<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2017:8895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-14T12:03:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/467298 / HA ZA 15-28</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:8895">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:8895</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-14T12:02:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2017:8895 Rechtbank Rotterdam , 01-11-2017 / C/10/467298 / HA ZA 15-28</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2017:8895:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2016:7258. Het vonnis dat is gewezen in de Maleisische procedure tussen Lionex enerzijds en enkele van haar ex-werknemers anderzijds heeft slechts vrije bewijskracht. Ten aanzien van de aan gedaagden verweten tort of conspiracy naar Maleisisch recht overweegt de rechtbank dat de geldende maatstaf van het voor een unlawful means conspiracy vereiste intention to injure niet is juist weergegeven in het tussenvonnis. Voor zover nodig komt de rechtbank daarop terug. De rechtbank komt (met inachtneming van de Maleisische bewijsmaatstaf) tot de conclusie dat sprake is van een tort of conspiracy. Gedaagden zijn aansprakelijk voor de door Lionex geleden schade op grond van tort of conspiracy. Zij zullen de uit die tort voorvloeiende schade moeten vergoeden. Ter beoordeling van de hoogte van de schade, zal een nader debat gevoerd moeten worden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2017:8895:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="541ea4e0-9195-4151-82f2-a5f08619da70" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5a82beed-8546-44a9-815f-f4d04cf0f053" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/467298 / HA ZA 15-28</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 1 november 2017</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de rechtspersoon naar Maleisisch recht</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">LIONEX (M) SDN. BHD.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië),</para>
    </parablock>
    <para>2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DPW VAN STOLK HOLDING B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOFSTÉ HOLDING B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Aalten,</para>
      <para>eiseressen,</para>
      <para>advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] ,</title>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>3.	<emphasis role="bold">[gedaagde 3]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>4.	<emphasis role="bold">[gedaagde 4]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VAN UDEN HOLDING B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para>6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde 6]
        </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para>7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VAN UDEN GROUP B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para>8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">V-WOOD BEHEER B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Schijndel,</para>
    </parablock>
    <para>9. de rechtspersoon naar Maleisisch recht</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BLUE ROOTS SDN. BHD.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Shah Alam (Maleisië),</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. F.C. van Uden te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna wederom Lionex c.s. en [gedaagden] genoemd worden. Eiseressen zullen afzonderlijk als ‘Lionex’, ‘DPW van Stolk’ en ‘Hofsté’ worden aangeduid. Gedaagden zullen afzonderlijk als [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, ‘ [gedaagde 3] ’, ‘ [gedaagde 4] ’, ‘Van Uden Holding’’, ‘ [gedaagde 6] ’, ‘Van Uden Group’, ‘V-Wood’ en ‘Blue Roots’ worden aangeduid. Van Uden Holding en de daaraan gelieerde vennootschappen worden samen ook aangeduid als de ‘Van Uden groep’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 21 september 2016, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie na tussenvonnis van Lionex c.s., met producties 295 tot en met 300,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging Maleisische stukken van Lionex c.s., met producties 301.1 tot en met 301.98,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordconclusie na tussenvonnis van [gedaagden] , met producties 208 tot en met 212,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door Lionex c.s. ten behoeve van het tweede pleidooi overgelegde producties 302 tot en met 312,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door Lionex c.s. ten behoeve van het tweede pleidooi overgelegde productie 313,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties voorafgaand aan het tweede pleidooi van [gedaagden] , met producties 213 tot en met 215,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging aanvullende producties voorafgaand aan het tweede pleidooi van [gedaagden] , met producties 216 tot en met 223,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de door Lionex c.s. ten behoeve van het tweede pleidooi overgelegde volledige versie van productie 306,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het op 20 juni 2017 gehouden (tweede) pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Na het tussenvonnis van 21 september 2016 heeft een wijziging in de samenstelling van de meervoudige kamer plaatsgevonden, te weten dat mr. R.J.A.M. Cooijmans is vervangen door mr. W.J. van den Bergh. Dit vonnis wordt gewezen door de kamer ten overstaan waarvan het (tweede) pleidooi heeft plaatsgevonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Ter zitting van 20 juni 2017 hebben partijen afgesproken om in overleg te treden over een (partiële) rechtskeuze ten aanzien van het schadedebat. Bij faxberichten van 10 juli 2017 en 19 juli 2017 hebben [gedaagden] respectievelijk Lionex c.s. bericht dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over een partiële rechtskeuze. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat ook op het schadedebat Maleisisch recht van toepassing is. Daarop zal in een later stadium worden teruggekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het tussenvonnis van 21 september 2016</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van de door Lionex c.s. aan [gedaagden] verweten <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> – kort samengevat – overwogen dat het met betrekking tot het overnemen van werknemers en het schaden van de relatie met de bank meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat er gebruik is gemaakt van <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> in het kader van de <emphasis role="italic">agreement</emphasis>, waarbij de partijen bij de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>redelijkerwijs konden voorzien dat Lionex hierdoor geschaad zou (kunnen) worden.</para>
        <para>Voor wat betreft de post bedrijfsgeheimen heeft de rechtbank geoordeeld dat niet meer aannemelijk dan onaannemelijk is dan aan die eis is voldaan. Met betrekking tot de post voorraad en de post verlies van <emphasis role="italic">corporate opportunities</emphasis> heeft de rechtbank overwogen dat Lionex c.s. onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat aan die eis is voldaan.</para>
