeven. Petrobras heeft ter zake van de door PGF uitgegeven obligaties een onvoorwaardelijke en onherroepelijke garantie afgegeven voor de verplichtingen van PGF jegens de obligatiehouders. Op 29 december 2014 zijn PGF en Petrobras International Finance Company S.A. (een andere vennootschap binnen de Petrobras Groep die eveneens vreemd vermogen aantrok voor Petrobas) gefuseerd, waarbij PGF de verkrijgende vennootschap was.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>PIB houdt alle aandelen in PGF. Tot 14 juni 2013 hield zij ook alle aandelen in POG. Op die datum heeft PIB de helft van de aandelen in POG verkocht aan BTG Pactual, een Braziliaanse investeringsbank; thans houdt PIB derhalve nog 50% van de aandelen in POG.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>POG houdt zich bezig met de winning en productie van olie en gas in Afrika, onder meer in  Benin . De activiteiten  in Benin zijn op 9 juli2015  gestaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden maakten in (een deel van) de hier relevante  periode deel uit van de <emphasis role="italic">Board of Executive  Ofjicers </emphasis>van Petrobras.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In 2009 is in Brazilië een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam <emphasis role="italic">Lava Jato </emphasis>naar witwaspraktijken van criminele organisaties. In 2014 is dit strafrechtelijk onderzoek uitgebreid naar een bouwkartel. Gebleken is dat deelnemende bouwbedrijven en leveranciers fraudeerden door in de periode van 2004 tot en met 2014 (hierna ook wel: de fraudeperiode) aan (onder meer) Petrobras bovenop de normale prijs een opslag in rekening te brengen en daarvan een <emphasis role="italic">kick-backfee </emphasis>aan (onder meer) hooggeplaatste functionarissen van Petrobras en politieke partijen te betalen (hierna: de fraude). Het onderzoek heeft zich ook gericht op het aandeel daarin van [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden. [gedaagde 8] en [gedaagde 10] zijn strafrechtelijk veroordeeld. [gedaagde 7] , [gedaagde 9] en [gedaagde 11] hebben in ruil voor strafvermindering verklaringen over de fraude afgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Naar aanleiding van (de uitkomsten van) voornoemd onderzoek zijn beleggers in Petrobras diverse civiele zaken gestart in Brazilië en de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten zijn sinds 8 december 2014 <emphasis role="italic">class actions </emphasis>aanhangig tegen (onder andere) Petrobras, PGF, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en een aantal bestuurders c.q. managers van PGF en/of haar rechtsvoorganger (hierna gezamenlijk: de <emphasis role="italic">US Class Action). </emphasis>Via de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>willen beleggers die op de beurs in New York aandelen, ADS's of obligaties hebben gekocht, schadevergoeding  ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 30 juli 2015 heeft de <emphasis role="italic">United States District Court southern district of New York </emphasis>geoordeeld dat artikel 58 van de statuten van Petrobras een geldige arbitrageclausule bevat voor degenen die effecten op de beurs in Brazilië hebben gekocht, maar dat deze clausule niet geldt voor vorderingen die gebaseerd zijn op de <emphasis role="italic">Exchange Act.</emphasis></para>
        <para>Op 7 juli 2017 heeft de <emphasis role="italic">United States Court of Appealsfor the second circuit </emphasis>de hiervoor genoemde beslissing van 30 juli 2015 in stand gelaten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op 3 januari 2018 heeft Petrobras bekend gemaakt dat zij ter beëindiging van de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>een overeenkomst heeft gesloten die ter goedkeuring is voorgelegd aan de rechter (hierna: de <emphasis role="italic">Class Action Settlement). </emphasis>Petrobras is overeengekomen dat zij in totaal US $ 2.95 miljard betaalt aan de beleggers die onder het bereik van de <emphasis role="italic">Class Action Sett/ement </emphasis>vallen. De <emphasis role="italic">United States District Court for the southern district of New York </emphasis>heeft de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>goedgekeurd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <parablock>
        <para>De Stichting is op 12 november 2015 opgericht. Conform artikel 3.1 van de statuten heeft zij als doel:</para>
        <para>"a. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van een of meer Petrobras Entiteiten die aanleiding geven tot een Claim;</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>b. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders in verband met een Vaststellingsovereenkomst waarvan de verbindendverklaring wordt verzocht aan het Gerechtshof krachtens de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM);</para>
        <para>c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade welke de desbetreffende Investeerders stellen te hebben geleden, een en ander met inachtneming van een Vaststellingsovereenkomst,</para>
        <para>en het verrichten van al hetgeen verband houdt met het bepaalde in artikel 3.1 onder a en artikel 3.1 onder b, dan wel daaraan dienstig kan zijn, een en ander in de ruimste zin van het woord."</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In artikel  1  van  de  statuten  zijn "Claim" respectievelijk "Investeerders" omschreven  als: <emphasis role="bold">"Claims: </emphasis>klachten, aanspraken en vorderingen van Investeerders jegens een of meer van de Petrobras Entiteiten met betrekking tot vermeende schade die geleden is of zal worden geleden door de Investeerders als gevolg van onder andere onrechtmatig handelen door (beleidsbepalers, leidinggevenden en werknemers van) een Petrobras Entiteit, daaronder begrepen doch niet beperkt tot het omkopen van functionarissen, het overwaarderen van assets van een of meer Petrobras Entiteiten en enig ander vermeend onrechtmatig handelen, daaronder begrepen, doch niet beperkt tot, de handelingen die voorwerp van onderzoek zijn door de autoriteiten in Operation Car Wash (Operagao Lava Jato)." en</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">"Investe erders: </emphasis>alle personen (daaronder begrepen rechtspersonen) die direct of indirect hebben gehandeld in gewone aandelen en/of preferente aandelen in [Petrobras] en/of afgeleide instrumenten daarvan en/of obligaties uitgegeven door [Petrobras, PGF .. .] voor zover deze buiten de Verenigde Staten direct of indirect zijn gekocht of verhandeld, al dan niet op een gereglementeerde markt vóór achtentwintig juli tweeduizend vijftien."</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De Stichting vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. verklaart voor recht  dat:</para>
        <para>a. Petrobras onrechtmatig  heeft gehandeld jegens de Petrobras  beleggers  door:</para>
        <para>- <emphasis role="underline">verwijt I</emphasis>: het initiëren en in stand houden van de grootschalige fraude (in de dagvaarding omschreven  onder 11.3 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt II</emphasis>: de onrechtmatige verzwijging van de fraude (in de dagvaarding omschreven onder 11.25 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt III</emphasis>: de publicatie van onjuiste, onvolledige en/of misleidende financiële gegevens (omschreven  in de dagvaarding onder 11.31 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt IV</emphasis>: de uitgifte van Petrobras aandelen op basis van onvolledige, onjuiste en/of misleidende informatie en het bewerkstelligen, althans toelaten dat PGF op basis van onvolledige, onjuiste en/of misleidende informatie Petrobras obligaties heeft uitgegeven (omschreven  in de dagvaarding onder 11.42  e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt V</emphasis>: de uitgifte van Petrobras aandelen tijdens de fraudeperiode en het bewerkstelligen, althans toelaten dat PGF tijdens de fraudeperiode Petrobras obligaties heeft uitgegeven (omschreven in de dagvaarding onder 11.60 e.v.) <emphasis role="underline">verwijt VI</emphasis>: het bewust onterecht vertrouwen wekken van beleggers tijdens de fraudeperiode (omschreven  in de dagvaarding onder 11.63  e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt VII</emphasis>: het handelen in strijd met (overige) geldende regelingen (omschreven  in de dagvaarding onder 11.67 e.v.);</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>b. PGF onrechtmatig  heeft gehandeld jegens  Petrobras  beleggers door:</para>
