<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:3635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-04T11:55:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/996750-11 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:3635">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:3635</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-04T11:55:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:3635 Rechtbank Rotterdam , 22-03-2018 / 10/996750-11 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:3635:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing vordering strekkende tot vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde is vrijgesproken van de strafbare feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:3635:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>Rechtbank Rotterdam</title>
    <para>Team straf 2.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 22 maart 2018</para>
      <para>Parketnummer: 10/996750-11 (ontneming)</para>
      <para>Tegenspraak,  gemachtigd raadsman </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis </title>
    <para>van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam veroordeelde] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteland veroordeelde] ,</para>
      <para>niet ingeschreven in de basisregistratie personen,</para>
      <para>zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>adres: [adres veroordeelde] te [woonplaats veroordeelde] (Duitsland), </para>
      <para>gemachtigd raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline caps">onderzoek op de terechtzitting</emphasis>
      </para>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van </para>
      <para>22 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling op de terechtzitting van de vordering is voorafgegaan door een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de advocaat van de veroordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VOORAFGAANDE VEROORDELING</emphasis>
      </para>
      <para>Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken van </para>
      <para>25 juni 2015, is de veroordeelde veroordeeld, voorzover hier van belang, wegens witwassen. Van dat vonnis is een kopie aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">VORDERING</emphasis>
      </para>
      <para>De, bij repliek en  ter zitting van 22 maart 2018 bij requisitoir gewijzigde, vordering van de officier van justitie, mr. R. Terpstra, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 83.595,39. Dit is inclusief een bedrag aan vervolgprofijt van € 5.050,39. Voorts heeft de officier van justitie – zo leest de rechtbank diens vordering - gevorderd het bedrag dat de veroordeelde zal moeten betalen te verminderen met € 5.000,00 als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn.</para>
      <para>De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld alsmede uit andere strafbare feiten die er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD</emphasis>
      </para>
      <para>Bij vonnis van 25 juni 2015 is de veroordeelde door deze rechtbank, voor zover hier van belang, veroordeeld ter zake van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Witwassen, gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 februari 2012. <footnote-ref linkend="_2c80b741-b8e7-4a4e-80e3-54adbb925a04" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit misdrijf door de veroordeelde is begaan. Van de overige ten laste gelegde feiten is de veroordeelde vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 30 maart 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen. Veroordeelde is in de hoofdzaak integraal vrijgesproken van het hem gemaakte strafrechtelijke verwijt dat hij in de aangegeven periode gelden van werknemers zou hebben verduisterd. Met deze vordering miskent de officier van justitie deze inmiddels onherroepelijk geworden vrijspraak. Daarnaast is er geen enkele onderbouwing van het standpunt van de officier van justitie te vinden dat vanwege de in artikel 36e, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht genoemde “‘andere strafbare feiten” feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen op grond waarvan de verduistering kan worden aangenomen. Mogelijk waren de betrokken werknemers in sommige gevallen ontevreden over de wekelijks aan hen uitgekeerde bedragen - nettoloon verminderd met afgesproken inhoudingen - maar nergens is in het strafdossier een verklaring te vinden dat aan veroordeelde het verwijt wordt gemaakt dat hij aan de werknemers toebehorende gelden wederrechtelijk onder zich heeft gehouden. Evenmin is aangetoond dat de veroordeelde daadwerkelijk gelden wederrechtelijk heeft achtergehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft het standpunt van de verdediging integraal weersproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">HET OORDEEL VAN DE RECHTBANK</emphasis>
      </para>
      <para>Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op de door de raadsman aangevoerde gronden, de vordering, zoals ter terechtzitting aangepast, dient te worden afgewezen. Veroordeelde is in de hoofdzaak van verduistering van gelden vrijgesproken. Feiten en omstandigheden op basis waarvan verduistering van gelden jegens de betrokken werknemers kan worden aangenomen, ontbreken.<footnote-ref linkend="_c806be79-2790-491e-a120-ae4362381a41" /> Daarenboven is de rechtbank niet gebleken dat de veroordeelde betrokken is geweest bij andere strafbare feiten dan die aan de orde zijn geweest in het kader van het onderzoek en de behandeling in de strafzaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN</emphasis>
      </para>
      <para>Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">BESLISSING</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>WIJST AF de vordering strekkende tot vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door:</para>
      <para>mr. J.J. Bade, voorzitter, </para>
      <para>en mrs. K.A. Baggerman en G.P. van de Beek, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.D. van Leijden, griffier, </para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2c80b741-b8e7-4a4e-80e3-54adbb925a04" label="1">
    <para>Vonnis van de rechtbank Rotterdam gewezen op 25 juni 2015</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c806be79-2790-491e-a120-ae4362381a41" label="2">
    <para>EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>