<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:1152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:41:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">6472536 VZ VERZ 17-28014</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>WR 2018/115</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:1152">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:1152</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-23T15:32:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:1152 Rechtbank Rotterdam , 02-02-2018 / 6472536 VZ VERZ 17-28014</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:1152:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot goedkeuring afwijkend huurbeding.7:291 BW. Koppeling franchiseovereenkomst aan huurovereenkomst. Geen wezenlijke aantasting gelet op de omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:1152:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 6472536 VZ VERZ 17-28014</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak: 2 februari 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking ex artikel 7:291 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">zittinghoudende te Rotterdam</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verhage Franchise B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Zwijndrecht,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Munnik,</para>
      <para>verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de vennootschap onder firma [VOF 1] </emphasis>tevens handelend onder de naam <emphasis role="bold">Verhage, </emphasis></para>
      <para>zaakdoende te [plaatsnaam],</para>
      <para>alsmede haar vennoten <emphasis role="bold">[A.] </emphasis>en mevrouw <emphasis role="bold">[B.],</emphasis></para>
      <para>beiden wonende te [plaatsnaam], </para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Munnik,</para>
      <para>medeverzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen worden aangeduid als “Verhage” respectievelijk [VOF ]”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Op 16 november 2017 hebben partijen een verzoekschrift als bedoeld in artikel 7:291 </para>
        <para>lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De kantonrechter heeft op grond van de inhoud van de stukken een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege gelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Partijen hebben een onderhuurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte aan de [straat-en plaatsnaam].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>De huurovereenkomst tussen partijen is ingegaan op 1 september 2017 en eindigt op </para>
        <para>31 augustus 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Tussen partijen is eveneens een franchiseovereenkomst gesloten met eenzelfde looptijd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>In de huurovereenkomst zijn de volgende bedingen opgenomen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="underline">Artikel 1.5 </emphasis></para>
        <para>Partijen erkennen hierbij uitdrukkelijk dat het beëindigen van de exploitatie van de Verhage- franchisevestiging door Onderhuurder, zal worden beschouwd als een verandering van bestemming, die de beëindiging van deze overeenkomst noodzakelijkerwijze met zich meebrengt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 3.1 </para>
        <para>	De huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van acht (8) jaar, ingaande per 1 september 2017 en lopende tot en met 31 augustus 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 3.4</para>
        <para>Partijen stellen vast dat deze overeenkomst integraal onderdeel uitmaakt van de franchiseovereenkomst. Beide overeenkomsten vormen één onlosmakelijk</para>
        <para>geheel. Partijen stellen eveneens vast dat onderverhuurder uitsluitend bereid is het gehuurde aan onderhuurder te verhuren voor zolang de franchiseovereenkomst van kracht is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 3.5</para>
        <para>Indien Onderhuurder in gebreke is in zake de nakoming van de Franchiseovereenkomst, wordt dit tevens aangemerkt als een in gebreke zijn uit</para>
        <para>hoofde van deze overeenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 3.6</para>
        <para>Partijen komen hierbij expliciet overeen dat in geval van (tussentijdse)</para>
        <para>beëindiging van de franchiseovereenkomst deze overeenkomst op dezelfde</para>
        <para>datum een einde neemt, onafhankelijk van de oorzaak van het einde van de</para>
        <para>franchiseovereenkomst en zonder dat daarvoor een separate opzegging nodig is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 3.7</para>
        <para>Onverminderd het hiervoor bepaalde, eindigt deze overeenkomst zonder dat daartoe opzegging vereist is op het moment dat de Hoofdhuurovereenkomst eindigt.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Uitgangspunt is dat van de wettelijke bepalingen van de vierde titel van boek 7, waarvan de zesde afdeling gewijd is aan huur van bedrijfsruimte, niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, behoudens goedkeuring door de rechter (artikel 7:291 BW).</para>
        <para>Ingevolge het derde lid van artikel 7:291 BW wordt die goedkeuring alleen gegeven als de wettelijke rechten van de huurder van bedrijfsruimte door de afwijking niet wezenlijk worden aangetast, of als de maatschappelijke positie van de huurder zodanig is dat hij de wettelijke bescherming niet nodig heeft. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [VOF ] onderneemt op grond van een franchiseovereenkomst. Deze overeenkomst kan buiten rechte tot een einde komen. In dat geval heeft [VOF ] er belang bij dat ook de huurovereenkomst tot een einde komt. Op grond van de bepalingen in de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst is [VOF ] immers niet gerechtigd om in geval van beëindiging van de franchiseovereenkomst in het gehuurde een andere onderneming dan een Verhage franchisevestiging te voeren. Andere exploitatiemogelijkheden zijn niet aanwezig. In die omstandigheid heeft [VOF ] er belang bij dat de huurovereenkomst voor de alsdan voor hem niet te exploiteren zaak, met alle verplichtingen van dien, niet voortduurt. Door partijen is voorts aangevoerd dat de wens om af te wijken gelegen is in het feit dat er tussen partijen ook sprake is van een hoofdhuurovereenkomst en de wens bestaat om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de looptijd en beëindigingsmogelijkheden van die overeenkomst. Ook is er bij een eventueel einde van de franchiseovereenkomst een overdrachtsregeling opgenomen en een koopoptieregeling om de onderneming met inbegrip van opstal te verkopen. Daarnaast ontvangt [VOF ] in dat geval een bedrag van € 12.500,- naast de koopprijs en is een regeling opgenomen om voorraad terug te kopen tegen inkoopprijs.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een wezenlijke aantasting van de rechten van [VOF ].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Nu de onderhavige procedure voortvloeit uit een gemeenschappelijk verzoek, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verleent goedkeuring aan de onder 2.4 geciteerde, van afdeling 6 titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek afwijkende, bedingen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten als boven aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken op de openbare terechtzitting.</para>
      <para>527</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>