<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2014:9947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T02:04:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 14-3781</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:9947">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:9947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-03-04T08:59:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2014:9947 Rechtbank Rotterdam , 11-12-2014 / ROT 14-3781</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2014:9947:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In het onderhavige geval maakt eiseres bezwaar met het verzoek de aanslag te verminderen tot de bedragen genoemd in de contrataxaties die eiseres verweerder nog zal laten toekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit een bezwaar is op nader aan te voeren gronden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze zinsnede immers niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er inhoudelijk een geschil is over de in de aanslag genoemde WOZ-waarden aangezien de contrataxaties bijvoorbeeld ook zou kunnen uitkomen op een waarde die gelijk aan of hoger is dan door verweerder is bepaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2014:9947:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para>Team Bestuursrecht 2</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 14/3781</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [a] te Krimpen aan den IJssel, eiseres, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: [b],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigden: mr. P.E.H.A. Ingenhou en P.A. van Halewijn.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van 31 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaken, gelegen aan [c] te Capelle aan den IJssel, per waardepeildatum 1 januari 2013 voor het belastingjaar 2014 vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 17 april 2014, heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak (het bestreden besluit) heeft eiseres beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door [d]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Tegen verweerders primaire besluit heeft eiseres op 5 februari 2014 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft eiseres onder meer het volgende naar voren gebracht:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Namens en ten behoeve van onze voornoemde cliënt maken wij hierbij bezwaar tegen de voornoemde aanslag. Wij verzoeken u de waarde van het voornoemde vastgoed te verminderen tot het bedrag genoemd in de contrataxatie die wij u nog laten toekomen en het te betalen bedrag van de aanslag dienovereenkomstig te verminderen. </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Om de contrataxatie te kunnen opstellen verzoeken wij u een kopie van het door u opgestelde taxatieverslag met betrekking tot de voornoemde aanslag op te sturen naar de door ons ingeschakelde taxateur de heer [d], [e]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Na ontvangst van het taxatieverslag zal de heer [d] of een van zijn werknemers contact met u opnemen en u de contrataxatie doen toekomen. Een volmacht waaruit ons mandaat en dat van de voornoemde taxateur blijkt is bijgevoegd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij verzoeken contact op te nemen met de taxateur voor een hoorgesprek als u overweegt af te wijken van zijn taxatie. U kunt contact opnemen met de taxateur op telefoonnummer[f] of via[g].</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tot slot verzoeken wij u op grond van artikel 7:15 Awb in combinatie met het Besluit Proceskosten Bestuursrecht aan cliënt de kosten te vergoeden die hij heeft moeten maken in verband met de behandeling van deze bezwaarprocedure, de bijbehorende taxatie en een eventueel hoorgesprek.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aarzel niet contact op te nemen als u vragen en/of opmerkingen heeft.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 25 februari 2014 heeft verweerder aan eiseres het volgende medegedeeld: </para>
        <para>“<emphasis role="italic">Uw brief met betrekking tot de kennisgeving zoals die aan …. is verzonden in het</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kader van de Wet waardering onroerende zaken onder nummer …., is door mij in</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">goede orde ontvangen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de Algemene Wet Bestuursrecht worden eisen aan een bezwaarschrift gesteld. In artikel</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">6:5 wordt bepaald dat de gronden van het bezwaar dienen te worden aangegeven. Uw</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bezwaar is niet of onvoldoende gemotiveerd. Om te voorkomen dat u in uw bezwaar niet- ontvankelijk wordt verklaard, stel ik u in de gelegenheid om voor 19 maart 2014 uw</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bezwaarschrift nader te motiveren.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uw brief geeft mij vooralsnog geen aanleiding om uitstel van betaling te verlenen voor de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gerelateerde aanslag(en) onroerende zaakbelastingen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">U dient dus het aanslagbiljetbedrag binnen de op de aanslag aangegeven termijnen te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voldoen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het door u aangevraagde taxatieverslag wordt rechtstreeks toegezonden naar de door uw</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ingeschakelde taxateur de heer [d].</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de taxatieverslagen op of omstreeks 25 februari 2014 heeft ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 13 maart 2014 heeft de gemachtigde van eiseres het volgende aan verweerder verzocht:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Wij hebben ten aanzien van de volgende door u opgelegde aanslagen gemeentelijke heffingen bezwaarschriften ingediend (…)</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Deze bezwaarschriften behoeven nog motivering. Wij verzoeken u om uitstel te verlenen voor de duur van vier weken met betrekking tot de motivering van de bezwaarschriften gericht aan bovengenoemde aanslagen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wij gaan ervan uit dat u aan ons verzoek tegemoet komt. Aarzel niet contact op te nemen als u vragen en/of opmerkingen heeft.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 20 maart 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres het volgende bericht: </para>