        <para>- <emphasis role="underline">verwijt I</emphasis>: het initiëren en in stand houden van de grootschalige fraude (omschreven  in de dagvaarding onder 11.3 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt II</emphasis>: de onrechtmatige verzwijging van de fraude (omschreven in de dagvaarding onder 11 .25 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt III</emphasis>: de publicatie van onjuiste, onvolledige en/of misleidende financiële gegevens (omschreven  in de dagvaarding onder  11.31 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt IV</emphasis>: de uitgifte van Petrobras obligaties op basis van onvolledige, onjuiste en/of misleidende informatie (omschreven in de dagvaarding onder 11.42 e.v.); <emphasis role="underline">verwijt V</emphasis>: de uitgifte van Petrobras obligaties tijdens de fraudeperiode (omschreven  in de dagvaarding onder  11.60 e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt VI</emphasis>: het bewust onterecht vertrouwen wekken van beleggers tijdens de fraudeperiode (omschreven  in de dagvaarding onder 11.63  e.v.);</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">verwijt Vil</emphasis>: het handelen in strijd met (overige) geldende regelingen  (omschreven in de dagvaarding  onder 11.67 e.v.);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c. POG onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Petrobras beleggers door het onder <emphasis role="underline">verwijt I </emphasis>beschreven initiëren en in stand houden van de grootschalige fraude en in  het bijzonder het verwerven van de olieconcessie in de republiek Benin op onzakelijke voorwaarden en het nalaten van het nemen van maatregelen ter  afwending van de nadelige gevolgen daarvan (zie dagvaarding onder 11.22 e.v.) alsmede het onder <emphasis role="underline">verwijt VII </emphasis>beschreven handelen in strijd met (overige) geldende regelingen (zie dagvaarding onder 11 .67);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d. PIB onrechtmatig  heeft gehandeld jegens de Petrobras beleggers door het onder  <emphasis role="underline">verwijt I </emphasis>beschreven initiëren en in stand houden van de fraude en het nalaten van het nemen van maatregelen ter afwending van de nadelige gevolgen daarvan en in het bijzonder haar betrokkenheid  bij de verwerving van buiten  Brazilië gelegen <emphasis role="italic">assets  </emphasis>zoals de concessie in Benin en de Pasadena Raffinaderij (zie dagvaarding onder 11.18 e.v.) alsmede het onder <emphasis role="underline">verwijt VII </emphasis>beschreven handelen in strijd met (overige)  geldende  regelingen  (zie dagvaarding onder 11.67);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>e. <inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" scale="100" fileref="87b694a4-19ed-40ae-8e07-b6c91e97dd14" depth="2" width="53" format="image/png" /></imageobject></inlinemediaobject>[gedaagde 7] , [gedaagde 8] , [gedaagde 9] , [gedaagde 11] en [gedaagde 10] ieder voor zich, althans door samenspanning, onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Petrobras beleggers door het bedingen en uiteindelijk ontvangen van de <emphasis role="italic">kick-back jees </emphasis>(verwijt I omschreven in de dagvaarding onder 12.3 e.v.);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>f. [gedaagde 5] , [gedaagde 6] , [gedaagde 7] , [gedaagde 8] , [gedaagde 9] , [gedaagde 11] en [gedaagde 10] ieder voor zich, althans door samenspanning met anderen, onrechtmatig  hebben gehandeld jegens de Petrobras  beleggers door:</para>
        <para>- <inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" scale="100" fileref="7cf102e0-d79b-4289-9631-9fb51f9f3c9e" depth="2" width="53" format="image/png" /></imageobject></inlinemediaobject>de fraude in stand te houden, althans deze te verzwijgen voor de Petrobras beleggers en door na te laten passende maatregelen te treffen om de fraude te beëindigen, althans de nadelige gevolgen daarvan zoveel mogelijk af te wenden (verwijt I omschreven  in de dagvaarding onder 12.3 e.v.),  en/of:</para>
        <para>- (al dan niet) uit hoofde van hun respectieve functies binnen Petrobras direct of indirect persoonlijke medewerking te verlenen aan, bewerkstelligen of toelaten van:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(i) <emphasis role="underline">verwijt II</emphasis>: de onrechtmatige verzwijging van de fraude (omschreven in de dagvaarding onder  12.11 e.v.);</para>
        <para>(ii) <emphasis role="underline">verwijt III</emphasis>: de publicatie van onjuiste, onvolledige en/of misleidende financiële gegevens (omschreven  in de dagvaarding onder 12.12   e.v.);</para>
        <para>(iii) <emphasis role="underline">verwijt IV en V</emphasis>: de uitgifte van Petrobras effecten op basis van onvolledige, onjuiste en/of misleidende  informatie (omschreven  in de dagvaarding  onder</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.15</nr>
      <parablock>
        <para>e.v.);</para>
        <para>(iv) <emphasis role="underline">verwijt VI</emphasis>: het bewust onterecht vertrouwen wekken van beleggers tijdens de fraudeperiode (omschreven  in de dagvaarding  onder 12.19 e.v.);</para>
        <para>(v) <emphasis role="underline">verwijt VII</emphasis>: het handelen in strijd met (overige) geldende regelingen (omschreven  in de dagvaarding onder 12.24  e.v.);</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Il. Petrobras c.s., POG en de niet verschenen gedaagden  hoofdelijk, des dat de een betalend  de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 BW thans begroot op€ 200.000,00, subsidiair het maximale forfaitaire tarief ad€ 3.210,00 per punt, meer subsidiair op basis van het gebruikelijke forfaitaire tarief, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ex artikel 6:97 BW, een en ander zoals toegelicht  in hoofdstuk 15 van de   dagvaarding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil in de incidenten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Petrobras c.s. vorderen dat de rechtbank bij incidenteel vonnis, voor zover de wet dat toelaat, uitvoerbaar bij  voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>a) zich onbevoegd verklaart om van de door de Stichting jegens Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6]  ingestelde vorderingen  kennis te nemen;</para>
        <para>en/althans</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>b) zich onbevoegd verklaart om van de door de Stichting ingestelde vorderingen kennis te nemen, voor zover deze ten behoeve van (voormalige) aandeelhouders van Petrobras zijn ingesteld;</para>
        <para>en/althans</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>c) deze procedure aanhoudt in afwachting van reeds aanhangige, samenhangende  geschillen in het buitenland;</para>
        <para>en/althans</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>d) de Stichting veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen  met   de nakosten  ten belope van€ 131,00 zonder betekening,  dan wel € 199,00 in het geval   van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn  plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het  vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>POG vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>1) zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen POG, voor zover deze ten behoeve van (voormalige) aandeelhouders van Petrobras zijn ingesteld, vanwege de Arbitrageovereenkomst die is opgenomen in de statuten van Petrobras;</para>
        <para>dan wel, voor zover de rechtbank zich bevoegd   verklaart:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2) onderhavige procedure tussen de Stichting en POG aanhoudt op grond van artikel 34 EEX-Vo, althans op basis van procesregie, totdat de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>zal zijn geëindigd, althans totdat de <emphasis role="italic">class </emphasis>in de <emphasis role="italic">US Class Action  </emphasis>is  vastgesteld,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3) in alle gevallen  met veroordeling  van de Stichting  in de kosten van het incident.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De Stichting concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen en verzoeken van Petrobras c.s. en van POG, met hoofdelijke  veroordeling  van Petrobras c.s. en POG  in  de  proceskosten  van de Stichting.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling in de incidenten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De incidentele vorderingen van Petrobras c.s., zoals hiervoor onder 4 weergegeven, zien enerzijds op onbevoegdverklaring wegens het ontbreken van internationale rechtsmacht en anderzijds (maar alleen voor zover deze zijn ingesteld ten behoeve van (voormalige) aandeelhouders van Petrobras) op onbevoegdverklaring wegens de in artikel 58 van Petrobras' statuten vervatte arbitrageclausule (hierna ook: de clausule).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank zal eerst de incidentele vordering van Petrobras c.s. behandelen die gegrond is op het ontbreken  van internationale rechtsmacht ten aanzien van Petrobras,  [gedaagde 5] en [gedaagde 6] . Daarbij zal ook ambtshalve de internationale rechtsmacht van de rechtbank ten aanzien van de niet verschenen  gedaagden  worden  beoordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">internationale rechtsmachtt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat, nu PGF, POG en PIB in Nederland gevestigd zijn, de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van deze gedaagden op grond van de in artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen hoofdregel. Dit staat tussen partijen overigens ook niet ter discussie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het onderzoek ter beantwoording van de vraag of aan de rechtbank ten aanzien van de andere gedaagden internationaal gezien rechtsmacht toekomt, is uitgangspunt dat de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo) niet van toepassing is, omdat de in het buitenland gevestigde dan wel wonende gedaagden geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid missen in de onderhavige zaak toepassing.</para>
