<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2014:3825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T23:03:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">448732-3-4 / HA RK 14-304-5-6</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:3825">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2014:3825</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-05-15T14:52:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2014:3825 Rechtbank Rotterdam , 07-05-2014 / 448732-3-4 / HA RK 14-304-5-6</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2014:3825:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen. Wraking op grond van de bejegening door de rechter op de zitting in vorige beroepen, alsmede de wijze van behandeling en afhandeling van die eerdere beroepen. Wrakingskamer kan niet vaststellen dat op eerdere zitting is gebeurd wat verzoeker daarover stelt. Verzoekster zag toen geen aanleiding om te wraken. Eerdere beslissing van de rechter, die in de ogen van verzoekster niet juist is en waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld, is geen omstandigheid die op zichzelf de conclusie kan dragen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2014:3825:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meervoudige kamer voor wrakingszaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak: 7 mei 2014</para>
      <para>Zaaknummers: ROT 13/7097, ROT 14/420, ROT 14/653</para>
      <para>Rekestnummers:  448732/ HA RK 14-304, 448733/ HA RK 14-305 en 448734/ HA RK 14-306 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de meervoudige kamer op  de verzoeken van</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoekster],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van <emphasis role="bold">mr. M.G.L. de Vette</emphasis>, rechter in de rechtbank Rotterdam, sector publiekrecht, team Bestuursrecht 1 (hierna: de rechter). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop en de processtukken</title>
    <para>Naar aanleiding van de vooraankondiging van de datum waarop de beroepen met de hierboven genoemde  zaaknummers behandeld zullen worden (12 juni 2014), heeft verzoekster bij  berichten van 4 april  2014  verzocht dat de rechter van deze zaken wordt afgehaald. De rechtbank heeft deze  berichten opgevat en in behandeling genomen als wrakingsverzoeken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <para>- de procesdossiers in de beroepsprocedures ROT 13/7097, ROT 14/420, ROT 14/653;</para>
    <para>- de uitspraak d.d. 7 november 2013 in de procedures ROT 13/654 en ROT 13/655.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop  de wrakingsverzoeken zouden worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.</para>
      <para>De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren.  De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 10 april 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van 23 april 2014, alwaar de gedane wrakingen  zijn behandeld, zijn verschenen verzoekster en de rechter. Verzoekster heeft aan de hand van een pleitnota haar standpunt nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De verzoeken en het verweer daartegen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.1</emphasis>
      </para>
      <para>Ter adstructie van de wrakingsverzoeken heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :</para>
      <para>Nu de rechter in de zaken ROT 13/654 en ROT 13/655 eerder uitspraak heeft gedaan in een soortgelijke zaak en exact dezelfde rechtsvragen heeft behandeld die in de huidige zaken aan de orde zijn, is de rechter niet onpartijdig. Ook de eerdere bejegening door de rechter op de zitting op 26 augustus 2013 levert de schijn van vooringenomenheid op. De rechter stak haar irritatie en ongeduld niet onder stoelen of banken. Door de bejegening door de rechter en de denigrerende uitlatingen was het duidelijk dat de rechter haar conclusie van te voren had bepaald. Ook heeft de rechter in de vorige zaken het dossier onvolledig bestudeerd en de uitspraak van de voorzieningenrechter (ROT 12/5350 en ROT 13/831) klakkeloos gekopieerd. De rechter heeft geweigerd om op grond van het beroepschrift van verzoekster de waarheid te onderzoeken. De uitspraak van 7 november 2013 was voor verzoekster dan ook geen verrassing. Nu de omstandigheden niet zijn gewijzigd en de rechter de eerdere uitspraken zodanig heeft gemotiveerd ziet de verzoekster geen ruimte hoe de rechter anders tegen de onderhavige zaken zal gaan kijken. De rechter heeft zich bij de behandeling van de vorige zaken laten leiden door vooringenomenheid en partijdigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.2</emphasis>
      </para>
      <para>De rechter heeft niet in de wraking berust.  </para>
