<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:2177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:02:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/543956 / KG ZA 18-117</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2018/261</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:2177">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:2177</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-16T10:40:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:2177 Rechtbank Rotterdam , 02-03-2018 / C/10/543956 / KG ZA 18-117</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:2177:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087 (met noot H.J. Snijders in NJ 2018/56).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:2177:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c577f686-cda7-4422-aa2d-1ce1385ecf8d" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="46520606-fe1a-4def-aadf-e92b1de58424" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handel en Haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/543956 / KG ZA 18-117</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 2 maart 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">JVS HOLDING SCHIEDAM B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Schiedam,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">KORS B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. A-J. van der Duijn Schouten te Dordrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de concept-dagvaarding van 30 januari 2018 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de planning van de zitting in de onderhavige procedure op woensdag 14 februari 2018</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord van gedaagde, met producties, ontvangen op 13 februari 2018 </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het faxbericht van 13 februari 2018, waarin eiseres mededeelt dat zij de kort gedingprocedure intrekt ‘<emphasis role="italic">zonder enige erkenning van het in de conclusie van antwoord door Kors B.V. gestelde en de producties.</emphasis>’</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het faxbericht van 13 februari 2018, waarin gedaagde om een veroordeling van eiseres in de proceskosten vraagt</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het faxbericht van 20 februari 2018, waarin eiseres verweer voert tegen de verzochte proceskostenveroordeling.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het huidige Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie voorziet, in navolging van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, in de mogelijkheid om na intrekking van een kort gedingprocedure een proceskostenveroordeling op te leggen. Uit dit arrest volgt dat partijen alsdan griffierecht verschuldigd zijn. Het procesreglement bepaalt in dit verband: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“9.1 Intrekking procedure</para>
        <para>De eisende partij kan de procedure intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen. Indien de gedaagde partij na intrekking van de procedure tijdig aan de eisende partij en de voorzieningenrechter meedeelt dat hij een beslissing over de proceskosten wenst, komt de aanhangigheid van de procedure niet te vervallen en beslist de voorzieningenrechter over de proceskosten. De gedaagde partij dient deze mededeling te doen binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het is niet zonder meer gezegd dat de gedaagde, die tijdig zijn verlangen van een proceskostenveroordeling ten laste van eiser heeft geuit, die ook daadwerkelijk verkrijgt. Het kan heel goed zijn dat de intrekking slechts plaatsvindt, omdat gedaagde na aanvankelijk verweer buiten rechte of stilzwijgen zijnerzijds uiteindelijk geheel aan het gevorderde voldoet. De rechter zal dan ook niet zonder meer de door gedaagde verlangde proceskostenveroordeling kunnen toewijzen (vgl. H.J. Snijders in zijn noot onder voormeld arrest in NJ 2018/56).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiseres stelt dat zij de kort gedingprocedure heeft ingetrokken omdat gedaagde kort voor de geplande zitting een - tot dan toe bij eiseres onbekende - vaststellingsovereenkomst heeft gepresenteerd. Eiseres gaat er van uit dat mogelijk een handtekeningenonderzoek en het horen van getuigen nodig zullen zijn, waartoe een kort gedingprocedure niet geschikt is. In de stellingname van eiseres ligt de erkenning besloten dat zij een vordering in kort geding aanhangig heeft gemaakt die gelet op het daartegen door gedaagde gevoerde verweer zou zijn afgewezen. Dat eiseres meent dat na bewijsvoering in een bodemprocedure haar vordering wel toewijsbaar zou zijn, is niet relevant voor de beslissing over de proceskosten in dit kort geding. Deze kosten worden begroot op € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 3.946,- aan griffierecht (tarief bij een geldvordering van minstens € 100.000,-). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter zal de proceskostenveroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagde, tot op heden begroot op € 4.762,-,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018.<footnote-ref linkend="_d2408712-bda4-4f9e-a1b9-ed4b9868461d" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_d2408712-bda4-4f9e-a1b9-ed4b9868461d" label="1">
    <para>2517/1729</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>