        <para>Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld dient te worden aan de hand  van de in het Wetboek van Burgerlijke  Rechtsvordering neergelegde  regels  van</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Nederlands commuun  internationaal bevoegdheidsrecht, de artikelen  1-13 Rv. Voor de  uitleg van deze artikelen zijn de in Brussel I bis-Vo opgenomen artikelen met een vergelijkbare inhoud echter niet zonder betekenis, omdat de Nederlandse  wetgever blijkens de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 7 Rv heeft willen aansluiten bij de regeling die thans in artikel 8 sub  I Brussel  I bis-Vo is opgenomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank kan haar internationale bevoegdheid toetsen aan alle gegevens die haar ter beschikking staan, daaronder begrepen de betwisting van de gedaagden/verweerders. De rechtbank hoeft in dat kader geen bewijs toe te staan of op te dragen met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingestelde vorderingsrecht relevant zijn en zal dat in dit geval ook niet doen. De rechtbank acht het in dit geval, waar dit vonnis ook ten opzichte van de niet verschenen gedaagden geldt als een vonnis op tegenspraak, in overeenstemming met voormeld toetsingskader om hetgeen voorshands aannemelijk wordt op basis van alle gegevens, inclusief de door de wel verschenen gedaagden verschafte informatie, ook te betrekken bij de ambtshalve toetsing van de internationale bevoegdheid ten aanzien van de niet verschenen  gedaagden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">artikel 2 Rv</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De Stichting heeft betoogd dat de rechtbank op grond van artikel 2 Rv rechtsmacht heeft ten aanzien van Petrobras, omdat zij een kantoor of filiaal in Nederland heeft en een rechtspersoon mede woonplaats heeft waar zij een kantoor of filiaal houdt (artikel 1:10 jo.  1:14 BW). De Stichting heeft daartoe verwezen naar een internetsite van Petrobras, waarop staat vermeld dat Petrobras in Nederland een <emphasis role="italic">representation office </emphasis>heeft. Voor zover de Stichting stelt dat (één van) de drie tot de Petrobras Groep behorende, Nederlandse vennootschappen beschouwd moet(en) worden als filiaal van Petrobras, geldt dat die vennootschappen separate rechtssubjecten zijn met een eigen bestuur die zelfstandig aan het rechtsverkeer  deelnemen. Anders dan de Stichting betoogt, volgt uit de enkele mededeling   op de internetpagina van Petrobras over haar <emphasis role="italic">strategie presence in the Netherlands </emphasis>niet dat  (één van) de vennootschappen een onzelfstandig filiaal van Petrobras waren (was) in de zin  van artikel 1:10 jo. 1:14 BW. Voor zover de Stichting stelt dat Petrobras een onzelfstandig bijkantoor in Nederland heeft, heeft zij die stelling overigens onvoldoende toegelicht. Zij noemt geen gebouw of ruimte in Nederland dat of die permanent door Petrobras in verband  met haar activiteiten  in Nederland  wordt gebruikt. De rechtbank kan aan artikel 2 Rv  derhalve  geen  internationale rechtsmacht ontlenen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">artikel </emphasis>7 <emphasis role="italic">Rv</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Voorts heeft de Stichting betoogd dat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 7 Rv ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden rechtsmacht toekomt. Nu de Nederlandse rechter ten aanzien van de drie Nederlandse vennootschappen rechtsmacht heeft, komt hem deze op grond van artikel 7 lid I Rv ook toe ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Mede in het licht van de uitleg die aan artikel 8 sub I Brussel I bis-Vo gegeven wordt, dient artikel 7 lid I Rv als uitzondering op de hoofdregel van artikel 2 Rv restrictief te worden uitgelegd.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben aangevoerd dat aan de rechtbank ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] geen rechtsmacht toekomt, omdat er geen sprake is van een nauwe samenhang tussen de tegen hen ingestelde vorderingen en de tegen PGF, POG en PIB ingestelde vorderingen. Zij hebben daartoe gesteld dat de vorderingen zien op verschillende soorten effecten, die in verschillende  periodes zijn gekocht of verkocht door beleggers  uit  een groot aantal verschillende landen, terwijl de beweerdelijke schade het gevolg is van allerlei te onderscheiden feiten die zich vrijwel uitsluitend in Brazilië hebben voorgedaan. Voorts zijn de aan Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] gerichte verwijten van een andere aard dan  de aan PGF, POG en PIB gerichte verwijten. Daarom rechtvaardigen redenen van doelmatigheid in de visie van Petrobras c.s. niet dat de vorderingen gezamenlijk worden behandeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>De Stichting heeft bestreden dat de vereiste samenhang ontbreekt. Dat volgt volgens haar reeds uit de omstandigheid dat Petrobras en PGF samen effecten hebben uitgegeven teneinde vreemd vermogen aan te trekken voor de Petrobras Groep en daarbij onrechtmatig hebben gehandeld jegens de beleggers omdat zij daarbij misleidende, onjuiste en/of onvolledige informatie hebben verstrekt of doen verstrekken door de fraude te verhullen, waardoor de waarde van de activa - en daarmee de koers van de effecten - van Petrobras kunstmatig hoog werd gehouden. De waarde van alle financiële producten van de Petrobras Groep is ná het bekend worden van de fraude sterk gedaald waardoor alle beleggers in de visie van de Stichting op gelijke, althans vergelijkbare, wijze zijn benadeeld. Daarnaast hebben de Petrobras beleggers volgens de Stichting schade geleden doordat geld is weggelekt uit het vermogen van Petrobras door de fraude, waaronder het accepteren van te hoge prijzen voor bouwprojecten. Alle gedaagden worden door de Stichting verantwoordelijk gehouden voor de onrechtmatige gedragingen en nalatigheden en het daaruit voortgevloeide nadeel van de beleggers waaromtrent de Stichting als stichting in de zin van artikel 3:305a BW verklaringen voor recht vordert, in de vorm van de koersdaling en/of het weglekken van liquiditeit binnen de Petrobras Groep. Elke vordering die is ingesteld tegen Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] alsmede de niet verschenen gedaagden, is ook ingesteld tegen een in Nederland gevestigde gedaagde, aldus de Stichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat, anders dan Petrobras c.s. menen, in het kader van deze beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank geen plaats is voor een onderzoek naar de individuele posities van degenen wier belangen de Stichting behartigt en evenmin naar de vraag naar welk recht hun individuele vorderingen zouden moeten worden beoordeeld. Volgens haar statuten behartigt de Stichting de gelijksoortige belangen van de Petrobras beleggers. Wat er zij van de stellingen van Petrobras c.s. (onder meer aangaande de zwevende achterban), in dit stadium van de procedure en in dit kader is voldoende dat aannemelijk is dat er daadwerkelijk Petrobras beleggers bestaan die een vordering zouden kunnen hebben en van wie de Stichting de belangen behartigt. Zij heeft daarover ter zitting van 28 juni 2018 opgemerkt dat tot de groep van wie zij de belangen behartigt een aantal Nederlandse pensioenfondsen behoort. Daarmee heeft de Stichting in dit stadium van de procedure voldoende duidelijkheid gegeven over het bestaan en de identiteit van Petrobras beleggers. Het debat over de vraag of sprake is van gelijksoortigheid van de individuele belangen van de Petrobras beleggers kan, zo nodig, later in het kader van de ontvankelijkheid van de Stichting gevoerd worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="cb9b38cb-e5a1-47ca-95d0-c131203d5e58" depth="2" width="66" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>De Stichting stelt dat Petrobras, PGF, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden  de fraude onrechtmatig  verzwegen  hebben (verwijt II), onjuiste,  onvolledige</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <inlinemediaobject>
            <imageobject>
              <imagedata align="center" scale="100" fileref="3e8b0c2e-aaf1-449e-b007-aa1c4b8b8431" depth="2" width="71" format="image/png" />
            </imageobject>
          </inlinemediaobject>
          <inlinemediaobject>
