<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2017:2951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-09T14:30:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 17/1148</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:2951">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:2951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-09T14:29:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2017:2951 Rechtbank Rotterdam , 21-04-2017 / ROT 17/1148</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2017:2951:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek, om verweerder te veroordelen in de proceskosten niet-ontvankelijk. Griffierecht niet binnen gestelde termijn ontvangen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2017:2951:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 17/1148</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2017 als bedoeld in artikel 8:84, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam, te Rotterdam, verzoekster,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. E.J. Paarlberg,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten de gevraagde documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk openbaar te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 februari 2017 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de feitelijke openbaarheid wordt uitgesteld tot twee weken na de beslissing op bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 februari 2017 heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier van de indiener van het verzoekschrift een griffierecht geheven. Op grond van artikel 8:82, derde lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb, is het verzoek niet-ontvankelijk indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    <para />
    <para>2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het systeem van de Awb dat het betalen van het griffierecht een voorwaarde is voor het inhoudelijk behandelen van een verzoek om het verwerende bestuursorgaan na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:75a van de Awb te veroordelen in de kosten van de procedure.</para>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 18 februari 2017 is (de gemachtigde van) verzoekster erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling dat een dergelijk recht verschuldigd is, bijgeschreven moet zijn op de rekening van de rechtbank. Het griffierecht is ontvangen op 14 maart 2017, echter dit is niet binnen de gestelde termijn.</para>
    <para />
    <para>4. Vaststaat dat verzoekster het verschuldigde griffierecht niet binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn heeft voldaan. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet zou moeten worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is geweest, is de voorzieningenrechter niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>5. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat verzoekster in verzuim is.</para>
    <para />
    <para>6. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig. Het betaalde griffierecht wordt op de bankrekening van (de gemachtigde van) verzoekster teruggestort.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek, om verweerder te veroordelen in de proceskosten niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.C. Prins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>