        <para>Voor wat betreft de posten klanten (b) en leveranciers (c) heeft de rechtbank Lionex c.s. in de gelegenheid gesteld die nader uit te werken en te onderbouwen. Voorts heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld het uitgestelde schadedebat te voeren over de posten a, b, c en f (zie 4.70 van het tussenvonnis).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de schade heeft de rechtbank in het tussenvonnis onder 4.83 overwogen dat het meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat zowel de verslechterde marktomstandigheden als de maatregelen die in augustus 2012 zijn genomen tot een vermindering van omzet hebben geleid, zodat sprake is van een alternatieve oorzaak van de schade die voor rekening van Lionex c.s. komt. Onder 4.84 heeft de rechtbank overwogen dat de mate waarin de verschillende oorzaken aan de schade hebben bijgedragen van belang is, zodat nadere bewijsvoering over de alternatieve oorzaak wellicht, in een later stadium, noodzakelijk is en dat dit ook relevant kan zijn voor de (eveneens in een later stadium vast te stellen) hoogte van de schade. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft Lionex c.s. voorts in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele nietigheid van de Maleisische pandakte (zie 4.92). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tot slot heeft de rechtbank Lionex c.s. in de gelegenheid gesteld de officiële schriftelijke uitwerking van het vonnis in de Maleisische procedure over te leggen en zich uit te laten over de daaraan te verbinden consequenties.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Lionex c.s. hebben zich na het tussenvonnis niet uitgelaten over de eventuele nietigheid van de Maleisische pandakte als bedoeld in 4.92 van het tussenvonnis. De rechtbank houdt het er daarom voor dat Lionex c.s. haar stellingen ter zake niet langer handhaaft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het Maleisische vonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Lionex c.s. hebben bij akte na tussenvonnis een uitwerking van het Maleisische vonnis in het geding gebracht en zich uitgelaten over de daaraan te verbinden consequenties. [gedaagden] hebben zich eveneens uitgelaten over de aan het Maleisische vonnis te verbinden consequenties. [gedaagden] stellen zich in dat verband op het standpunt dat het door deze rechtbank in het tussenvonnis van 21 september 2016 overwogene met betrekking tot de <emphasis role="italic">conspiracy</emphasis>-elementen <emphasis role="italic">agreement </emphasis>en <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> moet worden herzien.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Zoals is overwogen in het tussenvonnis heeft Lionex [wederpartijen] (hierna ook aangeduid als [wederpartijen] ) en Blue Roots in juli 2013 in rechte betrokken in Maleisië. In die procedure is op 30 september 2016 mondeling vonnis gewezen, welk vonnis  vervolgens schriftelijk is vastgelegd. Dit vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden. De Maleisische rechter heeft geoordeeld dat [wederpartijen] en Blue Roots (in wisselende samenstellingen) aansprakelijk zijn voor de door Lionex geleden schade als gevolg van verscheidene:</para>
      <para>a.<emphasis role="italic"> breaches of confidence,</emphasis></para>
      <para>b.<emphasis role="italic"> breaches of statutory and/or fiduciary duties, </emphasis>en</para>
      <para>c.<emphasis role="italic"> breaches of contract.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de mede aan de vorderingen van Lionex in deze procedure ten grondslag gelegde <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> heeft de Maleisische rechter het volgende overwogen:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Tort of conspiracy</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">61. The Plaintiff (Lionex; opm Rb) is claiming this cause of action for conspiracy against all the Defendants ( [wederpartijen] en Blue Roots; opm Rb).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">62. To establish this cause of action, the Plaintiff has to prove the following elements:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(a) an agreement between two or more persons;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(b) the agreement must be for the purpose of injuring the Plaintiff; and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(c) acts done in the execution of the agreement have resulted in damage to the Plaintiff (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">63. Essentially the Plaintiff submits the Defendants have committed the tort of conspiracy as follows:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"(a) Breaching their duties of confidentiality, fidelity, loyalty and good faith;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(b) Breaching their statutory/fiduciary duties;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(c) The 1st, 3rd, 4th and 5th Defendants breaching the express and /or implied terms of their Letters of Employment;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(d) Misappropriated, abused and divulged the Plaintiff’s Confidential Information and Documents;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(e) Redirected the Shipments to the 6th Defendant; and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(f) Redirected other shipments and converted sales contracts to the 6th Defendant".</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">64. With respect in my judgment this cause of action must fail as I agree with the Defendants' submission that -</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"The Plaintiff has failed to prove the most essential element of the tort of</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">conspiracy, namely the existence of an agreement to conspire. The Plaintiff has totally failed to demonstrate how and when the Defendants have reached an agreement to act in concert to injure the Plaintiff".</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De vraag is welke consequenties deze overwegingen (en overige overwegingen in het Maleisische vonnis) hebben voor de onderhavige zaak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank formeel niet gebonden is aan het Maleisische vonnis. Vaststaat immers dat dit vonnis is gewezen tussen andere partijen dan in de onderhavige zaak en dat tussen Nederland en Maleisië geen relevant verdrag aangaande de erkenning van vonnissen bestaat; er wordt ook geen beroep gedaan op erkenning ex art. 431 Rv. Dat neemt niet weg dat het Maleisische vonnis betrekking heeft op, ten dele, hetzelfde feitencomplex, zodat het in de onderhavige procedure wel reflexwerking zou kunnen hebben. Een van de (subsidiaire) grondslagen van de vorderingen van Lionex in de Maleisische procedure betrof immers een <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> en de Maleisische rechter heeft, zoals hiervoor reeds weergegeven, die vordering beoordeeld naar  Maleisisch recht, het recht dat ook in deze zaak toepasselijk is en, anders dan deze rechtbank, geoordeeld dat van een dergelijke <emphasis role="italic">tort</emphasis> geen sprake is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De verschillen tussen de Maleisische procedure en de onderhavige procedure zijn echter dusdanig groot, dat de rechtbank zich in dit geval ook materieel niet gebonden acht aan het oordeel van de Maleisische rechter dat van een <emphasis role="italic">tort of conspiracy </emphasis>geen sprake is. </para>