        <para>“<emphasis role="italic">In uw brief van 13 maart 2014 verzoekt u om uitstel met betrekking tot motivering</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">proforma bezwaarschriften voor de objecten [h] (…).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In uw brief verzoekt u om uitstel te verlenen voor de duur van 4 weken. Ik zie echter géén</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">reden om aan uw verzoek tegemoet te komen. U hebt mijn inziens ruimschoots de tijd uw</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bezwaarschriften te motiveren.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik geef u nogmaals de gelegenheid om het bezwaar nader te motiveren en verzoek u</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">daarom om uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief, dus uiterlijk op 3 april 2014, het bezwaarschrift te motiveren. Indien het bezwaarschrift niet binnen deze gestelde termijn wordt gemotiveerd, wordt het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hebt u nog vragen, dan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kunt u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde medewerker.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 3 april 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres het volgende bericht:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Naar aanleiding van uw contact, telefonisch en via de mail, met de heer Riemen van 3 april 2014, stuur ik u hierbij de bevestiging om de motiveringstermijn voor onderstaande bezwaren te verlengen. Voor deze bezwaren is in een eerder stadium al een rappel verzonden met een uiterste motiveringsdatum van 3 april 2014.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik verzoek u zodoende uiterlijk op 9 april 2014, tot motivering van de bezwaarschriften over te gaan. De motiveringen moeten dus 10 april 2014 in ons bezit zijn. Indien u de bezwaarschriften intrekt, verzoek ik u dit ook (schriftelijk) kenbaar te maken.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Indien binnen de gestelde termijn geen reactie is ontvangen, worden de bezwaarschriften</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">niet-ontvankelijk verklaard.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">…..</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hebt u nog vragen, dan kunt</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">u contact opnemen met de in het briefhoofd vermelde medewerker.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder wegens het uitblijven van de gronden van bezwaar, het bezwaar van eiseres (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	Eiseres betoogt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betoog faalt. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)  bevat het bezwaarschrift tenminste de gronden van het bezwaar. </para>
        <para>Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>In het onderhavige geval maakt eiseres bezwaar met het verzoek de aanslag te verminderen tot de bedragen genoemd in de contrataxaties die eiseres verweerder nog zal laten toekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit een bezwaar is op nader aan te voeren gronden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit deze zinsnede immers niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat er inhoudelijk een geschil is over de in de aanslag genoemde WOZ-waarden aangezien de contrataxaties bijvoorbeeld ook zou kunnen uitkomen op een waarde die gelijk aan of hoger is dan door verweerder is bepaald. </para>
          <para>Vast staat dat eiseres bekend was met verweerders taxatieverslagen van de objecten. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:86) waarin is geoordeeld dat bij gebreke van de bekendheid met de inhoud van het aan de aanslag ten grondslag liggende taxatieverslag de enkele opmerking van een burger dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld aangemerkt moet worden als grond van het bezwaar, had het in dit geval, waar immers de taxatieverslagen wel bij eiseres bekend waren, op de weg van eiseres en daarmee haar professionele gemachtigde gelegen om voor het einde van de termijn ten minste één inhoudelijke grond tegen de door verweerder vastgestelde waarden aan te voeren of de door eiseres voorgestane lagere waarden expliciet te benoemen. Dat dit niet is gebeurd klemt te meer nu van een professioneel gemachtigde meer kennis mag worden verwacht dan van een zelf procederende burger. Anders dan eiseres blijkbaar meent, had de onderbouwing in eerste instantie niet noodzakelijkerwijs uit een contrataxatie hoeven te bestaan. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>Met verweerder is de rechtbank tevens van oordeel dat de termijn van 31 januari 2014 tot 10 april 2014 niet onredelijk kort kan worden geacht. Dat verweerder de termijn alleen verlengt als sprake is van bijzondere omstandigheden acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat waarde mag worden gehecht aan het maatschappelijk belang om de bezwaarprocedures voor mei in hetzelfde jaar af te handelen. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) eiseres diverse malen in de gelegenheid is gesteld het bezwaar nader te onderbouwen en gewaarschuwd is voor de consequenties wanneer dat niet tijdig zou gebeuren, zonder daar verder gehoor aan te geven. Eiseres heeft geen steekhoudende argumenten aangedragen dan wel bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder er toe hadden moeten brengen eiseres een langere nadere termijn te gunnen. Ook uit de stukken of het verhandelde ter zitting is zulks niet gebleken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het maken van bezwaar voor een groot aantal panden en verschillende cliënten geen bijzondere omstandigheid is. Het onderbouwen van een groot aantal bezwaarschriften valt onder het ondernemersrisico.</para>
          <para>Voorts merkt de rechtbank op dat verweerder met de door hem in de onderhavige zaak gehanteerde termijnen niet afwijkt van de door de Waarderingskamer geadviseerde termijnen. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>3.	Eiseres betoogt dat de bestreden beslissing strijdig is met artikel 7:2 van de Awb nu eiseres in bezwaarfase niet is gehoord door verweerder. Dit betoog faalt. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan voordat het beslist op het bezwaar, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.</para>
        <para>Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.</para>
        <para>Een bezwaar is kennelijk niet ontvankelijk als daarover in redelijkheid geen twijfel over bestaat.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Uit wat hiervoor is overwogen onder 2., volgt dat bij verweerder in redelijkheid geen twijfel hoefde te bestaan over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.	Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. J.B. van den Beld en mr. L.A.C. van Nifterick, leden, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>