      <para>De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.</para>
      <para>De beroepen met zaaknummers ROT 13/654 en ROT 13/655 zijn door de rechter op de zitting van 26 augustus 2013 behandeld en op 7 november 2013 heeft zij in deze zaken uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraken heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, dat thans nog loopt. Het enkele feit dat verzoeksters in deze procedures, anders dan zij wellicht had verwacht, geen gelijk heeft gekregen, maakt niet dat de rechter in de zaken die op 12 juni 2014 behandeld zullen worden niet onbevooroordeeld dan wel niet onpartijdig is.</para>
      <para>De bejegening op de zitting van 26 augustus 2013 en de wijze waarop de uitspraak van </para>
      <para>7 november 2013 tot stand is gekomen  zullen in hoger beroep aan de orde komen.</para>
      <para>De rechter kan zich voorstellen dat de bejegening vervelend is overgekomen, nu zij een zitting op een vrij zakelijke en efficiënte manier leidt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1</para>
      <para>Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2</para>
      <para> Door verzoekster is aangevoerd dat de combinatie van de bejegening door de rechter op de zitting op 26 augustus 2013 alsmede de wijze van behandeling en afhandeling van de vorige beroepen met kenmerken ROT 13/654 en ROT 13/655 maakt dat vrees is ontstaan dat de rechter partijdig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de bejegening door de rechter op de zitting van 26 augustus 2013 overweegt de wrakingskamer dat zij niet kan vaststellen  dat op voornoemde zitting is gebeurd wat verzoekster daarover stelt. Het proces-verbaal van de zitting van 26 augustus 2013 is immers niet overgelegd en daarenboven heeft verzoekster desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat zij in het voornoemd proces-verbaal niet de opmerkingen heeft kunnen terugvinden waaruit zou blijken dat de rechter haar mening al van tevoren had gevormd. De rechter heeft ter zitting van de wrakingskamer tegengesproken dat dit laatste het geval was en dat zij zich laatdunkend of neerbuigend jegens verzoekster heeft uitgelaten.</para>
      <para>Opgemerkt wordt dat verzoekster in het verloop van de zitting van 26 augustus 2013 geen aanleiding heeft gezien om toen een wrakingsverzoek in te dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3</para>
      <para>Dat de rechter na deze behandeling van de beroepen ROT 13/654 en ROT 13/655  op 7 november 2013 een uitspraak heeft gedaan die kennelijk in de ogen van verzoekster niet juist is en waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld, is geen omstandigheid die op zichzelf de conclusie kan  dragen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, of dat door die uitspraak in onderhavige beroepsprocedures de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid jegens verzoekster is gewekt. </para>
      <para>Daarbij wordt opgemerkt dat een in de ogen van verzoekster onjuiste beslissing van de rechter in andere procedures die soortgelijk zijn aan de onderhavige</para>
      <para>procedures op zichzelf geen zwaarwegende aanwijzing  oplevert dat de rechter bij haar beoordeling van de onderhavige procedures niet onpartijdig is. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien de beslissing van de rechter in die andere procedures zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Dat laatste geval doet zich naar het oordeel van de  wrakingskamer hier echter niet voor, nog daargelaten dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat de rechter in de onderhavige procedures zal komen tot een beslissing die overeenkomt met de beslissing in de vorige procedures. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4</para>
      <para>Nu zich ook overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende</para>
      <para>aanwijzingen opleveren voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter, dan wel</para>
      <para>voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoekster, dienen de verzoeken te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verzoeken zijn mitsdien ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af de verzoeken tot wraking van mr. M.G.L. de Vette.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 7 mei 2014 door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechters. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>aan: </para>
    </parablock>
    <para>- J.H. Boorsma</para>
    <para>- mr. M.G.L. de Vette</para>
    <para>- het college van B&amp;W te Maassluis</para>
    <para>- het college van B&amp;W te Hellevoetsluis</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>