            <imageobject>
              <imagedata align="center" scale="100" fileref="15068d9d-143a-4ea2-b710-885423eca561" depth="2" width="99" format="image/png" />
            </imageobject>
          </inlinemediaobject>
          <inlinemediaobject>
            <imageobject>
              <imagedata align="center" scale="100" fileref="41966a66-2ce6-4c3c-84bc-6bc6919a9c7c" depth="2" width="67" format="image/png" />
            </imageobject>
          </inlinemediaobject>en/of misleidende financiële gegevens gepubliceerd hebben (verwijt III), op basis van die onjuiste, onvolledige en/of misleidende financiële gegevens in de fraudeperiode aandelen (Petrobras), obligaties (PGF) of effecten ( [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden) uitgegeven hebben (verwijt IV en V) en in die periode bewust onterecht het vertrouwen van beleggers opgewekt hebben (verwijt VI). De Stichting heeft aan de op deze verwijten gebaseerde vorderingen ten grondslag gelegd dat zich in de periode van 2004 tot en met 2014 een grootschalige fraude heeft voorgedaan, waarbij leden van het Braziliaanse bouwkartel en Petrobras c.s. betrokken waren. De fraude bestond er volgens de Stichting onder meer uit dat hooggeplaatste functionarissen van Petrobras samen met de leden van het bouwkartel bewerkstelligden dat vennootschappen die deel uitmaakten van de Petrobras Groep overeenkomsten aangingen met de leden van het bouwkartel en leveranciers die bereid waren <emphasis role="italic">kick-back jees </emphasis>te betalen. Degenen met wie gecontracteerd werd, brachten volgens de Stichting bij de facturering aan de tot de Petrobras Groep behorende vennootschappen structureel een opslag van ongeveer 20% op de marktconforme prijs in rekening en daarvan betaalden zij 1 tot 3% als <emphasis role="italic">kick-back fee </emphasis>aan functionarissen van Petrobras, zoals bestuurders en commissarissen of andere betrokkenen. Petrobras (en haar bestuurders) zou(den) dit kartel gefaciliteerd hebben. De Stichting heeft aangevoerd dat onder meer gefraudeerd is bij 1) de verwerving via Petrobras America Ine. (een 100% dochter van PIB) van een belang van uiteindelijk 100% in een raffinaderij in Pasadena, Texas, Verenigde Staten, 2) de bouw van een raffinaderij nabij Recife, Brazilië, 3) de bouw van olieplatforms door de Nederlandse vennootschap SBM Offshore en het leasen van die platforms, en 4) de verwerving via POG van een belang van 50% in een olieconcessie in Benin terwijl daar geen olie is gevonden. De Stichting is van mening dat Petrobras de betaalde opslagen in haar administratie heeft verhuld en deze heeft verdisconteerd in de waarde van de activa en in de omzetcijfers en dat PGF bij het aantrekken van vreemd vermogen onjuiste informatie heeft verstrekt waardoor zij de fraude gefaciliteerd heeft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben betoogd dat de fraude ziet op allerlei afzonderlijke gebeurtenissen en dat de aansprakelijkheid daarvoor per gebeurtenis moet worden onderzocht. De rechtbank volgt hen hierin niet. Het door de Stichting gestelde handelen, waaronder ook nalaten wordt begrepen, wordt beschouwd als een reeks van samenhangende (beweerdelijke) handelingen die er steeds op gericht waren de bevoordeling van de betrokken (rechts)personen in stand te houden, ongeacht waar en wanneer een handeling werd verricht en ongeacht wie daarvan schade ondervond; daarbij is mede in aanmerking genomen dat vaststaat dat in Brazilië onder de naam <emphasis role="italic">Lava Jato </emphasis>één groot strafrechtelijk onderzoek naar deze fraude heeft plaatsgevonden. Een onderdeel van dat samenhangende geheel is dat PGF in de fraudeperiode op basis van onjuiste, onvolledige en/of misleidende financiële gegevens obligaties heeft uitgegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat aldus ten aanzien van de <emphasis role="underline">verwijten II tot en met VI </emphasis>sprake is van hetzelfde feitencomplex. Ook rechtens is sprake van eenzelfde situatie nu de Stichting op basis van het in die verwijten omschreven handelen vordert dat voor recht wordt verklaard dat de gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld. Dat sprake is van eenzelfde situatie rechtens, vindt steun in de omstandigheid dat de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>is ingesteld tegen Petrobras, PGF, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en een aantal van de niet verschenen gedaagden. Daaraan doet niet af dat de aan de gedaagden gerichte verwijten niet woordelijk hetzelfde luiden of exact dezelfde grondslag hebben; steeds is aangegeven welk verwijt wordt gemaakt, zodat duidelijk is welke samenhang er met de tegen PGF ingestelde vorderingen bestaat.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="e0cb1f6f-cef2-44ea-9d61-f8d1330177fd" depth="2" width="517" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="2135ed07-0eca-49f7-a1c0-7ad7ccc851c3" depth="2" width="516" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
      </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de op basis van de <emphasis role="underline">verwijten II tot en met VI </emphasis>ingestelde vorderingen zodanig samenhangen dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke behandeling en berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. De rechtbank heeft daarom op grond van het bepaalde in artikel 7 Rv rechtsmacht ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] voor zover de vorderingen  zijn gebaseerd op  de <emphasis role="underline">verwijten  II tot en met VI</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>Anders dan Petrobras c.s. aanvoeren is voldaan aan de voorwaarde dat het voor gedaagden voorzienbaar moet zijn dat zij in Nederland konden worden gedagvaard. Omdat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, is het voor Petrobras, [gedaagde 5] en    [gedaagde 6] in redelijkheid voorzienbaar geweest dat zij gedagvaard konden worden voor de rechter van het land waar PGF is  gevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de samenhang van de vorderingen,  kan ook niet worden aangenomen dat de Stichting de vorderingen enkel heeft ingesteld om één of meer van de gedaagden aan het gerecht van haar of zijn woonplaats te onttrekken, zoals Petrobras c.s. hebben betoogd. Daarbij neemt de rechtbank  in overweging dat  Petrobras zelf op haar website heeft uitgedragen dat zij een <emphasis role="italic">strategie presence in the Netherlands </emphasis>heeft.</para>
        <para>Ten aanzien van de niet verschenen gedaagden komt de rechtbank op de hiervoor genoemde gronden  tot hetzelfde oordeel.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Petrobras c.s. hebben nog aangevoerd dat samenhang die alleen kan worden gevonden via een andere Braziliaanse gedaagde niet volstaat. Daarmee doelen Petrobras c.s. kennelijk op het feit dat [gedaagde 5] en [gedaagde 6]  bestuurder van  Petrobras waren toen Petrobras   de overeenkomliten aanging en de te hoge prijzen  betaalde.  De Stichting heeft  echter</para>
        <para>- onbestreden - naar voren gebracht dat in- het Braziliaans vennootschapsrecht bepalingen zijn opgenomen over de verantwoordelijkheden van een bestuurder, waardoor de aansprakelijkheid van de vennootschap en een eigen civielrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders naast elkaar kunnen bestaan. Wat daarvan zij, gelet op de feitelijke onderbouwing van de verwijten, is de samenhang wat deze verwijten betreft voldoende direct.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van de vorderingen die zijn gebaseerd op <emphasis role="underline">verwijt I</emphasis>.</para>
        <para>
          <inlinemediaobject>
            <imageobject>
              <imagedata align="center" scale="100" fileref="a3160dff-d4af-465d-a57c-1b8c03afb3eb" depth="2" width="56" format="image/png" />
            </imageobject>
          </inlinemediaobject>De Stichting stelt dat Petrobras, PGF, POG en PIB alsmede [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden  onrechtmatig  hebben gehandeld, omdat zij de fraude hebben geïnitieerd en in stand gehouden (verwijt I). Daartoe heeft de Stichting verwezen  naar het   door haar gestelde in 11.3 e.v. van de dagvaarding.  Uit hetgeen daar is vermeld, is echter    niet op te maken dat PGF, POG en/of PIB volgens de Stichting betrokken  zijn geweest bij   het binnen de Petrobras Groep initiëren  van de fraude. Daaronder valt immers  in   redelijkheid niet te begrijpen dat PGF bij het uitgeven van effecten  misleidende, onjuiste  en/of onvolledige informatie zou hebben verstrekt en evenmin dat PIB via haar dochter Petrobras America Ine. in 2006 een belang in de Pasadena Raffinaderij heeft verworven of POG  in 2011 de concessie in Benin. Uit hetgeen  PGF, POG en PIB tot dusver hebben   gesteld of hetgeen overigens is gebleken, valt evenmin steun voor dit deel van <emphasis role="underline">verwijt I </emphasis>af te leiden. De uitdrukking "initiëren en in stand houden" is als één, onlosmakelijk met elkaar verbonden, onderdeel (van  <emphasis role="underline">verwijt  I</emphasis>) van de vordering gepresenteerd, hetgeen  gelet op  de</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>inhoud van de overige verwijten kennelijk ook beoogd is, nu die andere verwijten zien op diverse aspecten van het voortduren van de fraude. Tegen die achtergrond  is de rechtbank  van oordeel dat, hoewel de Stichting op <emphasis role="underline">verwijt I </emphasis>weliswaar ook een vorderingjegens PGF, POG en PIB baseert, zij hen dat verwijt in feite niet maakt, zodat van samenhang als    bedoeld in artikel 7 lid I Rv in zoverre geen sprake kan zijn. De Nederlandse gedaagden kunnen in zoverre niet als ankergedaagden fungeren en de rechtbank kan in zoverre geen rechtsmacht aan artikel  7 Rv ontlenen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17</nr>
