<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2016:5145</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-09T14:00:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 15/2736</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=60a&amp;g=2015-01-01">Wet werk en bijstand 60a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:15&amp;g=2013-01-01">Algemene wet bestuursrecht 7:15</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2016:5145">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2016:5145</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-07T14:20:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2016:5145 Rechtbank Rotterdam , 08-07-2016 / ROT 15/2736</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2016:5145:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder is bevoegd om de toegekende vergoeding van kosten in bezwaar in mindering te brengen op de openstaande vorderingen van de cliënt van eiser, ook al is aan de cliënt een toevoeging voor rechtsbijstand verleend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2016:5145:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 15/2736</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2016 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. S. van Beers,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. L. Danielse.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de bij zijn beslissing op bezwaar van 22 mei 2014 toegekende vergoeding van kosten in bezwaar ten bedrage van € 487,- in mindering gebracht op de openstaande vorderingen op [cliënt] , cliënt van eiser (de cliënt).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens hebben partijen de rechtbank schriftelijk toestemming gegeven om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de behandeling ter zitting achterwege te laten. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft de cliënt bijgestaan in een bezwaarschriftprocedure bij verweerder. Het besluit waartegen dat bezwaar gericht was had betrekking op de intrekking van het recht op een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van de cliënt. Voor deze procedure was aan de cliënt een toevoeging voor rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand verleend.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bij de beslissing op dat bezwaar toegekende kostenvergoeding ten bedrage van € 487,- op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Wwb verrekend met de openstaande vorderingen op de cliënt vanwege teruggevorderde bijstand. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (Pw). Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verrekening ook mogelijk is in het geval een toevoeging is verleend. De kostenvergoeding wordt immers toegekend aan de cliënt en slechts om praktische redenen aan de rechtsbijstandverlener uitbetaald. Eiser kan de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) op grond van artikel 32, vijfde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 verzoeken de volledige toevoegvergoeding aan hem uit te betalen.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en onvoldoende is gemotiveerd. Uit de redactie van het besluit waarbij de proceskosten zijn toegekend komt immers niet expliciet en ondubbelzinnig naar voren dat de kostenvergoeding rechtstreeks aan de cliënt is toegekend, zodat eiser als rechtsbijstandverlener aanspraak heeft op de kostenvergoeding. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser zich voor de vergoeding van de proceskosten tot de RvR moet wenden, omdat verweerder daartoe zelf gehouden is. </para>
    <para />
    <para>4. Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw in werking getreden en is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot de Pw. Op grond van het in artikel 78z, vierde lid, van de Pw opgenomen overgangsrecht dient op deze zaak met toepassing van de Pw te worden beslist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Pw kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de Pw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 7:15, vijfde lid, van de Awb betaalt het bestuursorgaan, indien aan de belanghebbende in verband met het bezwaar een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Beoordeeld dient te worden of verweerder bevoegd was de vergoeding van kosten in bezwaar te verrekenen met de openstaande vorderingen op de cliënt nu aan de cliënt een toevoeging was verleend en de toegekende vergoeding in dat geval aan eiser dient te worden betaald.</para>
    <para />
    <para>6. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 7:15, vijfde lid, van de Awb (TK 2009/10, 32 450, nr. 3 blz. 39) heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 19 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1396) in randnummers 7.3. tot en met 7.3.3. geoordeeld dat met de invoering van artikel 7:15, vijfde lid, van de Awb op 1 januari 2013 de aanspraak van de belanghebbende op de kostenvergoeding niet is gewijzigd. Weliswaar dient bij een toevoeging de kostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener, in dit geval eiser, te worden betaald, maar het is de belanghebbende, in dit geval de cliënt, die aanspraak maakt op de kostenvergoeding. Alleen om praktische redenen wordt de kostenvergoeding wanneer een toevoeging is verleend uitbetaald aan de rechtsbijstandverlener. </para>
    <para>Dit betekent dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Pw de vergoeding van kosten in bezwaar te verrekenen met de openstaande vorderingen op de cliënt vanwege teruggevorderde bijstand. Van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek is dan ook geen sprake. </para>
    <para />
    <para>7. Het bestreden besluit kan in rechte standhouden. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. M.C. Snel-van den Hout, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>