<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T11:14:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BT5834</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-09-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">252529 / HA ZA 05-3638</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:53:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834 Rechtbank Rotterdam , 07-09-2011 / 252529 / HA ZA 05-3638</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Letselschade. Kennelijke verschrijving in voorafgaand tussenvonnis? Art. 31 Rv. Geen fout, geen herstel kennelijke fout, toelichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2011:BT5834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>RECHTBANK ROTTERDAM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 252529 / HA ZA 05-3638</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 7 september 2011</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. R.P.L.H. Burger,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,</para>
      <para>gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. E.J. Eijsberg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en Allianz genoemd worden.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	het tussenvonnis van 10 augustus 2011;</para>
      <para>-	de brief van 11 augustus 2011 van mr. Meelker (Allianz);</para>
      <para>-	de brief van 15 augustus 2011 van mr. Drosten ([eiseres]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De verdere beoordeling</para>
      <para>2.1.	Allianz wijst erop dat haars inziens in overweging 2.16 van voornoemd tussenvonnis een kennelijke verschrijving is geslopen. De betreffende passage luidt als volgt:</para>
      <para>"Nadat [persoon 1] in augustus 2007 had gerapporteerd - en mogelijk (veel) eerder - mocht in de visie van de rechtbank evenwel van [eiseres] aanzienlijk meer inzet worden verwacht bij het verwerven van betaalde arbeid. Vanaf juli 2009 bestaat er naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval geen grond meer om nog optredende schade als gevolg van niet (fulltime) werken van [eiseres] aan Allianz toe te rekenen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	Allianz meent dat waar is vermeld vanaf juli 2009 beoogd werd 2007. Allianz verbindt hieraan een verzoek als bedoeld in artikel 31 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) (verzoek tot verbetering van een kennelijke fout).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.	[eiseres] deelt mede dat het gestelde in de brief van Allianz haar juist lijkt.</para>
      <para>2.4.	Van een verschrijving van de zijde van de rechtbank is geen sprake. Kennelijk is wel een nadere toelichting wenselijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.5.	De rechtbank heeft geoordeeld dat in ieder geval vanaf augustus 2007, maar mogelijk al vanaf een veel eerder moment, van [eiseres] aanzienlijk meer inzet mocht worden verwacht, gericht op het verwerven van betaalde arbeid. Echter de mogelijkheid bestaat dat [eiseres] ondanks haar volledige daarop gerichte inzet toch niet op zeer korte termijn een fulltime baan zou hebben kunnen verwerven, dan wel geen baan waarmee zij reeds op relatief korte termijn een inkomen van vergelijkbare omvang zou hebben kunnen verwerven als in de hypothetische situatie waarin het ongeval wordt weggedacht (een situatie waarin mogelijk ook een wijziging van baan, maar niet noodzakelijkerwijs een breuk in het arbeidsverleden van [eiseres] zou zijn opgetreden). Denkbaar is derhalve dat er nog immer sprake was van enige schade na het moment waarop [eiseres] zich behoorde te gaan inspannen om wederom een fulltime baan te verwerven, mogelijk zelfs over een relatief ruime periode. Of dat het geval zou zijn geweest, kan de rechtbank op basis van de thans beschikbare informatie niet vaststellen, voor zover iets dergelijks uiteraard ooit vastgesteld kan worden; het betreft hier immers hypothetische situaties. De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast, onder meer om nader te kunnen worden geïnformeerd over in dit kader relevante omstandigheden en over de visies van partijen daarop opdat er een betere basis zal bestaan voor begroting van de schade. In dit kader heeft de rechtbank partijen verzocht de in het tussenvonnis onder 2.18 en 2.19 gespecificeerde stukken in het geding te brengen en om zich uit te laten over hun visie op een en ander. Om het door partijen met elkaar te voeren overleg gericht op het eventueel bereiken van een regeling in der minne zoveel mogelijk te faciliteren, is de rechtbank voor zover mogelijk reeds ingegaan op haar voorlopige globale visie op de bij het begroten van de schade mogelijk te hanteren uitgangspunten. In dat kader heeft de rechtbank aangegeven dat er in ieder geval vanaf juli 2009 geen grond meer bestaat om nog optredende schade als gevolg van niet (fulltime) werken van [eiseres] aan Allianz toe te rekenen. Die overweging laat onverlet dat de rechtbank mogelijk bij eindvonnis - mocht het noodzakelijk zijn dat in deze zaak te wijzen - tot de conclusie zal komen dat daarvoor al vanaf een (veel) eerder moment geen grond meer bestond.</para>
    <para />
    <para>2.6.	Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het door Allianz aan de rechtbank gerichte verzoek ex artikel 31 lid 1 Rv wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.7.	Voor het vervolg van deze procedure verwijst de rechtbank naar hetgeen in het tussenvonnis van 10 augustus 2011 is overwogen.</para>
    <para />
    <para>2.8.	De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De beslissing</para>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1.	wijst het verzoek van Allianz ex artikel 31 lid 1 Rv af,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.	houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.?</para>
      <para>1729/2148</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>