        <para>De gedaagden in de Maleisische procedure betreffen (met uitzondering van Blue Roots) volledig andere gedaagden dan in de onderhavige procedure. Daarnaast verschilt het aan de rechter voorgelegde geschil in de Maleisische procedure in belangrijke mate van het geschil in de onderhavige procedure. In de onderhavige procedure wordt aan [gedaagden] (onder meer) verweten dat zij – kort gezegd – hebben samengezworen om zich de onderneming van Lionex toe te eigenen, onder meer door middel van overname van personeel, klanten, leveranciers, voorraden en bedrijfsgeheimen. In de Maleisische procedure werden aan de vorderingen jegens de gedaagden [wederpartijen] en Blue Roots de volgende <emphasis role="italic">causes of action </emphasis>ten grondslag gelegd: <emphasis role="italic">breach of confidence, breach of statutory and/or fiduciary duties, breach of contract, inducement to breach of contract/interference with contractual relations, unlawful interference</emphasis> en tot slot <emphasis role="italic">conspiracy. </emphasis>Blijkens het Maleisische vonnis lag de nadruk op <emphasis role="italic">breach of confidence, breach of statutory and/or fiduciary duties </emphasis>en<emphasis role="italic"> breach of contract</emphasis>. Het ging daar voornamelijk om een vordering van een werkgever tegen zijn ex-werknemers. Dat is een wezenlijk andere context dan in de onderhavige procedure aan de orde is. De verschillende elementen zoals het meenemen van bedrijfsgeheimen en het annuleren en omleiden van zendingen – die ook in de onderhavige procedure een rol spelen – zijn in de context van die grondslagen behandeld en niet in de context van de grondslag <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis>. Daar komt bij dat in de Maleisische procedure (deels) andere stukken beschikbaar waren dan in de onderhavige procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit alles betekent, dat aan het Maleisische vonnis slechts vrije bewijskracht toekomt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Intention to injure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.67 met betrekking tot het voor een <emphasis role="italic">unlawful means conspiracy</emphasis> vereiste <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> overwogen dat voldoende is dat redelijkerwijs te voorzien was dat de samenzwering de eiser zou schaden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat dit laatste onder meer het geval is als het nastreven van winst door de samenzweerder onlosmakelijk verbonden is met het verlies van de eiser (zie OBG Ltd v Allan [2008] 1 AC 1; hierna aangeduid als ‘OBG’). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Na het tussenvonnis is tussen partijen een geschil gerezen over de maatstaf die geldt voor het vereiste <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Lionex c.s. stellen dat uit OBG volgt dat van <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> sprake is als redelijkerwijs te voorzien was dat de samenzwering Lionex zou schaden, hetgeen onder meer het geval is als het nastreven van winst door de samenzweerders onlosmakelijk is verbonden met het verlies van de eiser: <emphasis role="italic">“the reverse side of the coin”</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>
        [gedaagden] stellen dat uit OBG volgt dat pas sprake is van <emphasis role="italic">intention to injure </emphasis>indien zij wisten dat hun handelwijze noodzakelijkerwijs schade zou toebrengen aan Lionex. Het vooruitzicht dat die handelwijze mogelijk of zelfs waarschijnlijk schade toebrengt is onvoldoende. De <emphasis role="italic">intention to injure </emphasis>moet subjectief worden beoordeeld. Het gaat om de gemoedstoestand van [gedaagden]</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
        <para>In § 164 - 167 van OBG is overwogen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Intent to injure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">164. I turn next, and more shortly, to the other key ingredient of this tort: the defendant's intention to harm the claimant. A defendant may intend to harm the claimant's business either as an end in itself or as a means to an end. A defendant may intend to harm the claimant as an end in itself where, for instance, he has a grudge against the claimant. More usually a defendant intentionally inflicts harm on a claimant's business as a means to an end. He inflicts damage as the means whereby to protect or promote his own economic interests.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">165. Intentional harm inflicted against a claimant in either of these circumstances satisfies the mental ingredient of this tort. This is so even if the defendant does not wish to harm the claimant, in the sense that he would prefer that the claimant were not standing in his way.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">166. Lesser states of mind do not suffice. A high degree of blameworthiness is called for, because intention serves as the factor which justifies imposing liability on the defendant for loss caused by a wrong otherwise not actionable by the claimant against the defendant. The defendant's conduct in relation to the loss must be deliberate. In particular, a defendant's foresight that his unlawful conduct may or will probably damage the claimant cannot be equated with intention for this purpose. The defendant must intend to injure the claimant. This intent must be a cause of the defendant's conduct (…). </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">167. (…) Take a case where a defendant seeks to advance his own business by pursuing a course of conduct which he knows will, in the very nature of things, necessarily be injurious to the claimant. In other words, a case where loss to the claimant is the obverse side of the coin from gain to the defendant. The defendant's gain and the claimant's loss are, to the defendant's knowledge, inseparably linked. The defendant cannot obtain the one without bringing about the other. If the defendant goes ahead in such a case in order to obtain the gain he seeks, his state of mind will satisfy the mental ingredient of the unlawful interference tort (…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat in het tussenvonnis deze maatstaf, met de omschrijving dat volstaat dat redelijkerwijs te voorzien was dat de samenzwering de eiser zou schaden, (zie 4.67 van het tussenvonnis), niet juist is weergegeven. Voor zover nodig komt de rechtbank daarop terug. De maatstaf moet aldus worden begrepen dat vastgesteld dient te worden dat Van ‘t Hoff c.s. zich er bewust van waren dat hun handelwijze noodzakelijkerwijs schade zou toebrengen aan Lionex. <emphasis role="italic">]</emphasis></para>
        <para>Het enkele waarschijnlijkheidsbewustzijn van schade is niet voldoende. In <inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" scale="100" fileref="11b53ea6-71d9-4d38-941b-aa7e2b09fce8" depth="48" width="28" format="image/png" /></imageobject></inlinemediaobject> 166 van OBG is immers vermeld <emphasis role="italic">“(…) a defendant's foresight that his unlawful conduct may or will probably damage the claimant cannot be equated with intention for this purpose (…)”.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Voorts is tussen partijen in geschil of – zoals [gedaagden] stellen en Lionex c.s. betwisten – per handeling moet worden beoordeeld 1) of die handeling deel uitmaakt van de <emphasis role="italic">agreement</emphasis>, 2) of die handeling <emphasis role="italic">intends to injure</emphasis> Lionex, en 3) of die handeling Lionex schade berokkent.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.39 reeds geoordeeld dat ten aanzien van de gestelde handelingen van de partijen bij de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> (conform de Maleisische bewijsmaatstaf) moet worden beoordeeld (1) in hoeverre deze acties als bewezen kunnen worden aangenomen, (2) of deze acties als handeling in het kader van de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> zijn uitgevoerd, (3) of de betreffende acties <emphasis role="italic">unlawful</emphasis> zijn en (4) of deze tot (enige) schade hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank moet in het verlengde daarvan beoordeeld worden of de in dit geding gedagvaarde samenzweerders zich er bewust van waren dat hun handelen noodzakelijkerwijs schade zou toebrengen aan Lionex. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Concerted action</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werknemers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van het element <emphasis role="italic">concerted action </emphasis>geoordeeld dat met betrekking tot het overnemen van werknemers (a) de onder 4.42 van het tussenvonnis vermelde handelingen van [wederpartijen] aan de overige partijen bij de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>kunnen worden toegerekend, enerzijds nu zij [wederpartijen] (en anderen) hiertoe hebben bewogen en anderzijds door het actief verlenen van medewerking, zoals door het in dienst nemen van personeel. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat Lionex door het overnemen van personeel (in het bijzonder [wederpartijen] ) is benadeeld, waardoor er in ieder geval sprake zal zijn van enige schade. De rechtbank blijft bij dat oordeel. In aanvulling op het tussenvonnis overweegt de rechtbank dat het evident is dat [gedaagden] zich er van bewust moeten zijn geweest dat de betreffende handelingen Lionex noodzakelijkerwijs zouden schaden, zodat op dit punt is voldaan aan het vereiste van <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis>. Niet in geschil is immers dat [wederpartijen] heel goed was ingevoerd in de internationale houthandel en daar tal van waardevolle contacten had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Met betrekking tot het oordeel in 4.43 van het tussenvonnis hebben [gedaagden] aangevoerd dat de vermeende <emphasis role="italic">tort of inducement to breach of statutory and/or fiduciairy duties </emphasis>niet bestaat, nu dit geen ‘<emphasis role="italic">established tort</emphasis>’ is. Naar het oordeel van de rechtbank kan  bespreking van deze stelling achterwege blijven. De grond ‘door het actief verlenen van medewerking, zoals door het in dienst nemen van personeel’ draagt immers zelfstandig het oordeel dat de onder 4.42 bedoelde handelingen aan de overige partijen bij de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> kunnen worden toegerekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bedrijfsgeheimen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>Met betrekking tot het meenemen en gebruik maken van bedrijfsgeheimen heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat van de onder 4.55 van het tussenvonnis vermelde handelingen niet vaststaat dat deze zijn uitgevoerd in het kader van de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> en dat in elk geval niet meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat de partijen bij de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> daarvan op de hoogte waren en daarmee instemden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <parablock>
        <para>Lionex c.s. stellen dat de Maleisische rechter heeft geconstateerd dat honderdduizenden documenten van Lionex zijn aangetroffen bij [wederpartijen] , [wederpartijen] en Blue Roots, dat deze documenten alle <emphasis role="italic">“confidential”</emphasis> zijn en dat deze vertrouwelijke documenten zijn gebruikt door [wederpartijen] , onder meer bij het omleiden van leveranties en klanten. Dit betrof allerlei soorten vertrouwelijke stukken van Lionex, zoals <emphasis role="italic">business strategies</emphasis>, correspondentie, bankgegevens, voorraadgegevens, ordergegevens, klantgegevens, financiële gegevens, etc. Daarnaast heeft [wederpartijen] na zijn vertrek bij Lionex ‘ingebroken’ in de IT-systemen van Lionex en aanvragen van Lionex’ klanten naar zijn e-mailaccount bij Blue Roots doorgestuurd, teneinde deze klanten vanuit Blue Roots te kunnen beleveren.</para>
        <para>Lionex c.s. stellen dat het om andere informatie gaat dan die waarop het tussenvonnis ziet, zodat sprake is van een nieuw feit. Het Maleisische vonnis legt voor het eerst in deze procedure de werkelijke omvang bloot van de ontvreemde bedrijfsvertrouwelijke informatie van Lionex. Met het onherroepelijke Maleisische vonnis staat volgens Lionex c.s. vast dat [wederpartijen] zich schuldig hebben gemaakt aan <emphasis role="italic">breach of confidence</emphasis>. Iedere schending vormt een zelfstandige <emphasis role="italic">unlawful mean</emphasis> in het kader van de samenzwering in de onderhavige kwestie, waaraan alle samenzweerders deelnamen, aldus steeds Lionex c.s.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>
        [gedaagden] stellen dat zij niet op de hoogte waren van het meenemen van bedrijfsinformatie door [wederpartijen] De betreffende handelingen kunnen dus niet zijn uitgevoerd in het kader van de <emphasis role="italic">agreement</emphasis>. [gedaagde 1] en [gedaagde 4] werden weliswaar geïnformeerd over het overnemen van de drie contracten met Jammes, Shared Wood en Barth, maar zij begrepen dat Lionex deze contracten zelf niet [wederpartijen] nakomen en dat deze, in opdracht van Braakhuis en in Lionex' belang, elders moesten worden ondergebracht. [gedaagden] stellen dat uit hun eerste reacties op de Anton Piller Order in juli 2013 blijkt dat zij verrast waren en mateloos geïrriteerd over het meenemen van bedrijfsinformatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
        <para>
          [gedaagden] hebben op zich niet betwist dat [wederpartijen] <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex hebben meegenomen en gebruikt ten behoeve van Blue Roots. De vraag is echter of de betreffende handelingen zijn uitgevoerd in het kader van de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>en of is voldaan aan de vereiste <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24.</nr>
      <parablock>
        <para>Lionex c.s. stellen dat [gedaagden] "<emphasis role="italic">sufficiently aware</emphasis>" waren van de <emphasis role="italic">"surrounding circumstances" </emphasis>waaronder de <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex werden ingezet in het kader van de agreement. Het doel was immers "de Maleisië</para>
        <para>business" van [wederpartijen] onder te brengen bij Blue Roots. [gedaagden]</para>
        <para>wisten van het feit en accepteerden dan ook dat [wederpartijen] (deelnemer aan de samenzwering), als hoogste baas bij Lionex, "<emphasis role="italic">started to convert (..) ready produced (ex lionex) parcels from</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">lionex suppliers to Blue Roots</emphasis>." Lionex c.s. verwijzen daarbij naar de e-mail van 19 december 2012.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit die e-mail echter niet dat [gedaagden] ervan op de hoogte waren dat [wederpartijen] <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex hadden meegenomen ten behoeve van Blue Roots en dat zij instemden met dat meenemen. Uit die e-mail kan alleen worden opgemaakt dat [wederpartijen] was begonnen met het omzetten van leveringen van Lionex naar Blue Roots.</para>
        <para>In de e-mail van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] van 2 augustus 2013 is eerder een aanwijzing te vinden voor het tegendeel:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vind het vervelend voor het personeel maar moet het knip en klaar zijn dat wij als aandeelhouder cq geldverstrekker iets (kennelijk is bedoeld: niets; opm Rb) te maken hebben met het hacken van computers van Lionex en dat soort zaken. Ons kan ook niet verweten worden dat wij proberen een houthandel op te zetten met mensen uit de business. Dat is gewoon common practice. In hoeverre mensen vrij waren om de gesprekken aan te gaan is in principe niet onze verantwoordelijkheid. Wij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hebben [wederpartijen] binnengehaald om de business op te tuigen. Dat hij tijdens zijn nieuwe dienstbetrekking wederrechtelijke dingen heeft gedaan is hem</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verwijtbaar. Ik denk dat we hen ondanks dat we hem steunen wel pro forma een standje moeten geven om aan te geven dat wij hier absoluut niet achter</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">staan (…)”. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Datzelfde geldt voor de e-mail van [gedaagde 1] aan [gedaagde 4] van 27 augustus 2013, waarin is vermeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) Tevens zal elke rechter zich afvragen waarom wij een vrijwaring tekenen voor    een directeur en personeel die vervolgd worden van hacken, conspiracy en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">achteroverdrukken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie (…)”.</emphasis>
