<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:21:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BX7322</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-08-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">367566 / HA ZA 10-3457</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2012/313 met annotatie van P.J.M. Ros</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:48:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322 Rechtbank Rotterdam , 15-08-2012 / 367566 / HA ZA 10-3457</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Misbruik van procesrecht. Tweemaal dezelfde vordering aanhangig gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2012:BX7322:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>RECHTBANK ROTTERDAM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 367566 / HA ZA 10-3457</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 15 augustus 2012</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[eiser],</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat voorheen mr. A.P. Fijn van Draat (onttrokken).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	de dagvaarding van 19 november 2010, met producties;</para>
      <para>-	de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;</para>
      <para>-	de conclusie van repliek in conventie en antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	De advocaat van [gedaagde] heeft zich op de rol van 20 juli 2011 onttrokken. Op de rol van 17 augustus 2011 is aan [gedaagde] akte niet dienen verleend ter zake van de op die rol te nemen conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in voorwaardelijke reconventie.</para>
    <para />
    <para>1.3.	Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <para>1.4.	Vandaag wordt tevens vonnis gewezen in de met deze zaak samenhangende hoofdzaak met zaak-/rolnummer 358659 / HA ZA 10-2189 tussen Drechtstede Barendrecht O.G. B.V. te Ridderkerk (hierna: DBOG) als eiseres en [eiser] als gedaagde en in de met deze en die zaak samenhangende zaak met zaak-/rolnummer 362044 / HA ZA 10-2638 tussen dezelfde partijen als in deze zaak namelijk [eiser] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [gedaagde] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De feiten</para>
      <para>2.1.	[eiser] en DBOG hebben over de renovatie van 18 appartementen aan [adres 1] en [adres 2] te Rotterdam op 23 april 2009 een aannemings¬overeenkomst gesloten met [gedaagde]. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 335.000,00 inclusief BTW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	[gedaagde] heeft ter zake van het project ten titel van subsidie een bedrag van € 31.500,00 rechtstreeks van de gemeente Rotterdam ontvangen. Voorts heeft [eiser] betalingen aan [gedaagde] verricht.</para>
    <para />
    <para>2.3.	Door [eiser] zijn voorts buiten de overeenkomen aanneemsom betalingen aan [gedaagde] gedaan. In totaal voor een bedrag van € 141.274,05. [gedaagde] heeft dat bedrag, dat in meerdere tranches door [eiser] aan haar werd betaald, in meerdere tranches doorbetaald aan DBOG. DBOG heeft dat door haar van [gedaagde] ontvangen bedrag weer aan [gedaagde] terugbetaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het geschil</para>
      <para>in conventie</para>
      <para>3.1.	[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van al hetgeen waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens DBOG mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2.	[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd dat de rechtbank [eiser] niet ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.</para>
    <para />
    <para>3.3.	Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in reconventie</para>
      <para>3.4.	[gedaagde] vordert - samengevat - onder de voorwaarden dat [eiser] ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen in conventie en dat - naar de rechtbank begrijpt - die vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen:</para>
      <para>-	[eiser] te veroordelen tot betaling van € 47.124,25 inclusief BTW, althans een geldbedrag dat nog resteert na verrekening in conventie,</para>
      <para>-	te verklaren voor recht dat [gedaagde] aanspraak heeft op een vergoeding van de kosten van het ontvangen en teruggeven van het goed, zoals bedoeld in artikel 6:207 Burgerlijk Wetboek (BW),</para>
      <para>-	[eiser] te veroordelen aan [gedaagde] te voldoen een vergoeding van de kosten als hiervoor bedoeld, op te maken bij staat,</para>
      <para>vermeerderd met rente en kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.5.	[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.</para>
    <para />
    <para>3.6.	Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
    <para />
    <para>4.	De beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in conventie</para>
      <para>4.1.	[eiser] grondt haar vorderingen op onverschuldigde betaling. Zij stelt dat zij een bedrag van </para>
      <para>€ 141.273,05 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald. Daarin is in haar visie de oorsprong gelegen van de vordering van DBOG jegens haar. Indien en voor zover [eiser] in de hoofdzaak zou worden veroordeeld om enig bedrag aan DBOG te betalen, heeft een dergelijke vordering naar het oordeel van [eiser] betrekking op het bedrag van € 141.273,05 zoals dat door DBOG aan [gedaagde] is terugbetaald. [eiser] stelt dat om die reden [gedaagde] [eiser] dient te vrijwaren voor deze aanspraken van DBOG.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.	[gedaagde] voert als primair verweer dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Haars inziens legt [eiser] in deze zaak voor de tweede keer en bovendien vrijwel gelijktijdig met de eerste zaak precies dezelfde rechtsvraag voor aan de rechtbank, te weten of [gedaagde] gehouden is op grond van onverschuldigde betaling een bedrag van </para>
      <para>€ 141.273,05 aan [eiser] terug te betalen. [gedaagde] wijst erop dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] ook maar enig belang heeft bij een herhaling van haar vorderingen in de onderhavige procedure, terwijl [gedaagde] door deze handelwijze van [eiser] nodeloos is betrokken in een voor haar kostbare (tweede) procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3.	Het primaire verweer van [gedaagde] slaagt. Ter zake van de door [eiser] gestelde vordering uit onverschuldigde betaling was reeds een procedure bij deze rechtbank door [eiser] tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt. Ook in die zaak met zaak-/rolnummer 362044 / HA ZA 10-2638 wordt vandaag uitspraak gedaan. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt wat de toegevoegde waarde was van - anders gezegd: wat haar belang was bij - het daarnaast op dezelfde gronden aanhangig maken van deze vrijwaringsprocedure, ook niet nadat [gedaagde] had gesteld dat ieder belang van [eiser] bij deze procedure ontbrak. Aangezien toegevoegde waarde van deze procedure, en daarmee enig rechtens te respecteren belang van [eiser] daarbij, kennelijk ontbreekt, terwijl evident was dat deze vrijwaringsprocedure extra kosten zou veroorzaken voor [gedaagde], die immers in twee procedures in plaats van in één procedure verweer diende te voeren, acht de rechtbank het door [eiser] aanhangig maken van deze procedure tegen [gedaagde] misbruik van procesrecht. Derhalve zal [eiser] niet ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen in deze procedure.</para>
    <para />
    <para>4.4.	[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding (1 punt, tarief V).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in reconventie</para>
      <para>4.5.	De voorwaarde waaronder [gedaagde] de vorderingen in reconventie heeft ingesteld, is niet vervuld. Aan behandeling van de vorderingen in reconventie komt de rechtbank derhalve niet toe, hetgeen voor [eiser] was te voorzien. Voor een proceskostenveroordeling in reconventie bestaat geen grond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in conventie</para>
      <para>5.1.	verklaart [eiser] niet ontvankelijk in haar vorderingen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.2.	veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 1.421,00 aan salaris voor de advocaat,</para>
    <para />
    <para>5.3.	verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in reconventie</para>
      <para>5.4.	verstaat dat de voorwaarden waaronder de vorderingen zijn ingesteld niet zijn vervuld, zodat de rechtbank niet aan behandeling van die vorderingen toekomt.</para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.</para>
      <para>[1729/801]</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>