<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2018:10124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-12T13:18:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 16/7966</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10124">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-11T11:30:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2018:10124 Rechtbank Rotterdam , 11-12-2018 / ROT 16/7966</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2018:10124:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>einduitspraak na tussenuitspraak ECLI:NL:RBROT:2018:5865</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2018:10124:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Rechtbank   Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 16/7966</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , te [plaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: P.J. van Damme.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 18 juli  2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld de gebreken in het besluit van 1 november 2016 (het bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 10 augustus 2018 gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eiser bij brief van 23 augustus 2018 een termijn van vier weken geboden om op de inhoud van de stukken van verweerder te reageren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft bij brief van 10 september 2018 gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 18 september 2018 het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Voor de van belang zijnde feiten, standpunten van partijen en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.</para>
    <para />
    <para>2. Het bestreden besluit rust op de gronden dat a) de financiële tegemoetkoming die eiser voor vervoer per eigen auto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ontving moet worden beëindigd, omdat deze wet daarvoor geen grondslag meer biedt en dat b) een nieuwe vervoersvoorziening als maatwerkvoorziening niet is aangewezen, omdat eiser over een eigen auto beschikt waarmee hij in zijn vervoersbehoefte kan voorzien en deze auto als een algemeen gebruikelijke voorziening moet worden aangemerkt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In de tussenuitspraak is geoordeeld dat grondslag onder a) geen stand kan houden, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:395), volgens welke uitspraak zo’n financiële tegemoetkoming wel mogelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Voorts is in de tussenuitspraak geoordeeld dat grondslag onder b) gebrekkig is, omdat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het inkomen van eiser en de kosten van de auto, zodat er niet vanuit kan worden gegaan dat eiser in staat is om van de voorziening gebruik te blijven maken. In dit kader is in de tussenuitspraak voorts het volgende overwogen: “Daarbij wijst de rechtbank er op dat als eiser de benodigde gegevens niet aan verweerder verstrekt diens financiële situatie en draagkracht niet kunnen worden vastgesteld, zodat de beoordeling of een maatwerkvoorziening voor vervoer is aangewezen, niet goed mogelijk zal zijn.” </para>
      <para />
      <para>3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder eiser bij brief van 24 juli 2018 verzocht om binnen twee weken gegevens te overleggen over zijn inkomen, vermogen en de kosten van de auto.</para>
      <para />
      <para>4. Eiser heeft de gevraagde gegevens noch aan verweerder overgelegd noch aan de rechtbank gezonden. Eiser heeft weliswaar in een brief van 9 augustus 2018 melding gemaakt van schade aan zijn woning door toedoen van zijn buurman, maar uit deze brief blijkt niet dat eiser niet in staat was de gevraagde gegevens te overleggen. In zijn brief van 10 september 2018 heeft eiser weliswaar enkele opmerkingen gemaakt over pensioen, spaartegoeden en zorgtoeslag, maar deze gegevens zijn onvoldoende voor de beoordeling of de auto als een algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. </para>
      <para />
      <para>5. Gelet op wat onder 4. is overwogen, heeft herstel van het gebrek, voor zover dat betrekking heeft op grondslag onder b, niet kunnen plaatsvinden omdat eiser de van hem te verlangen medewerking niet heeft verleend.</para>
      <para />
      <para>6. Dat neemt echter niet weg dat grondslag onder a) nog immer op een onjuiste grond rust en dat het onderzoek naar grondslag onder b) gebrekkig was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Dit brengt de rechtbank tot het eindoordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de Wmo 2015 en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door het op dezelfde onjuiste grondslag als het bestreden besluit berustende primaire besluit van 25 juli 2016 te herroepen. Dit betekent dat de verstrekte financiële tegemoetkoming nog doorloopt totdat hij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 rechtsgeldig zal zijn beëindigd. </para>
      <para />
      <para>8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.</para>
      <para />
      <para>9. Er zijn geen in aanmerking te nemen proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit van 1 november 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>herroept het primaire besluit van 25 juli 2016;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. M.V. van Baaren en</para>
      <para>mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 december  2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>