        </para>
        <para>Dit komt overeen met de door [gedaagden] als producties 205 en 207 overgelegde verklaringen van [gedaagde 4] respectievelijk [gedaagde 1] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande en nu Lionex c.s. hun standpunt dat [gedaagden] op de hoogte waren van en instemden met het meenemen van de <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex ten behoeve van Blue Roots overigens niet hebben onderbouwd, acht de rechtbank het niet meer aannemelijk dan onaannemelijk dat [gedaagden] op de hoogte waren van en instemden met meenemen en gebruikmaken van de <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex. Om die reden staat niet vast dat de betreffende handelingen zijn uitgevoerd in het kader van de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>en kan evenmin worden vastgesteld dat op dit punt de vereiste <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> aanwezig was bij [gedaagden] </para>
        <para>Tegen die achtergrond leveren bovendien – anders dan Lionex c.s. stellen – de in het Maleisische vonnis vastgestelde <emphasis role="italic">torts (breaches of confidence)</emphasis> niet tevens <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> op in het kader van de uitvoering van de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>die onderwerp is van de onderhavige procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Klanten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27.</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de post Klanten heeft de rechtbank onder 4.45 van het tussenvonnis overwogen dat (met inachtneming van de betreffende maatstaf) bewezen moet worden geacht dat de intentie bestond klanten over te nemen en dat de daarop gerichte uitvoeringshandelingen vallen binnen de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> en kwalificeren als <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis>. In aanvulling op het tussenvonnis overweegt de rechtbank dat het evident is dat [gedaagden] zich er ook van bewust moeten zijn geweest dat de betreffende handelingen Lionex noodzakelijkerwijs zouden schaden omdat dat ten laste zou gaan van haar omzet, zodat ook op dit punt is voldaan aan het vereiste van <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis>. Het is immers voor de hand liggend dat door Blue Roots gemaakte omzet op overgenomen klanten rechtstreeks ten koste zou gaan van de door Lionex te behalen resultaten.</para>
        <para>De rechtbank heeft Lionex c.s. in de gelegenheid gesteld de hierdoor veroorzaakte schade nader toe te lichten. Dat betrof in het bijzonder de stellingen a) dat er door deelnemers aan de overeenkomsten klanten van Lionex zijn overgenomen, - en zo ja, welke klanten - en (b) dat dit tot (enige) schade voor Lionex heeft geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28.</nr>
      <parablock>
        <para>In aanvulling op hetgeen Lionex c.s. reeds hadden gesteld over het daadwerkelijke verlies van klanten aan Blue Roots, hebben zij nog het volgende gesteld.</para>
        <para>1) Van de 31 klanten van Blue Roots waren 29 afkomstig van Lionex. Detaildata zoals klantcodes zijn één-op-één overgenomen vanuit de Lionex-administratie. De opmaak en tekst die Blue Roots gebruikt(e) voor haar inkoopcontracten is gelijk aan die van Lionex.</para>
        <para>2) [wederpartijen] en [wederpartijen] hebben (gedurende hun dienstverband) actief klanten van Lionex benaderd om bestellingen voortaan bij Blue Roots te plaatsen. Zo heeft [wederpartijen] op 15 januari 2013 [klanten van Lionex] benaderd, een klant die hij eerst vanuit Lionex bediende.</para>
        <para>3) [wederpartijen] hebben diverse verkoopcontracten van Lionex geannuleerd en omgeleid naar Blue Roots:</para>
      </parablock>
      <para>a. a) [wederpartijen] heeft, terwijl hij nog bestuurder was van Lionex, een e-mail van 25 januari 2013 van [klanten van Lionex] , een klant van Lionex, doorgestuurd naar zijn persoonlijke e-mailadres en vervolgens de levering verricht vanuit Blue Roots, De contracten met [klanten van Lionex] als bedoeld in de e-mails van [klanten van Lionex] aan [wederpartijen] en [wederpartijen] van (beide) 25 januari 2013 zijn doorgeleid naar Blue Roots,</para>
      <para>b) [wederpartijen] heeft een e-mail van [persoon 1] aan Lionex van 5 maart 2013 vanuit zijn Lionex e-mailaccount, terwijl [wederpartijen] toen reeds uit dienst was bij Lionex, doorgestuurd aan zijn persoonlijke e-mailaccount. Deze e-mail bevatte bijlagen waarin de orderpositie van Lionex bij [klanten van Lionex] en [klanten van Lionex] werd uiteengezet. Vervolgens is Blue Roots enkele weken later een contract aangegaan met beide bedrijven voor dezelfde producten als uiteengezet in de orderpositie;</para>
      <para>c) Op 18 maart 2013 heeft [wederpartijen] , die toen nog voor Lionex werkte, aan het privé e-mailadres van [wederpartijen] <emphasis role="italic">Purchase Contract Listings </emphasis>en <emphasis role="italic">Bills of Lading </emphasis>van Lionex bij Technowood en Interholco gestuurd. Blue Roots is vervolgens contracten aangegaan met Technowood. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.29.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht het meer aannemelijk dan onaannemelijk dat daadwerkelijk klanten van Lionex zijn ‘doorgeleid’ naar Blue Roots. Lionex c.s. hebben als producties 302-304 onder meer verkoopcontracten van zowel Lionex als Blue Roots met dezelfde klanten overgelegd. Tussen deze verkoopcontracten zijn opmerkelijke parallellen zichtbaar. Uit een vergelijking tussen bijvoorbeeld een verkoopcontract tussen Lionex en Somex N.V. van 9 augustus 2012 en een verkoopcontract tussen Blue Roots en Somex N.V. van 19 juni 2013 volgt dat de opzet en de algemene tekst van deze verkoopcontracten exact hetzelfde zijn. Datzelfde geldt voor het verkoopcontract tussen Lionex en Sabi van 10 oktober 2012 en het verkoopcontract tussen Blue Roots en Sabi van 17 januari 2013. </para>
        <para>Daarnaast is op een verkoopcontract tussen Blue Roots en Omniplex N.V. van 22 januari 2013 vermeld <emphasis role="italic">“It is hereby confirmed that LIONEX (M) SDN. BHD. (seller) has sold (…)”.</emphasis> Op een “<emphasis role="italic">commission note</emphasis>” van Blue Roots met betrekking tot de klant Arduini Legnami S.P.A. is de naam Lionex vermeld als partij namens wie deze “<emphasis role="italic">commission note</emphasis>” moet worden ondertekend.</para>
        <para>Tot slot blijkt uit productie 303 nummer 4637 en 4656, waarvan [gedaagden] niet hebben betwist dat deze stukken betrekking hebben op verkoopcontracten van Blue Roots met PBM Import respectievelijk Rougier Sylvaco, dat in verpakkingsinstructies de naam van Lionex is vermeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.30.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank passen deze parallellen bij de verwachting dat [wederpartijen] in ieder geval een deel van de klanten van Lionex zou meenemen (vgl. 4.45 van het tussenvonnis). Ook blijkt daaruit dat [wederpartijen] voorbeelden van Lionex hebben gebruikt bij het bedienen van klanten vanuit Blue Roots. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet meer aannemelijk dan onaannemelijk dat [gedaagden] ervan op de hoogte waren dat [wederpartijen] de administratie van Lionex gebruikten om de klanten van Lionex te benaderen en te bedienen, laat staan dat [gedaagden] op dit punt <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> hadden. Lionex c.s. hebben geen stukken overgelegd waaruit dat kan worden afgeleid en, zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van het meenemen en gebruiken van <emphasis role="italic">confidential documents </emphasis>van Lionex, is eerder het tegendeel aannemelijk (zie 2.25 en 2.24). Dit laat onverlet dat het doorgeleiden van deze klanten – los van het gebruik van Lionex-formulieren – wel als onderdeel van de <emphasis role="italic">conspiracy </emphasis>geldt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.31.</nr>