      <para>en 5.18.	De Stichting heeft ook gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Petrobras, PGF, POG, PIB, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden in strijd met overige geldende (interne) regelingen gehandeld hebben <emphasis role="underline">(verwijt VII)</emphasis>. De Stichting heeft daarover alleen concreet aangevoerd dat een werkelijk biedings- en aanbestedingsproces achterwege is gebleven. Zij heeft daarbij niet duidelijk gemaakt dat en op welke wijze PGF, POG en/of PIB betrokken waren bij het biedings- en aanbestedingsproces van Petrobras en daarbij in strijd hebben gehandeld met de door haar genoemde overige geldende regelingen. Daarom is er onvoldoende grond om aan te nemen dat ten aanzien van de op dat verwijt gebaseerde vorderingen jegens PGF, POG en/of PIB enerzijds en jegens Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden anderzijds sprake is van dezelfde feitelijke situatie. De rechtbank kan daarom voor zover het de vorderingen gebaseerd op <emphasis role="underline">verwijt VII </emphasis>betreft, geen internationale rechtsmacht aan artikel 7 Rv ontlenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.19.</nr>
      <para>De tussenconclusie is dat de rechtbank ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden alleen rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 7 lid I Rv voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de <emphasis role="underline">verwijten II tot en met VI</emphasis>.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">artikel 6 Rv</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.20.</nr>
      <para>Volgens de Stichting kan de internationale rechtsmacht van de rechtbank ook gebaseerd worden op artikel 6 sub e Rv, omdat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan <emphasis role="italic">(Handlungsort) </emphasis>én de plaats waar de schade is ingetreden <emphasis role="italic">(Erfolgsort) </emphasis>in Nederland gelegen zijn. Deze grondslag is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog slechts van belang ten aanzien van de feiten die ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden ten grondslag zijn gelegd aan de <emphasis role="underline">verwijten I en VII</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.21.</nr>
      <para>Met betrekking tot het <emphasis role="italic">Handlungsort </emphasis>heeft de Stichting aangevoerd dat het vermogen van Petrobras voor meer dan 57% via Nederland is gestructureerd en de fraude daarom voor een substantieel gedeelte in of via Nederland heeft plaatsgevonden. Zij wijst in dat verband op de aankoop van de Pasadena Raffinaderij door een 100% dochter van PIB, de aankoop van een concessie in Benin door POG, de betrokkenheid van de Nederlandse vennootschap SBM Offshore en de taak van PGF om vreemd vermogen aan te trekken, welk vermogen zij vanuit Nederland heeft gedistribueerd binnen de Petrobras Groep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.22.</nr>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="ac6ce347-0d44-4c06-8762-95a4eab63fd0" depth="2" width="57" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>De rechtbank is van oordeel dat uit het door de Stichting aangevoerde niet de conclusie kan worden getrokken dat het <emphasis role="italic">Handlungsort </emphasis>met betrekking tot het initiëren en in stand houden van de fraude (verwijt 1<emphasis role="bold">) </emphasis>en het in strijd handelen met overige geldende (interne) regelingen <emphasis role="underline">(verwijt VII</emphasis>) in Nederland is gelegen. De Stichting heeft, zoals uit 5.17 en 5.18 reeds blijkt, onvoldoende gesteld aangaande de betrokkenheid van PGF, POG en/of PIB bij de genoemde verwijten, waardoor onvoldoende aannemelijk is dat het schadebrengende handelen in Nederland gelokaliseerd kan worden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.23.</nr>
      <para>De Stichting is voorts van mening dat het <emphasis role="italic">Erfolgsort </emphasis>zich in Nederland bevindt, omdat gedupeerde Petrobras beleggers die hebben belegd op een in Nederland aangehouden beleggingsrekening directe schade hebben geleden door de onrechtmatige gedragingen  van alle gedaagden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.24.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt hieromtrent dat de conclusie dat de plaats waar de schade is ingetreden in Nederland  is gelegen, niet kan worden getrokken  uit de enkele omstandigheid dat sprake is van zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de Nederlandse bankrekening van de (beweerdelijk) benadeelde belegger. De Stichting heeft aangevoerd dat sprake is van de volgende bijkomende omstandigheden: de obligaties zijn vanuit Nederland uitgegeven, drie gedaagden zijn in Nederland gevestigd, Petrobras had een vestiging in Nederland  die zijzelf  aanduidde als <emphasis role="italic">strategie  presence </emphasis>en de transacties  die onderwerp waren van de fraude hebben zich in of via Nederland afgespeeld. Deze omstandigheden kwalificeren echter niet als aanknopingspunten op grond waarvan - in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt - het <emphasis role="italic">Erfolgsort </emphasis>met betrekking tot het initiëren en in stand houden van de fraude en het in strijd  handelen  met overige geldende (interne) regelingen,   kan worden aangemerkt als in Nederland gelegen. Daarbij is van belang dat reeds is geconcludeerd dat de <emphasis role="underline">verwijten  I en VII</emphasis>, kort gezegd, niet spelen bij PGF, POG en PIB,  terwijl vast staat dat de obligaties niet in Nederland  aan de beurs waren  genoteerd. Gelet op het voorgaande  komt aan de rechtbank op grond van artikel 6 sub e Rv niet meer    rechtsmacht toe dan op grond van artikel  7 Rv.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">artikel 9 Rv</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.25.</nr>
      <parablock>
        <para>De Stichting heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 9 sub c Rv, waartoe zij     heeft gesteld dat de onderhavige zaak  voldoende met de rechtssfeer van Nederland   verbonden is en het onaanvaardbaar is dat van haar gevergd wordt dat zij de zaak aan het oordeel  van de Braziliaanse  rechter onderwerpt. De Stichting heeft in dat verband   aangevoerd dat er gegronde vrees bestaat dat zij in Brazilië geen eerlijk proces zal krijgen, omdat de Braziliaanse staat meerderheidsaandeelhouder in Petrobras is en de <emphasis role="italic">kick-back jees </emphasis>ook in de kas van de grootste Braziliaanse politieke partij zijn gevloeid. Daarnaast staat  Brazilië volgens de Stichting bekend als corrupt land en zijn er concrete aanwijzingen dat de voormalige president van Brazilië (die eerder CEO van Petrobras is geweest) rechters heeft benoemd die de deelnemers aan de fraude goedgezind  zijn. Evenals artikel 6 Rv   is artikel</para>
        <para>9 Rv nog slechts van belang ten aanzien van de feiten die ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden ten grondslag zijn gelegd aan de <emphasis role="underline">verwijten I en  VII</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.26.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat artikel 9 Rv terughoudend dient te worden toegepast. In  het algemeen is het uitgangspunt dat de volgens de gebruikelijke bevoegdheidsregels bevoegde rechter geadieerd dient te worden. Overwogen wordt dat de voormalige president van Brazilië naar aanleiding van de fraude is gedwongen tot aftreden, dat zes van de toenmalige bestuurders van Petrobras, waaronder [gedaagde 5] , vanwege de fraude c.a. zijn afgetreden, dat een groot strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden dat heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging van allerlei  personen en dat diverse personen (onder wie een  aantal gedaagden) hoge (gevangenis)straffen zijn opgelegd vanwege hun aandeel  in de  fraude. In die situatie kan niet gezegd worden dat het onaanvaardbaar is van de Stichting te vergen dat zij de vorderingen, waarover hiervoor is geoordeeld dat aan de rechtbank geen rechtsmacht toekomt, aan het oordeel  van de Braziliaanse  rechter onderwerpt.  Aan de</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>rechtbank komt daarom op grond van artikel 9 sub c Rv ten aanzien van deze vorderingen geen  rechtsmacht toe.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie  internationale rechtsmacht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.27.</nr>
