<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2017:6743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T11:15:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 17/442</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2017/58.18.15</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2017/2073</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2017/390 met annotatie van R.T. Wiegerink</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2017-2244</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2017090608</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:6743">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:6743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-09-04T08:06:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-09-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2017:6743 Rechtbank Rotterdam , 01-09-2017 / ROT 17/442</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2017:6743:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>: Eiseres heeft (als aannemer) in opdracht van een stichting op erfpachtgrond een horecapaviljoen met terras gerealiseerd en is vervolgens aangeslagen voor precariobelasting. </para>
        <para>Als een gemeente erfpacht heeft verleend aan degene die het voorwerp onder, op of boven gemeentegrond heeft, is zij in privaatrechtelijke zin verplicht om dat voorwerp onder, op of boven gemeentegrond te gedogen en kan er geen precariobelasting meer worden geheven. Deze gedoogplicht geldt in dit geval eveneens ten aanzien van eiseres die voor de bouw van het paviljoen op erfpachtgrond een bouwplaats heeft opgericht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2017:6743:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>Team Bestuursrecht 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 17/442</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]. </emphasis>handelend onder de namen ‘[handelsnaam 1]’ en ‘[handelsnaam 2]’ te [plaats], eiseres,</para>
      <para>gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2], </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. B.J. Klein.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Eiseres is aannemer te [plaats]. Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 31 augustus 2016, voor zover hier van belang met betrekking tot de locatie [adres] te [plaats] (hierna: de bouwplaats) voor het belastingjaar 2015, over de periode van 4 januari 2015 tot en met 10 januari 2015 voor € 220,80 en over de periode van 11 januari 2015 tot en met 25 april 2015 voor € 3.312,- aangeslagen voor precariobelasting voor bouwplaatsen. Verder heeft verweerder eiseres in dezelfde beschikking over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 april 2015 (€ 85,-) aangeslagen voor reclamebelasting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 december 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de precariobelasting ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017. Eiseres is bij gemachtigden  ter zitting verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen. Verder zijn L.A.J. Hegeman, bestuurder van eiseres, en I. Joziasse, taxateur van verweerder, verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat de aanslag reclamebelasting niet in geschil is. Onderwerp van geschil zijn de aanslagen precariobelasting.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft in 2015 in opdracht van [stichting] (de Stichting) een horecapaviljoen met terras gebouwd ([paviljoen]) waarvoor een bouwplaats is ingericht. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder stelt zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat hij het deel van de aanslag dat betrekking heeft op de periode 4 januari 2015 - 10 januari 2015, vernietigt.<?linebreak?>Nu verweerder dit standpunt na instelling van het beroep heeft ingenomen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. </para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf te voorzien en gaat uit van de volgende vaststaande feiten:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">■</emphasis> Op 5 februari 2015 heeft de [persoon 3] een bouwplaatsvergunning verleend aan ‘[handelsnaam 2]’ ter plaatse van ‘[adres]’ te [plaats] voor de periode van maandag 9 februari 2015 tot en met donderdag 30 april 2015. Vóór 9 februari 2015 is er geen bouwplaats en/of bouwactiviteit geweest.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">■</emphasis> Op 16 juli 2015 heeft de gemeente [plaats] (met terugwerkende kracht) in erfpacht aan de Stichting uitgegeven “<emphasis role="italic">de grond gelegen in het [adres] te [plaats] (..) aan de Stichting statutair gevestigd te [plaats], voor een duur van vijfentwintig jaar verminderd met de periode vanaf </emphasis><emphasis role="underline italic">1 februari 2015 tot heden en eindigt op 31 januari 2040</emphasis><emphasis role="italic">.”  </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">■ </emphasis>In artikel 6, eerste lid, van de notariële akte is het volgende bepaald:</para>
    </parablock>
    <para>1. <emphasis role="italic">	1.	erfpachter is verplicht op de Onroerende Zaak:</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">      	 	a.	circa één honderd vijf en dertig vierkante meter (135 m²) bruto vloeroppervlakte 			horecaruimte (een horecapaviljoen); en </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">      		b.	circa twee honderd en acht vierkante meter (208 m²) onbebouwd terras op maaiveld,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">            		te bouwen casu quo aan te leggen overeenkomstig het bij de Gemeente onder  </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">           		dossiernummer OMV.14.02.00465 ingeschreven bouwplan waarvoor op twee juni </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">           		tweeduizend veertien en dossiernummer OMV 14.03.00340/mk ingeschreven </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">          		bouwplan waarvoor op drie juli tweeduizend veertien de omgevingsvergunning is </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">          		verleend.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">■</emphasis> De bouwplaats bevindt zich op erfpachtgrond van de Stichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat in geschil resteert de oplegging van precariobelasting over de periode van 9 februari 2015 tot en met 25 april 2015.</para>