      <para>Ten aanzien van het actief benaderen van klanten van Lionex om bestellingen voortaan bij Blue Roots te plaatsen oordeelt de rechtbank als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.32.</nr>
      <para>Voor zover [wederpartijen] klanten heeft benaderd nádat hij uit dienst was getreden bij Lionex, kan niet worden gezegd dat dit <emphasis role="italic">unlawful</emphasis> was. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [wederpartijen] (onder meer) de relaties van klanten van Lionex beheerde. Bovendien is, zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis op het punt van de leveranciers, concurrentie in het algemeen toegestaan (zie 4.49 van het tussenvonnis) en had [wederpartijen] had geen concurrentiebeding. Dat is echter anders indien [wederpartijen] de klanten van Lionex benaderde over zijn vertrek naar Blue Roots en de situatie daarna, terwijl hij nog in dienst was van Lionex. In zijn hoedanigheid van bestuurder bij Lionex moest hij immers het belang van Lionex dienen en moest hij een daarmee eventueel strijdig eigen belang negeren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.33.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat [klanten van Lionex] een klant van Lionex was en dat [wederpartijen] deze klant op 15 januari 2013 per e-mail heeft benaderd ten behoeve van Blue Roots. [wederpartijen] was op dat moment niet meer in dienst bij Lionex. [wederpartijen] was op dat moment nog wel in dienst bij Lionex. Vaststaat dat [wederpartijen]  heeft verzocht de tekst van deze e-mail aan te passen, in die zin dat [wederpartijen] de zin <emphasis role="italic">“Blue Root's business will be similar to what I have done in Lionex”</emphasis> weg zou laten, omdat <emphasis role="italic">“people don't like this and we might get trouble with it”</emphasis>. Gelet daarop acht de rechtbank het meer aannemelijk dan onaannemelijk dat [wederpartijen] tijdens zijn dienstverband in ieder geval enige bemoeienis heeft gehad met het benaderen van klanten van Lionex ten behoeve van Blue Roots.</para>
        <para>Daarnaast kan uit een e-mail van [wederpartijen] aan [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en [wederpartijen] van 3 januari 2013 worden opgemaakt dat [wederpartijen] zich toen al bezig hield met het binnenhalen van orders. In die mail meldt [wederpartijen] immers: <emphasis role="italic">“(…) I have already 3 orders in hand, [wederpartijen] I think 7. We aim for 30 cnts orders by end Jan. (…)”.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.34.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank meer aannemelijk dan onaannemelijk dat [wederpartijen] tijdens zijn dienstverband op enige wijze bezig is geweest met het benaderen van klanten ten behoeve van Blue Roots. Uit bovenvermelde e-mail van 3 januari 2013 blijkt voorts dat in ieder geval [gedaagde 1] en [gedaagde 4] ervan op de hoogte (moeten) zijn geweest dat [wederpartijen] in januari 2013 al 7 orders voor Blue Roots had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.35.</nr>
      <para>Ten aanzien van het annuleren en omleiden van verkoopcontracten van Lionex naar Blue Roots, oordeelt de rechtbank als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verkoopcontracten met [klanten van Lionex]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.36.</nr>
      <parablock>
        <para>Vaststaat dat [wederpartijen] de e-mail van 25 januari 2013 van [klanten van Lionex] naar zijn privé e-mailadres heeft doorgestuurd en dat [klanten van Lionex] een klant van Lionex was. [gedaagden] voeren tot verweer aan dat Lionex het hout niet [wederpartijen] leveren wegens geldgebrek, dat Blue Roots het hout evenmin [wederpartijen] leveren en dat het hout uiteindelijk door een derde partij is geleverd. Lionex c.s. stellen daarop dat de Maleisische rechter heeft vastgesteld dat het uiteindelijk door Blue Roots geleverde product qua specificaties exact overeenkwam met de oorspronkelijke aanvraag van 25 januari 2013. Lionex c.s. hebben echter niet betwist dat, zoals [gedaagden] stellen, het verkoopcontract tot stand is gekomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van [klanten van Lionex] op 30 mei 2013 en dat het niet vreemd is dat die aanvraag dezelfde specificaties had als de aanvraag in januari 2013 omdat <emphasis role="italic">repeat orders </emphasis>voor producten met dezelfde specificaties gebruikelijk zijn.  </para>
        <para>Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet meer aannemelijk dan onaannemelijk dat het in januari 2013 bedoelde verkoopcontract is geannuleerd en doorgeleid naar Blue Roots.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verkoopcontracten met [klanten van Lionex] en [klanten van Lionex]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.37.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat [wederpartijen] een e-mail van [persoon 1] aan Lionex van 5 maart 2013 (met de orderpositie van Lionex bij [klanten van Lionex] en [klanten van Lionex] ) vanuit zijn Lionex e-mailaccount heeft doorgestuurd naar zijn persoonlijke e-mailaccount en dat Blue Roots enkele weken later een contract is aangegaan met beide bedrijven voor dezelfde producten als uiteengezet in de orderpositie.</para>
        <para>Vaststaat dat [wederpartijen] op dat moment echter al niet meer in dienst was bij Lionex. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verkoopcontracten Technowood</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.38.</nr>
      <para>Hetzelfde geldt voor de contracten met Technowood als bedoeld in de e-mail van [wederpartijen] van 18 maart 2013 aan [wederpartijen] . [wederpartijen] was op dat moment nog werkzaam voor Lionex en [wederpartijen] was inmiddels uit dienst.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [klanten van Lionex]
          </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.39.</nr>
      <para>Ten aanzien van het onder 4.47 van het tussenvonnis vermelde bod van [klanten van Lionex] hebben [gedaagden] aangevoerd dat dit een verzoek tot het leveren van een Braziliaanse houtsoort betrof. Lionex had hiervoor een leverancier in Brazilië nodig. [wederpartijen] dacht hierbij aan Ipex en heeft daarom de e-mail aan [gedaagde 4] doorgestuurd. Ipex noch enige andere leverancier [wederpartijen] echter (tegen acceptabele voorwaarden) leveren, zodat de deal niet is doorgegaan, aldus [gedaagden] Lionex c.s. hebben dit niet weersproken, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat Blue Roots [klanten van Lionex] als klant van Lionex heeft ‘gekaapt’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.40.</nr>
      <para>Ten aanzien van andere klanten die door Blue Roots van Lionex zouden zijn overgenomen, hebben Lionex c.s. geen concrete stellingen ingenomen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat er voor het overige geen klanten zijn overgenomen. Aldus is dus alleen ten aanzien van de hiervoor onder 2.29 en 2.33 concreet genoemde klanten [klanten van Lionex] 2.33), vast komen te staan dat zij als onderdeel van de <emphasis role="italic">conspiracy</emphasis> door Blue Roots van Lionex zijn overgenomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">(c) Leveranciers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.41.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is reeds vastgesteld dat de onder 4.49 van dat tussenvonnis bedoelde contracten van Lionex zijn overgegaan op Blue Roots en dat dit overeenkomstig de intentie was die uit de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> blijkt: in het Sinco-memo werd de verwachting uitgesproken dat alle producenten [zouden] <emphasis role="italic">“meegaan in de nieuwe opzet”</emphasis>. Zoals ook overwogen in het tussenvonnis is concurrentie in het algemeen toegestaan en moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden om deze <emphasis role="italic">unlawful</emphasis> te maken. Daarvan kan sprake zijn, met name als het contracten betreft met betrekking waartoe Lionex destijds wel de middelen had om haar verplichtingen daaruit na te komen en daarmee winst te behalen. In het tussenvonnis zijn Lionex c.s. in de gelegenheid gesteld hun stellingen nader toe te lichten en te onderbouwen, in het bijzonder dat (a) er leveranciers en/of voor Lionex bestemde leveranties naar Blue Roots zijn overgegaan terwijl er voor Lionex geen reden was deze door te leiden, en (b) dat dit tot (enige) schade heeft geleid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.42.</nr>