      <para>Uit al het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de Nederlandse vennootschappen op grond van artikel 2 Rv rechtsmacht toekomt voor alle op basis van de <emphasis role="underline">verwijten I tot en met VII </emphasis>ingestelde vorderingen. Ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden komt de rechtbank rechtsmacht toe op grond van artikel 7 lid 1 Rv, maar slechts voor de op grond van de <emphasis role="underline">verwijten II tot en met VI </emphasis>ingestelde vorderingen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">arbitrage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.28.</nr>
      <para>Petrobras c.s. en POG zijn van mening dat de rechtbank zich op grond van artikel 1074 Rv onbevoegd dient te verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting, voor zover deze zijn ingesteld ten behoeve van de aandeelhouders van Petrobras. Zij verwijzen daartoe naar artikel 58 van de statuten van Petrobras (zie 2.2 hiervoor), waarin volgens hen een arbitrageclausule is opgenomen. Het betreft in de visie van Petrobras c.s. en POG een naar Braziliaans recht geldige arbitrageclausule. Petrobras c.s. stellen dat naast Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] , ook PGF en PIB een beroep op de clausule toekomt omdat uit de stellingen van de Stichting volgt dat zij in een geschil worden betrokken dat Petrobras, haar bestuurders en de aandeelhouders aangaat. POG is van mening dat zij eveneens een beroep op de clausule kan doen, ook al is deze in de statuten van Petrobras opgenomen. Daartoe is volgens haar aanleiding, omdat de Stichting POG verwijt te hebben gehandeld in strijd met artikel 59 en 60 van de statuten van Petrobras en POG ten tijde van de verweten handelingen een volle (klein)dochtervennootschap was van Petrobras.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.29.</nr>
      <parablock>
        <para>Petrobras c.s. en POG  baseren zich mede op het op 24 november 2017   door</para>
        <para>
          [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) in opdracht van Petrobras c.s. uitgebrachte rapport met als titel <emphasis role="italic">"Validity and scope of the arbitration c/ause provided in the artic/es of association" </emphasis>en het  op 8 juni 2018 door [persoon 1] uitgebrachte aanvullende  rapport. In het rapport   van</para>
        <para>24 november 2017 is een andere versie van artikel 58 van de statuten opgenomen. De in het deskundigenbericht opgenomen tekst (pagina 8, voetnoot 6) is als volgt:</para>
        <para>"Art. 58 -It shall be resolved <emphasis role="italic">by means of arbitration </emphasis>[cursivering rechtbank], obeying the rules provided by the Market Arbitration Chamber, the disputes or controversies that involve the Company, its shareholders, the administrators and members of the Fiscal Council, for the purposes of the application of the provision contained in Law n° 6.404, of 1976, in this Articles of Association, in the rules issued by the National Monetary Council, by the Centra! Bank of Brazil and by the Brazilian Securities and Exchange Commission, as well as in the other rules applicable to the functioning of the capita! market in genera!, besides the ones contained in the agreements eventually executed by Petrobras with the stock exchange or over-the-counter market entity, accredited by the Brazilian Securities and Exchange Commission, aiming at the adoption of standards of corporate govemance established by these entities, and of the respective rules of differerttiated practices of corporate govemance, as the case may be."</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.30.</nr>
      <para>De Stichting heeft bestreden dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de Engelstalige versie van artikel 58 van de statuten onvoldoende duidelijk en concreet is: er is geen forum aangewezen dat moet</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>oordelen over de geschillen  die onder de clausule zouden vallen. Zij baseert zich mede</para>
        <para>op het op 26 maart 2018 door prof. [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) in opdracht van  de Stichting uitgebrachte rapport met als titel <emphasis role="italic">"On the arbitration provision found in the bylmvs of (...)Petrobras"  </emphasis>en zijn tweede rapport van  14 juni 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.31.</nr>
      <para>De Stichting heeft over de door [persoon 1] geciteerde tekst - onbestreden - aangevoerd dat dit de tekst is zoals die na de statutenwijziging in november 2016 luidt. De Stichting heeft in dat kader - evenzeer onbestreden - aangevoerd dat een versie van de statuten met de onder 2.2 vermelde tekst tot 2016 op de website van Petrobras was vermeld, zodat - voor zover aandeelhouders bekend zijn met de statuten - deze versie onder hen bekend moet worden geacht; het merendeel van de aandeelhouders is aangewezen op de Engelse tekst omdat zij - naar onweersproken door de Stichting is gesteld - over vrijwel de hele wereld verspreid zijn en veelal de Portugese taal niet machtig zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.32.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben ter zitting van 28 juni 2018 gesteld dat het een onjuiste vertaling van de Portugese tekst betreft en zij hebben aangeboden de correcte vertaling in het geding te brengen. Petrobras c.s. zullen niet worden toegelaten de volgens hen correcte vertaling in het geding te brengen. Zij hebben immers niet gesteld dat die versie kenbaar was voor de aandeelhouders, zodat die versie belang mist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.33.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat het gaat om een tekst die bedoeld is om door personen van over de hele wereld geraadpleegd te worden, de Engelstalige versie van artikel 58 zoals die in de relevante periode 2004-2014 op de site stond en in 2.2 is geciteerd de enige is die voor de onderhavige bevoegdheidsvraag van belang is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.34.</nr>
      <para>In geschil is naar welk recht de geldigheid van de arbitrageclausule beoordeeld moet worden. Bij gebreke van een rechtskeuze wijst artikel 10:166 BW naar het recht van de plaats van arbitrage dan wel het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst ziet. De rechtbank zal de vraag of deze tekst is aan te merken als een geldige arbitrageclausule eerst beoordelen naar Braziliaans recht en vervolgens naar Nederlands recht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.35.</nr>
      <parablock>
        <para>Blijkens de aan beide zijden overgelegde rapporten is niet in debat dat naar Braziliaans recht geldt dat arbitrage moet zijn overeengekomen. Zowel in het deskundigenbericht van [persoon 1] als in het deskundigenbericht van [persoon 2] is verwezen naar de <emphasis role="italic">Arbitration Lmv (Lmv </emphasis>no 9.307 van 23 september 1996) en beide deskundigen hebben (in Engelse vertaling) de tekst van artikel 4, §1 weergegeven. [persoon 1] heeft dat als volgt gedaan:</para>
        <para>"The arbitration clause shall be stipulated in writing, and it may be inserted in the agreement or in a separate document  to the agreement  referred thereto."</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>terwijl de vertaling van . [persoon 2] als volgt  luidt:</para>
        <para>"An arbitration clause will be in writing, and it may be inserted into the contract itself or into a separate document to which  it  refers."</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit beide vertalingen volgt dat indien in de statuten zelf niet is bepaald dat een geschil via arbitrage moet worden opgelost, in de overeenkomst uitdrukkelijk moet worden  verwezen naar het document  waarin de arbitrageclausule wel is opgenomen.  De rapporten geven blijk</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>van verschillende visies op de vraag of een dergelijke bepaling in de statuten kan gelden als een overeenkomst (een adhesie contract). Dat van een verwijzing naar een apart document waarin de arbitrageclausule is opgenomen geen sprake is in de Engelstalige versie van artikel 58 van de statuten - zoals weergegeven onder 2.2 - is duidelijk. De verwijzingen zien op toepasselijke regels, niet op de arbitrageovereenkomst zelf. Daarover is tussen de opinieschrijvers als zodanig ook geen debat. Het komt dus aan op de tekst van artikel 58 zelf.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.36.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [persoon 2] citeert voorts de definitie uit de aanvang van artikel    4 van de</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Arbitration Law:</emphasis>