    <para />
    <para>5. Eiseres stelt dat zij ten onrechte is aangeslagen voor precariobelasting over voornoemde periode nu zij in opdracht van de Stichting werkzaam was en deze Stichting niet belastingplichtig was. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder meent dat eiseres gehouden is de belasting te betalen nu zij voldeed aan de voorwaarden voor het heffen van precariobelasting. </para>
    <para />
    <para>7. De stelling van eiseres slaagt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 228 van de Gemeentewet kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een precariobelasting worden geheven. De gemeenteraad van [plaats] heeft op grond daarvan op 6 en 11 maart 2014 de Verordening precario- en reclamebelasting 2015 (de verordening) vastgesteld. Deze bevat de volgende voor de beoordeling van het geschil relevante bepalingen:  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Artikel 1 Begripsomschrijvingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	n.	bouwplaats: geheel van voorwerpen dat zich bevindt op een locatie waar civieltechnische 	werken of bouwwerken tot stand worden gebracht;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	o.	bouwplaatsvergunning: besluit waarbij van gemeentewege aan de belastingplichtige 	vergunning wordt verleend tot het hebben van een bouwplaats op of boven voor de 	openbare dienst bestemde gemeentegrond.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Artikel 2 Belastbare feiten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven ter zake van het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, 	bedoeld of genoemd in deze verordening. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Artikel 3 Belastingplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">	1.	Belastingplichtig voor de precariobelasting is het lichaam dat of de ondernemer die één of 	meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde 	gemeentegrond, dan wel degene ten behoeve van wie één of meer voorwerpen onder, op of 	boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond worden aangetroffen. </emphasis></para>
      <para>2. <emphasis role="italic">	2.	In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning 	heeft verleend voor het hebben van één of meer voorwerpen onder, op of boven voor de 	openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of 	diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij 	niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde 	gemeentegrond heeft.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Kenmerk van de precariobelasting is dat de bevoegdheid tot heffen daarvan pas bestaat wanneer de gemeente bevoegd is om als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond te verbieden en dat de heffingsambtenaar geen precariobelasting kan heffen wanneer de gemeente als eigenaar, dus in privaatrechtelijke zin, verplicht is het hebben van voorwerpen, op of boven gemeentegrond toe te laten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wanneer de gemeente bijvoorbeeld een huurovereenkomst heeft gesloten met of, zoals in dit geval, erfpacht heeft verleend aan degene die het voorwerp onder, op of boven gemeentegrond heeft, is de gemeente in privaatrechtelijke zin verplicht om dat voorwerp onder, op of boven gemeentegrond toe te staan en kan er geen precariobelasting meer worden geheven (zie hiervoor de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:280). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij ten opzichte van de Stichting zonder voorbehoud het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond gedoogt en haar gedurende de periode van erfpacht, geen precariobelasting zal opleggen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu verweerder de gedoogplicht in het kader van de erfpacht, ten aanzien van de Stichting erkent, bevestigt hij daarmee dat de gemeente in privaatrechtelijke zin gehouden is voorwerpen op voornoemd perceel, gelegen op gemeentegrond, te gedogen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>Op grond van artikel 6 van de notariële akte, zoals hiervoor vermeld, heeft de Stichting de verplichting een horecapaviljoen met terras te realiseren.<?linebreak?>Ter uitvoering van de verplichting heeft de Stichting eiseres opdracht gegeven het paviljoen met terras te bouwen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat eiseres ten onrechte is aangeslagen voor precariobelasting over de periode 9 februari 2015 tot en met 25 april 2015. </para>
        <para>De onder 7.3 omschreven gedoogplicht ten aanzien van de Stichting, geldt eveneens ten aanzien van eiseres. Eiseres heeft immers in opdracht van de Stichting uitvoering gegeven aan de door de gemeente aan de Stichting opgelegde verplichting tot de bouw van een horecapaviljoen met terras.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Het beroep is gegrond.</para>
      <para />
      <para>9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
      <para />
      <para>10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de aanslagen precariobelasting;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de aanslag voor zover deze ziet op de aanslagen precariobelasting;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 990,- te betalen aan eiseres. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>E.R. Schook, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>