      <parablock>
        <para>Lionex c.s. hebben – kort gezegd – het volgende gesteld:</para>
        <para>1) De deelnemers hebben gebruik gemaakt van de <emphasis role="italic">confidential documents and information</emphasis> om het leveranciersbestand van Lionex te benaderen ten behoeve van Blue Roots en ten nadele van Lionex. Uit de verklaring van [wederpartijen] in de Maleisische procedure blijkt dat vele inkoopcontracten van leveranciers van Lionex en inkoopoverzichten van Lionex zijn aangetroffen bij Blue Roots. Uit een e-mail van [wederpartijen] aan [gedaagde 1] van 18 januari 2013 blijkt dat deze leveranciers door Blue Roots zijn benaderd. Dat blijkt verder uit een e-mail van 19 december 2012 van [wederpartijen] aan [gedaagde 1] , [wederpartijen] en [gedaagde 4] , een e-mail van 9 januari 2013 van [wederpartijen] aan [gedaagde 1] , [gedaagde 4] en [wederpartijen] , een e-mail van 3 januari 2013 van [wederpartijen] aan leverancier AB Timber, een e-mail van 20 februari 2013 van [medewerker IKN] (namens IKN) aan [wederpartijen] , [wederpartijen] , [wederpartijen] en [wederpartijen] en een e-mail van 8 april 2013 van [wederpartijen] aan [gedaagde 1] .</para>
        <para>2) Ten aanzien van de contracten met Jammes, Shared Wood en Barth als bedoeld in 4.49 van het tussenvonnis onder het eerste gedachtestreepje, blijkt uit het Maleisische vonnis dat [persoon 2] geen opdracht heeft gegeven tot annulering maar dat [wederpartijen] die opdracht heeft gegeven en dat [wederpartijen] de betreffende leveringen vervolgens heeft doorgeleid naar Blue Roots. </para>
        <para>3) Het is niet gebruikelijk dat opdrachten waaruit leveringsverplichtingen voortvloeiden waaraan Lionex niet [wederpartijen] voldoen aan een andere onderneming (een concurrent) werden overgedaan. De e-mail van 24 december 2012 als bedoeld in 4.49 van het tussenvonnis onder het tweede gedachtestreepje, is door [wederpartijen] vanaf zijn privé-emailadres verstuurd aan de privé-e-mailadressen van [wederpartijen] en [wederpartijen] . Dit toont aan dat zij de in die mail bedoelde gang van zaken verborgen wilden houden voor Lionex. Bovendien kan het op geen enkele manier in het belang van Lionex zijn dat contracten worden overgeheveld naar een concurrent, ook niet om kosten uit te sparen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.43.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagden] voeren – kort gezegd – aan dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat sprake is van <emphasis role="italic">unlawful </emphasis>concurrentie. Het meenemen en gebruik van Lionex’ bedrijfsinformatie is geen onderdeel van de <emphasis role="italic">agreement.</emphasis> [gedaagden] waren niet op de hoogte van het meenemen van bedrijfsinformatie. </para>
        <para>Blue Roots heeft inderdaad de contracten met Jammes (4.49 tussenvonnis, 1e gedachtestreepje), Shared Wood (4.49 tussenvonnis, 1e en 3e gedachtestreepje), Barth (4.49 tussenvonnis, 1e en 3e gedachtestreepje), AB Timber (4.49 tussenvonnis, 2e gedachtestreepje) en Tropica Bois (4.49 tussenvonnis, 3e gedachtestreepje) van Lionex overgenomen, maar dat hield verband met de betalingsonmacht aan de zijde van Lionex. </para>
        <para>
          [gedaagden] stellen voorts dat Lionex, net als Blue Roots, geen exclusieve relaties met leveranciers, houtbewerkers en hun agenten onderhield/onderhoudt. Leveranciers hebben enkel tot doel zoveel mogelijk hout te verkopen tegen zo hoog mogelijke prijzen. Vrijwel alle ondernemingen in deze branche kopen in bij meerdere producenten en/of houtexporteurs, op basis van eenmalige of kortlopende contracten. Lionex kan ook geen schade hebben geleden, indien een leverancier ‘van’ Lionex ook aan Blue Roots gaat leveren: zolang Lionex de rekeningen blijft betalen, blijft de leverancier hout aan Lionex leveren. Er was geen sprake van schaarste op de markt en ook niet van bijzondere afspraken met leveranciers.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.44.</nr>
      <para>Ten aanzien van het benaderen van het leveranciersbestand door gebruikmaking van de <emphasis role="italic">confidential documents and information</emphasis> van Lionex die bij Blue Roots zijn aangetroffen, geldt ook, zoals hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de elementen ‘bedrijfsgeheimen’ en ‘klanten’, dat niet meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat [gedaagden] op de hoogte waren van en instemden met het meenemen en gebruiken van deze  <emphasis role="italic">confidential documents and information </emphasis>van Lionex ten behoeve van Blue Roots (daargelaten in hoeverre op het punt van de leveranciers daadwerkelijk sprake was van vertrouwelijke stukken en informatie). Aldus kan niet worden vastgesteld dat de in Maleisië vastgestelde <emphasis role="italic">breach of confidence </emphasis>zich heeft voorgedaan in het kader van de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>en dat op dit punt bij [gedaagden] de <emphasis role="italic">intention to injure </emphasis>aanwezig was. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.45.</nr>
      <para>Met betrekking tot de vraag of overigens sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat op het punt van de leveranciers sprake is van <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis>, oordeelt de rechtbank als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.46.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat op de houtmarkt geen ‘<emphasis role="italic">longterm supply agreements’</emphasis> worden gesloten, maar kortlopende contracten. Lionex c.s. hebben niet betwist dat, zoals [gedaagden] stellen, in de houthandel geen exclusieve leveranciersrelaties bestaan. Iedereen (met voldoende geld) kan bij elke producent hout kopen en dat gebeurt ook. Uiteindelijk komt het aan op prijs, voorraad en leveringsbetrouwbaarheid. </para>
        <para>Die aard van de houtmarkt brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de enkele omstandigheid dat Blue Roots leveranciers heeft benaderd waarmee ook Lionex zaken deed, onvoldoende is voor het aannemen van <emphasis role="italic">unlawful</emphasis> concurrentie. Gelet op de aard van de houtmarkt moet er immers van uit worden gegaan dat Lionex bij iedere willekeurige leverancier het door haar gewenste hout [wederpartijen] inkopen. Niet onderbouwd gesteld of gebleken is dat het hier ging om leveranciers die uitzonderlijke houtsoorten leveren of anderszins bijzonder zijn.  </para>
        <para>Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat Lionex voor het door haar bij de leverancier bestelde maar niet geleverde hout ook niet heeft betaald, had het op de weg van Lionex c.s. gelegen concreet te stellen dat zij nadelige gevolgen heeft ondervonden van de omstandigheid dat Blue Roots dezelfde leveranciers benaderde en welke handelingen van [wederpartijen] /Blue Roots dat nadeel hebben veroorzaakt. Dat heeft Lionex c.s. echter niet gedaan. Dat betekent dat er in rechte niet van uit kan worden gegaan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat op het punt van het overnemen van leveranciers sprake is van <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis>. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.47.</nr>