        </para>
        <para>"An arbitration clause is an agreement by which the parties to a contract undertake to submit to arbitration any disputes that might arise with respect to that contract."</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [persoon 1] heeft de juistheid van deze vertaling in zijn tweede rapport niet weersproken, zodat  de rechtbank  daarvan uitgaat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.37.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het rapport van [persoon 2] blijkt expliciet dat naar Braziliaans recht toegang tot de onafhankelijke overheidsrechter beschouwd wordt als een grondrecht, dat in de grondwet verankerd is. Beperking daarvan moet derhalve aan de wettelijke eisen (die van de <emphasis role="italic">Arbitration Law) </emphasis>voldoen om grondwettelijk toelaatbaar (onder artikel 5, XXXV van de Braziliaanse Federale Constitutie) en dus bindend te kunnen zijn (vgl. p. 23 van bedoeld rapport).</para>
        <para>Uit die achtergrond vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat de tekst helder en duidelijk moet inhouden dat geschillen  niet aan de overheidsrechter, maar aan arbiters   moeten worden voorgelegd. Zoals de Stichting terecht heeft betoogd, is in de onderhavige  tekst een aantal regels van toepassing verklaard op (bijvoorbeeld) tussen Petrobras en haar bestuurders enerzijds en haar aandeelhouders anderzijds gerezen geschillen.  Er staat echter niet dat deze geschillen  via arbitrage  moeten  worden opgelost, noch is een arbiter of  arbitraal college aangewezen. Dat betekent dat de aandeelhouders in redelijkheid niet via kennisneming  van de statuten (via de website van  Petrobras) ermee  bekend  konden  raken dat Petrobras geschillen met haar aandeelhouders aan arbitrage wilde onderwerpen. In dat verband wijst de rechtbank erop dat de kern van arbitrage gelegen is in het afsluiten van de  weg naar de overheidsrechter. Er kunnen echter binnen een onderneming ook geschillenregelingen voor aandeelhouders bestaan,  met daarop toepasselijke  regels, die  (eerst) gevolgd kunnen dan wel moeten worden zonder dat daarmee de weg naar de overheidsrechter wordt afgesloten. De tekst van artikel 58 laat de mogelijkheid open dat een dergelijke regeling  is beoogd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.38.</nr>
      <para>Deze tekst van artikel 58 voldoet dus naar Braziliaans recht niet aan de daaraan te stellen eisen en is niet geldig. Dat [persoon 1] in zijn rapport, wat daarvan verder zij, tot een andere conclusie komt, doet daaraan niet af, omdat hij van een andere (de nieuwe/correct vertaalde) tekst van artikel 58 uitgaat. [persoon 2] concentreert zich met name op een ander aspect (dat van het adhesiecontract). Deze rapporten vormen derhalve geen reden voor een andere conclusie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.39.</nr>
      <para>De arbitrageclausule is naar Nederlands recht, op mutatis mutandis dezelfde gronden, niet geldig. Ook naar Nederlands recht vergt de omstandigheid dat het gaat om afstand  van  het grondrecht  op toegang tot de onafhankelijke overheidsrechter dat  duidelijk</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>uit de clausule blijkt dat arbitrage wordt overeengekomen en ontbreekt in de onder 2.2 geciteerde tekst de vereiste duidelijkheid.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.40.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover Petrobras c.s. en POG willen  betogen dat in de regels waarnaar in  artikel 58 verwezen wordt, is bepaald dat de beslechting van een geschil door middel van arbitrage zal plaatsvinden en tevens een arbiter of arbitraal college is aangewezen, zodat de vereiste duidelijkheid langs die weg geboden wordt, overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende is voor een ander oordeel. Het moet voor de (toekomstige) aandeelhouder  zonder uitgebreid onderzoek duidelijk zijn tot wie hij zich in geval van een geschil moet wenden. Dat geldt te meer omdat de aandeelhouders over vrijwel de hele wereld verspreid zijn, hetgeen  Petrobras c.s. ook wist, omdat dit een gevolg is van de strategie van    Petrobras</para>
        <para>c.s. om wereldwijd vreemd vermogen aan te trekken. Daarbij komt dat in artikel 58 verwezen wordt naar diverse regelingen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.41.</nr>
      <parablock>
        <para>Petrobras c.s. hebben nog het standpunt ingenomen dat een arbitrageclausule in statuten bindend is voor alle aandeelhouders vanaf de datum van de daaraan verleende goedkeuring in een aandeelhouders\'.ergadering en dat alle aandeelhouders worden geacht daarmee middels de aankoop van aandelen Petrobras in te stemmen. Voor degenen die voor november 2016 aandelen hebben gekocht doet die goedkeuring, wat daarvan  verder zij, niet ter zake omdat deze het gebrek aan duidelijkheid  niet   heelt.</para>
        <para>Voor degenen die pas na november 2016 aandeelhouder zijn geworden, komt de Stichting blijkens haar statuten  niet op, zodat hun positie niet van  belang  is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.42.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben tot slot nog gesteld dat in de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>door de Amerikaanse rechter is geoordeeld dat de clausule naar Braziliaans recht een geldige arbitrageclausule is die afdwingbaar is jegens de aandeelhouders van Petrobras (daarmee kennelijk onder meer doelend op de onder 2.8 genoemde beslissingen) en dat diverse Braziliaanse rechters hebben geoordeeld dat de arbitrageclausule aan hun bevoegdheid in de weg staat. Dit doet aan het voorgaande niet af, omdat dat onverlet laat dat de voor de aandeelhouders kenbare Engelstalige versie van de statuten van Petrobras, kort gezegd, geen geldige arbitrageclausule bevat en evenmin verwijst naar een geschrift waarin wel zo'n arbitrageclausule is opgenomen. In dit stadium kan bovendien niet worden vastgesteld of inderdaad sprake is van voor deze zaak relevante andersluidende oordelen en evenmin waarop de andersluidende oordelen van bedoelde rechters precies berusten en hoe het debat zich op dat punt heeft ontwikkeld, zodat daaraan geen beslissende betekenis kan toekomen. Voor de hand ligt dat in Brazilië is uitgegaan van de Braziliaanse tekst, die kennelijk anders luidde dan de Engelse vertaling; voorts staat vast dat de tekst tussentijds is gewijzigd. De overgelegde beslissing van 22 juni 2018 (productie 198) waarbij de <emphasis role="italic">Settlement Class </emphasis>is <emphasis role="italic">certified </emphasis>en de <emphasis role="italic">Settlement agreement </emphasis>en het allocatieplan zijn goedgekeurd, biedt geen concreet aanknopingspunt voor de stelling dat de Amerikaanse rechter van oordeel was dat sprake was van een geldige arbitrageclausule.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.43.</nr>
      <para>De slotsom is dat artikel 58 van de statuten zoals dat tot november 2016 in de Engelstalige versie luidde niet tot gevolg heeft dat de rechtbank ten aanzien van de Petrobras aandeelhouders onbevoegd is om van de vorderingen van de Stichting (die gebaseerd zijn op de <emphasis role="underline">verwijten II tot en met VI) </emphasis>kennis te nemen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.44.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op de conclusie van de rechtbank in rov. 5.27 en 5.43 zal hierna worden onderzocht of de vorderingen tot aanhouding van de onderhavige procedure toewijsbaar zijn.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">samenhangende  procedures</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.45.</nr>
      <parablock>
        <para>Petrobras c.s. en POG zijn van mening dat de rechtbank de zaak wegens  litispendentie dient aan te houden totdat in de Verenigde Staten - en in Brazilië, naar alleen Petrobras c.s. hebben gesteld - definitief over vorderingen die vrijwel hetzelfde luiden als de vorderingen van de Stichting, of over daarmee samenhangende vorderingen is beslist. Ten aanzien van  PGF hebben  Petrobras c.s. daartoe verwezen  naar artikel 33 en 34 Brussel  I</para>
        <para>bis-Vo en ten aanzien van Petrobras, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] naar artikel 12 Rv. POG heeft verwezen naar artikel 34 Brussel I bis-Vo en zij heeft subsidiair een beroep gedaan op de procesregie  in verband  met een doelmatige rechtspleging.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.46.</nr>
      <parablock>
        <para>Petrobras c.s. en POG hebben ter onderbouwing van hun standpunt aangevoerd dat sinds 8 december 2014 in de Verenigde Staten - derhalve voordat de Stichting de procedure tegen Petrobras c.s. en POG aanhangig heeft gemaakt - een <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>aanhangig is en dat daarnaast  in de Verenigde Staten een aantal  individuele  procedures worden  gevoerd tegen onder meer Petrobras,  [gedaagde 5] en [gedaagde 6] . De procedures  hangen  volgens  Petrobras</para>
