<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:5645</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-13T12:48:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 17/7070</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:5645">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:5645</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-13T12:45:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:5645 Rechtbank Rotterdam , 09-07-2018 / ROT 17/7070</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:5645:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet eerst in verzet kan een beroep op betalingsonmacht griffierecht worden gedaan. Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is daarom ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:5645:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 17/7070</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2018 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Rohan Insurance B.V., te Rotterdam, opposante 1,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], te [plaats], opposant 2,</bridgehead>
    <para>Tezamen: opposanten,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 februari 2018 in het geding tussen opposant en <emphasis role="bold">Stichting Autoriteit Financiële Markten </emphasis>(AFM) over het besluit van 31 oktober 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft AFM het bezwaar van opposant 2 tegen het besluit van 3 april 2017, waarbij de aanvraag van opposante 1 om ontheffing als bedoeld in artikel 4:9, vijfde lid, van de Wet op het financieel toezicht van  diplomaverplichtingen is afgewezen, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 20 februari 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met de verzetszaak ROT 18/1128 en met de zaak ROT 18/3005 die ziet op het verzoek om voorlopige voorziening hangende het verzet in de zaak ROT 18/1128 – plaatsgevonden op 5 juli 2018. Opposant 2 is verschenen namens zichzelf en namens opposante 1. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. de Rond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter de zaken gesplitst voor het doen van uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposant niet tijdig het verschuldigde griffierecht heeft voldaan en dat hem daarvan redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op artikel 8:41, zesde lid, van de Awb is het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk geacht. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat het beroep, gelet op de tekst van het op 12 december 2017 ingediende beroepschrift, uitsluitend is ingesteld door opposant 2 en niet mede namens opposante 1, zoals in het verzetschrift is vermeld. Dit laat onverlet dat het verzetschrift wel  mede namens opposante 1 ingediend. De strekking van artikel 8:55 van de Awb verzet zich er tegen dat  verzet kan worden gedaan door degene wiens belang parallel loopt met dat van degene die het beroep heeft ingesteld dat buiten zitting is afgedaan, maar die zelf geen beroep heeft ingesteld. Omdat sprake is van een parallel belang van opposanten, moet het verzet van opposante 1 niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. In het verzetschrift wordt gesteld dat opposant 2 een beroep kon doen op betalingsonmacht en dat beroep ook heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat opposant 2 op 15 december 2017 door de griffier een nota is verzonden en nogmaals een aangetekende herinnering op 13 januari 2018, waarbij hem (alsnog) een termijn van vier weken is vergund het verschuldigde griffierecht te voldoen. Opposant 2 heeft daar geen gevolg aan gegeven, terwijl evenmin een beroep op betalingsonmacht door de rechtbank is ontvangen. Uit vaste rechtspraak (HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354 en CRvB 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282) volgt dat een beroep op betalingsonmacht moet worden kenbaar gemaakt voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn. Hieruit volgt dat niet eerst in verzet een dergelijk beroep kan worden gedaan. Uit een en ander volgt dat opposant 2 in verzuim is in de zin van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb en het verzet daarom ongegrond is.</para>
    <para />
    <para>4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet van opposante 1 niet-ontvankelijk en het verzet van opposant 2 ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>