<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO1011</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">363240 / KG ZA 10-956 en 363233 F2 RK 10-2066</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011 Rechtbank Rotterdam , 27-09-2010 / 363240 / KG ZA 10-956 en 363233 F2 RK 10-2066</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huisverbod, beroep ongegrond. Geen aanleiding voor voorlopige voorziening ex art. 8:81, eerste lid van de Awb. Wel aanleiding voor het ambtshalve treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2010:BO1011:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK ROTTERDAM</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sector civiel recht</para>
      <para>Voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reg.nrs.: 	V363240 / KG ZA 10-956</para>
      <para>	363233 F2 RK 10-2066 (Hoofdzaak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Proces-verbaal mondelinge uitspraak</para>
    <para />
    <para>gedaan op 27 september 2010</para>
    <para />
    <para>naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens mondelinge uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in het geding tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoeker], verzoeker, tevens verzoeker (hierna: verzoeker),</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gemachtigde mr.ir. H.H. Veurtjes, advocaat te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde mr. M. van Andel,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in welke zaken belanghebbenden zijn:</para>
      <para>[echtgenote], echtgenote,</para>
      <para>[dochter], (meerderjarige) dochter van verzoeker,</para>
      <para>[zoon1] en [zoon 2], (minderjarige) zonen van partijen</para>
      <para>allen wonende te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 27 september 2010 heeft de voorzieningenrechter on¬mid¬del¬lijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De voorzieningenrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond,</para>
    <para />
    <para>wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb af,</para>
    <para />
    <para>treft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, in die zin dat verzoeker op 28 september 2010 in het ziekenhuis aanwezig mag zijn bij het onderzoek van zijn zoon.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gronden</para>
      <para>Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er voldoende aanwijzingen dat er een ernstig incident heeft plaatsgevonden. Zo heeft het ambulancepersoneel de echtgenote op de grond aangetroffen met een grote bloeduitstorting in haar hals. Volgens de ambulance-broeder moet er erg hard geknepen zijn om deze verwonding toe te brengen. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat er bij het incident kleine kinderen aanwezig waren, de meerderjarige dochter van verzoeker heeft verklaard dat de man de vrouw bij de keel heeft gegrepen en het gegeven dat de echtgenote aangifte heeft gedaan waarin zij dit eveneens heeft verklaard.</para>
    <para />
    <para>Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot de verlenging van de tijdelijke uithuisplaatsing van verzoeker. Gelet op de relationele spanningen, de aanwezigheid van kleine kinderen, het ontbreken van een verblijfsvergunning voor de echtgenote en de aanwezige schulden is de dreiging voor huiselijk geweld nog steeds aanwezig.</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter acht het van belang dat de gesprekken waarvoor reeds afspraken zijn gemaakt, zoals de afspraak van verzoeker met De Waag en het gesprek van de echtgenote bij vrouwenopvang Arosa, doorgaan en het gesprek met verzoeker en zijn echtgenote bij de GGD zal plaatsvinden. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om thans het tijdelijk huisverbod op te heffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verzoeker wordt toegestaan in het ziekenhuis aanwezig te zijn bij het onderzoek dat zijn zoon dient te ondergaan op </para>
      <para>28 september 2010. De voorzieningenrechter acht dit van belang in verband met mogelijke taal- en verzekeringsproblemen van de echtgenote. Voorts is ter zitting gebleken dat de hulpverlening zich zal richten op de relationele problemen tussen partijen en kan dit een goede gelegenheid zijn voor verzoeker en zijn echtgenote om weer met elkaar in gesprek te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. </para>
      <para>Aldus gedaan door mr.  M.J. van den Broek-Prins, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en J. van Mazijk, griffier, ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier:	De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak - hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>