        <para>c.s. en POG sterk samen met de onderhavige procedure, omdat steeds aan de orde is of beleggers  in Petrobras onder  meer Petrobras aansprakelijk  kunnen  houden  voor de (gevolgen van de) fraude. Petrobras c.s. hebben daaraan toegevoegd  dat het voor de  toepassing van Braziliaans  recht op de door de Stichting ingestelde  vorderingen  doelmatiger is om de inhoudelijke  behandeling  van de Braziliaanse  zaken af te wachten. Voor  aanhouding  is in de visie van Petrobras c.s. en POG te meer aanleiding omdat de Stichting  haar achterban zo heeft gedefinieerd dat daartoe ook beleggers behoren die buiten de  reikwijdte van de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>vallen ; er zijn immers beleggers die wel onder de reikwijdte  van de <emphasis role="italic">US Class Action, </emphasis>maar niet onder die van de <emphasis role="italic">Class Action Settlement   </emphasis>vallen, met name omdat zij een <emphasis role="italic">opt-out </emphasis>verklaring hebben afgelegd. Over hun positie moet duidelijkheid  bestaan alvorens de rechtbank  oordeelt over de vorderingen  van de  Stichting.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.47.</nr>
      <para>Overwogen wordt dat de rechter in de Verenigde Staten vanwege de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>niet toekomt aan een  inhoudelijk  oordeel  over de vorderingen  van de beleggers die de <emphasis role="italic">US Class Action </emphasis>hebben ingesteld. Dat is anders als beleggers die onder de schikking vallen voor een <emphasis role="italic">opt-out </emphasis>kiezen, zoals kennelijk in elk geval twee partijen inmiddels hebben gedaan. Onduidelijk is echter  hoe het verdere verloop van deze procedures zal zijn en hoe  lang zij zullen duren. Daarom  is ook onduidelijk of binnen een redelijke termijn een   uitspraak  in deze procedures  is te verwachten. Gelet op dit alles zal de rechtbank de zaak  niet aanhouden vanwege de procedures  in de Verenigde Staten (al dan niet in het kader van  de <emphasis role="italic">US Class Action, </emphasis>de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>of separate  procedures  van  beleggers die voor een <emphasis role="italic">opt-out  </emphasis>hebben gekozen).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.48.</nr>
      <para>Ten aanzien van de in Brazilië gevoerde procedures overweegt de rechtbank dat uit de stellingen van Petrobras c.s. volgt dat daarin met name aan de orde is of de Braziliaanse rechter zich onbevoegd verklaart vanwege de in artikel 58 van de statuten opgenomen clausule en dat in een aantal procedures reeds een onbevoegdverklaring is gevolgd. Enerzijds betekent dat dat geen inhoudelijk rechterlijk oordeel valt te verwachten over, kort gezegd, het gestelde handelen en nalaten van Petrobras, de drie Nederlandse vennootschappen, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen verdachten. Anderzijds is van</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>belang dat niet duidelijk is of de daar eventueel te wijzen arbitrale vonnissen vatbaar zullen zijn voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland. Brazilië is weliswaar partij bij het Verdrag van New York, maar voor erkenning is noodzakelijk dat sprake is van een geldig arbitraal beding en, zo is hiervoor geconcludeerd, artikel 58 (als hiervoor in 2.2 weergegeven) is geen geldig arbitraal beding; voor zover daar andere arbitrale bedingen aan de orde zijn is de relevantie voor deze zaak beperkt. Gelet op dit alles zal de rechtbank de zaak niet aanhouden vanwege de procedures in Brazilië.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.49.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben nog aangevoerd dat het ondoelmatig is om de vraag of de Stîchting na de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>nog een processueel belang heeft bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht, te beantwoorden voordat het oordeel over de <emphasis role="italic">Class Action Settlement </emphasis>kracht van gewijsde heeft. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.47 is overwogen, wordt dit standpunt van Petrobras c.s. niet gevolgd. In dat verband merkt de rechtbank op dat, als mocht blijken dat zeer snel definitieve duidelijkheid in de Verenigde Staten ontstaat, de betreffende beslissingen uiteraard in een later stadium in deze procedure kunnen  worden ingebracht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">overige  onderwerpen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.50.</nr>
      <para>Petrobras c.s. en POG hebben de relatieve bevoegdheid van de rechtbank betwist. Hoewel zij geen daarop gerichte vordering hebben ingesteld, overweegt de rechtbank daarover zorgvuldigheidshalve dat zij op grond van artikel 99 Rv jo 107 Rv relatief bevoegd is, omdat PGF en POG in Rotterdam gevestigd zijn, zodat de rechtbank - voor zover haar rechtsmacht toekomt - ook relatief bevoegd is ten aanzien van de overige gedaagden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.51.</nr>
      <para>Petrobras c.s. hebben verzocht in de gelegenheid te worden gesteld hoger beroep tegen de beslissing in te stellen in het geval de rechtbank de door hen opgeworpen (onbevoegdheids)verweren geheel of gedeeltelijk zou verwerpen. De rechtbank ziet in hetgeen door Petrobras c.s. is aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de hoofregel dat hoger beroep van een tussenvonnis tegelijk met het eindvonnis wordt ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.52.</nr>
      <para>De rechtbank zal Petrobras c.s. en POG als de grotendeels in het ongelijk te stellen partijen veroordelen in de proceskosten van de incidenten. Nu de Stichting één conclusie van antwoord in beide incident heeft genomen, zal worden volstaan met een kostenveroordeling alsof sprake is van één incident. Petrobras c.s. en POG zullen hoofdelijk tot betaling van deze kosten worden veroordeeld. De kosten worden begroot op€ 1.356,00 (3 punten x tarief € 452,00).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Tijdens de op 23 augustus 2017 gehouden comparitie is - voor zover thans van belang - afgesproken dat Petrobras c.s. en POG een kort schematisch overzicht van de door hen voorziene ontvankelijkheids- en inhoudelijke verweren <emphasis role="italic">(skeleton argument) </emphasis>zullen opstellen en dat aan de hand daarvan, voordat een conclusie van antwoord wordt genomen, door alle verschenen partijen zal worden overlegd over de meest efficiënte procesvoering, in welk kader zo nodig een volgende regiezitting zal worden bepaald. Het in het proces-verbaal opgenomen tijdpad houdt in dat Petrobras c.s. en POG op de rol van 17 oktober 2018 een akte (inhoudende bedoeld <emphasis role="italic">skeleton argument) </emphasis>nemen, waarna de Stichting op de rol van 14 november 2018 een akte kan nemen met een - eveneens korte en schematische- reactie op de</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>aktes van Petrobras c.s. en POG, waarna een eventuele regiezitting op <emphasis role="bold">18 december 2018 </emphasis>kan plaatsvinden. De hoofdzaak zal daarom verwezen worden naar de rol van 17 oktober 2018 voor het nemen van een akte door zowel Petrobras c.s. als POG waarin zij het genoemde  korte schematische  overzicht  kunnen geven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in de incidenten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>verklaart zich onbevoegd om:</para>
        <para>van de jegens Petrobras, [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en de niet verschenen gedaagden ingestelde vorderingen  kennis te nemen  voor zover deze zijn gebaseerd  op:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">verwijt I</emphasis>: het initiëren en in stand houden van de grootschalige fraude; en:</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="underline">verwijt VII</emphasis>: het handelen  in strijd  met (overige) geldende  regelingen;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>wijst de incidentele  vorderingen  van Petrobras c.s. en van  POG  voor het overige  af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>veroordeelt Petrobras c.s. en POG hoofdelijk in de kosten van het inci dent, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op € 1.356,00;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <parablock>
        <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen</para>
        <para>van een akte door zowel Petrobras c.s. als POG waar zij ieder een  kort schematisch overzicht van de door hen voorziene ontvankelijkhe"8s- en inhoudelijke verweren kunnen geven. De Stichting zal vervolgens in de gelegenh 1d worden gesteld om (op de rol va 14 november 2018) bij akte kort en schematisch op ie overzichten te reageren·</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. F. Damsteegt-Molier en mr.</para>
        <para>M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.</para>
        <para>[2066/106/2148 /2862]</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>