      <para>Nu voor wat betreft het overnemen van leveranciers geen sprake is van <emphasis role="italic">unlawful means,</emphasis> doet de vraag of sprake was van betalingsonmacht aan de zijde van Lionex niet ter zake. Datzelfde geldt voor de vraag of op dit punt sprake is van <emphasis role="italic">intention to injure </emphasis>aan de zijde van [gedaagden] Deze punten behoeven dus geen bespreking meer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tussenconclusie ten aanzien van de tort of conspiracy</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.48.</nr>
      <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen blijft de rechtbank bij haar oordeel dat meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat sprake is van een <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis>. De in het kader van het Maleisische vonnis vermelde <emphasis role="italic">torts</emphasis> leveren in deze procedure geen <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.49.</nr>
      <para>De rechtbank blijft ook bij haar oordeel in het tussenvonnis dat het met betrekking tot het overnemen van werknemers (a) en het schaden van de relatie met de bank (f) meer aannemelijk dan onaannemelijk is dat er gebruik is gemaakt van <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> in het kader van de <emphasis role="italic">agreement. </emphasis>De partijen bij de <emphasis role="italic">agreement</emphasis> moeten bovendien hebben voorzien dat Lionex hierdoor noodzakelijkerwijs geschaad zou (kunnen) worden. Aangenomen kan immers worden dat het vertrouwen van de bank in de kredietwaardigheid van Lionex ernstig zou worden aangetast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.50.</nr>
      <para>Ook voor wat betreft de post bedrijfsgeheimen (e) blijft de rechtbank bij haar oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de betreffende handelingen zijn uitgevoerd in het kader van de <emphasis role="italic">agreement </emphasis>en op dit punt de vereiste <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> aanwezig was bij [gedaagden]  Met betrekking tot de post voorraad (d) en de post verlies van <emphasis role="italic">corporate opportunities</emphasis> (g) blijft de rechtbank bij haar oordeel dat Lionex c.s. onvoldoende gesteld hebben. Deze posten spelen dus in het vervolg van deze procedure geen rol meer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.51.</nr>
      <para>Voor wat betreft de post klanten (b) zijn (met inachtneming van de Maleisische bewijsmaatstaf) thans ook de <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> en de <emphasis role="italic">intention to injure</emphasis> bewezen. Dat geldt niet voor de post leveranciers (c); voor wat betreft deze post kan niet vastgesteld dat sprake is van <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis>, zodat ook deze post in het vervolg van de procedure geen rol meer speelt.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.52.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht onder 1 (zie 3.1 van het tussenvonnis) toewijsbaar is voor zover het Lionex betreft. Ten aanzien van Hofsté geldt dat zij haar vorderingen heeft ingetrokken (zie 3.2 van het tussenvonnis). Voor zover het de vordering van DPW van Stolk betreft, heeft nog geen behoorlijk debat tussen partijen plaatsvonden. In 4.5 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de behandeling van deze vordering, inclusief de vraag welk recht op deze vordering van toepassing is, om proceseconomische redenen is geparkeerd totdat een oordeel is gegeven over de vordering van Lionex op basis van de <emphasis role="italic">tort of conspiracy. </emphasis>De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen dit debat nu te voeren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.53.</nr>
      <para>Nu [gedaagden] aansprakelijk zijn voor de door Lionex geleden schade op grond van <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis>, zullen zij de uit die <emphasis role="italic">tort</emphasis> voortvloeiende schade moeten vergoeden. Anders dan [gedaagden] stellen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de uiteindelijk aan Lionex te vergoeden schade negatief zal uitvallen. Aldus heeft Lionex belang bij een vervolg van deze procedure. De rechtbank acht het daarbij niet noodzakelijk dat de schadevaststelling in de Maleisische procedure wordt afgewacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.54.</nr>
      <para>Ter beoordeling van de hoogte van de schade, zal een nader debat gevoerd moeten worden. Vervolgens zal beoordeeld moeten worden in hoeverre de afzonderlijke gedaagden hoofdelijk moeten veroordeeld tot vergoeding van de schade. Ook op dat punt heeft tot dusver nog geen behoorlijk debat plaatsgevonden. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen het nadere schadedebat, uitgaande van de volgende uitgangspunten, te voeren:</para>
      <para />
      <para>a. a) zoals hiervoor reeds is overwogen zal de hoogte van de schade naar Maleisisch recht moeten worden beoordeeld. Daarbij zal, voor zover mogelijk, de <emphasis role="underline">concreet </emphasis>door Lionex geleden schade moeten worden berekend.</para>
      <para>b) per <emphasis role="italic">unlawful means</emphasis> (werknemers, klanten en bankrelatie) zal een vergelijking gemaakt moeten worden tussen de situatie mèt de <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> en de situatie zonder de <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis>. Daarbij zal de gederfde winst na belasting berekend moeten worden. </para>
      <para>c) voor zover mocht blijken dat er overlapping tussen schadeposten plaatsvindt, zullen de diverse schadeposten slechts eenmaal worden meegenomen in de schadebegroting.</para>
      <para>d) de aan Lionex te vergoeden schade zal worden vastgesteld op het verschil tussen de winst (c.q. het verlies) in de situatie die is ontstaan na de <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> en de winst (c.q. het verlies) in de hypothetische situatie zonder <emphasis role="italic">de tort of conspiracy</emphasis>.  Eventueel verder verlies dient voor rekening van Lionex te blijven omdat dat ook zou zijn ontstaan als de <emphasis role="italic">tort of conspiracy</emphasis> niet was gepleegd.</para>
      <para>Het begroten van de schade aan de hand van deze uitgangspunten moet ertoe leiden dat het effect van de alternatieve schadeoorzaak en de <emphasis role="italic">contributory negligence</emphasis> hierin niet wordt meegenomen, zodat deze kwesties aldus geen bespreking meer behoeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.55.</nr>
      <para>De rechtbank schat in dat zij na het nadere schadedebat hoogstwaarschijnlijk behoefte zal hebben aan voorlichting door één of meer deskundigen, alvorens zij over kan gaan tot begroting van de schade. Om die reden zullen partijen ook in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Partijen dienen een behoorlijk geadstrueerd voorstel te doen over de vraagstelling aan de deskundige(n).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.56.</nr>
      <para>Samenvattend dienen partijen in hun nadere conclusie zich behoorlijk gemotiveerd (en onderbouwd), uit te laten over de vorderingen van DPW van Stolk (inclusief de vraag welk recht op deze vordering van toepassing is) (zie 2.52), de hoogte van de schade, uitgaande van de onder 2.54 geformuleerde uitgangspunten, de vraag in hoeverre de afzonderlijke gedaagden hoofdelijk moeten worden veroordeeld tot vergoeding van de schade (zie 2.54) en over de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen (zie 2.55). Deze conclusies dienen tot deze kwesties beperkt te blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.57.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">13 december 2017</emphasis> voor het nemen van een conclusie door Lionex c.s. over hetgeen is vermeld onder 2.56, waarna [gedaagden] op de rol van zes weken daarna een antwoordconclusie mogen nemen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. P.C. Santema en mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>