<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2015:9452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-12-18T14:00:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14/8395</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:94&amp;g=2015-12-18">Algemene wet bestuursrecht 4:94</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2015:9452">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2015:9452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-12-18T11:08:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2015:9452 Rechtbank Rotterdam , 18-12-2015 / 14/8395</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2015:9452:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betalingsregeling boete studiefinanciering. Verweerder hanteert als vaste gedragslijn dat voor  opgelegde boetes naar aanleiding van misbruik uitwonendenbeurs geen uitstel van betaling (ook niet in de vorm van een betalingsregeling) wordt verleend. Verweerder heeft in redelijkheid tot deze vaste gedragslijn kunnen komen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat bij incasso rekening gehouden moet worden met de beschikbare middelen van de schuldenaar en dat daarbij de zogenoemde beslagvrije voet in acht moet worden genomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2015:9452:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Bestuursrecht 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 14/8395</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2015 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder zijn besluit van 11 augustus 2014 tot oplegging van een boete van € 1.946,- op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een nadere reactie ingediend, waarop eiser heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De aan eiser opgelegde boete hangt samen met verweerders besluit tot herziening van eisers recht op studiefinanciering. Dit recht is herzien omdat eiser niet woonde op het adres waar hij volgens de basisregistratie personen (brp) zou wonen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij wel op het brp-adres zou hebben gewoond. Hij heeft echter ter zitting ook bevestigd dat hij eerder heeft verklaard dat hij daar niet woonde. Die eerdere verklaring wordt bevestigd door het feit dat tijdens het huisbezoek geen spullen zijn aangetroffen die zijn te herleiden naar eiser. Daarmee heeft verweerder aangetoond dat eiser niet woonde op het brp-adres en was verweerder bevoegd om een boete op te leggen.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser is het daarnaast niet eens met de oplegging van de boete omdat volgens hem een boete van € 1.946,- puur profiteren van de situatie is, nu hij dit bedrag nooit te veel heeft gekregen. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De wet biedt in het geval van eiser de mogelijkheid, naast de mogelijkheid tot omzetting van het te veel betaalde in een schuld, een boete op te leggen. Dit is geregeld in artikel 9.9 van de Wsf 2000. Een boete komt dus boven het bedrag van wat al terugbetaald moet worden. </para>
    <para />
    <para>5. Verder stelt eiser dat hij het bedrag niet in één keer kan betalen. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat eiser met de deurwaarder een betalingsregeling kan treffen.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft in een later stadium nader toegelicht waarom hij zelf niet bereid is om een betalingsregeling te treffen, als een vorm van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft daarbij allereerst gewezen op het belang dat in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Misbruik uitwonendenbeurs is uitgesproken over de harde(re) aanpak van fraude met uitkeringen. Verweerder heeft er vervolgens op gewezen dat artikel 4:94 van de Awb niet verplicht tot het aanbieden van een betalingsregeling, maar daar de mogelijkheid voor biedt. Verweerder acht het in lijn met de bedoeling van de wetgever dat voor de opgelegde boetes naar aanleiding van de geconstateerde fraude geen uitstel van betaling (ook niet in de vorm van een betalingsregeling) wordt verleend. Het verlenen van uitstel zou het afschrikwekkende element van het opleggen van de boete (ongewenst) kunnen matigen. Het gegeven dat eiser stelt niet te kunnen betalen vormt met deze achtergrond voor verweerder dan ook geen aanleiding om uitstel van betaling te verlenen. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de door hem gegeven motivering, in redelijkheid tot deze kennelijk vaste gedragslijn heeft kunnen komen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij incasso rekening gehouden moet worden met de beschikbare middelen van de schuldenaar en dat daarbij de zogenoemde beslagvrije voet in acht moet worden genomen.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheden voor die verweerder aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van zijn vaste gedragslijn. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is daarom ongegrond.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Coenraads, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier 						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>