<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T07:48:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3685</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">DIVERS 97/2215-DLD</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;g=1999-09-27">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/275 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685 Rechtbank Rotterdam , 27-09-1999 / DIVERS 97/2215-DLD</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3685:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>449 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    <para />
    <para>Reg.nr.: DIVERS 97/2215-DLD</para>
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <para />
    <para>In het geding tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Verkeer en Waterstaat, </para>
      <para>de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, eiser</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>dijkgraaf en heemraden van het waterschap Goeree-Overflakkee, verweerders.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het geding heeft als derde-partij deelgenomen A te </para>
      <para>B, gemachtigde: mr J.C.G. Franken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 juni 1996 heeft eiser bij verweerders een vergunning aangevraagd, </para>
      <para>waarbij ontheffing verleend zou worden van het bepaalde in artikel 49 van de Keur </para>
      <para>voor het waterschap Goeree-Overflakkee (hierna: de keur).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 september 1996, verzonden op 26 september 1996 (hierna: het </para>
      <para>primaire besluit), hebben verweerders aan de Staat der Nederlanden onder </para>
      <para>voorwaarden de gevraagde vergunning verleend.</para>
      <para>De vergunning strekt tot het uitvoeren van ont-gravingen in het voorland langs de </para>
      <para>Dijk van de Westplaat Buitengronden, (primaire waterkering), het verleggen en </para>
      <para>plaatselijk verlagen van de vooroeververdediging ter plaatse en het hebben en </para>
      <para>onderhouden van deze werken in het westelijk deel van de </para>
      <para>Westplaat-buitengronden in/op de percelen kadastraal bekend als gemeente </para>
      <para>Dirksland, sectie D, nr. 195 en gemeente Sommelsdijk, sectie A, nrs. 677, 678, </para>
      <para>821, 822, 661, 752, 758, 759, 762, 763, 753, 754, 764 en 765. Doel van een en </para>
      <para>ander is het westelijk deel van de Westplaat Buitengronden in te richten als </para>
      <para>natuurgebied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft onder anderen A te B, eigenaar </para>
      <para>van binnendijks in de directe nabijheid van de Westplaat gelegen landbouwgronden </para>
      <para>(hierna: A), bij brief van 6 november 1996, ingekomen bij verweerders </para>
      <para>op 6 november 1996, bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 februari 1997, verzonden op 3 april 1997, hebben verweerders </para>
      <para>het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen. De verleende </para>
      <para>vergunning van 16 september 1996 werd ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 14 mei 1997 </para>
      <para>(ingekomen bij de rechtbank op 15 mei 1997) beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van eveneens 14 mei 1997 is namens eiser de president van de rechtbank </para>
      <para>verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
      <para>De president heeft bij uitspraak van 4 juni 1997 het verzoek om een voorlopige </para>
      <para>voorziening wegens het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerders hebben bij brief van 14 juli 1997 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 1999. Eiser heeft </para>
      <para>zich laten vertegenwoordigen door mr C.M. van Hoorn en ing. W. Snijders. </para>
      <para>Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door ing. D.C. Goekoop en mr </para>
      <para>J.B. van Gerdingen. De derde-partij is zonder bericht niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte in stand kan </para>
      <para>blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 49 van de keur is het betreffende het voorland langs de </para>
      <para>hoofdwaterke-ring verboden:</para>
      <para>a) hierin te graven, te doen graven of ingravingen te hebben, behoudens </para>
      <para>uitvoering van normale land- en tuinbouwwerkzaamheden;</para>
      <para>b)	deze op te hogen, te doen ophogen, ophogingen te wijzigen of te hebben;</para>
      <para>c)	buisleidingen, kabels en dergelijke hierin of hierop te leggen, deze te </para>
      <para>verleggen, te herstellen, te vernieuwen, te verwijderen of te hebben;</para>
      <para>d)	de afmeting van buitendijkse watergangen te wijzigen;</para>
      <para>e) de afvoer van water door deze watergangen te belemmeren of te </para>
      <para>stremmen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 50 van de keur is bepaald dat het betreffende de oevervoorzieningen langs </para>
      <para>het voorland is verboden:</para>
      <para>a) werken uit te voeren of te doen uitvoeren, welke wijziging brengen in de </para>
      <para>ligging, de afmetingen of de samenstelling hiervan;</para>
      <para>b)	hierin te graven, te doen graven of ingravingen te hebben;</para>
      <para>c)	deze op enigerlei wijze te beschadigen of te doen beschadi-gen;</para>
      <para>d) palen, steigers en andere constructies of werken hierop of hierin te maken, </para>
      <para>te plaatsen, te leggen, aan te brengen, te veranderen, te herstellen, te vernieuwen, </para>
      <para>te verwijderen of te hebben;</para>
      <para>e) buisleidingen, tanks, drukvaten, kabels en dergelijke, hierin, hierop of </para>
      <para>hierboven aan te brengen, te leggen, te plaatsen, te maken, te verleggen, te </para>
      <para>herstellen, te wijzigen, te vernieuwen, te verwijderen of te hebben;</para>
      <para>f) vaartuigen, vlotten of andere drijvende of zware voorwerpen hieraan vast te </para>
      <para>leggen, middels ankers, dreggen of anderszins te bevestigen of te hebben, dan wel </para>
      <para>hierop of hierover te vervoeren, te verslepen, te plaatsen of te hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 112, eerste lid, van de keur kan het bestuur bij schriftelijke </para>
      <para>vergunning van de bepalingen van deze keur ontheffing verlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet in geschil is, dat er geen waterstaatkundige bezwaren bestaan tegen de </para>
      <para>vergunningverlening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vergunning is bij het bestreden besluit (alsnog) geweigerd uitsluitend op grond </para>
      <para>van de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"	De landbouwgronden van A liggen binnendijks langs </para>
      <para>de hoofdwaterkering ter hoogte van het onderhavige gebied.</para>
      <para>	A stelt belang bij het onderwerpelijke besluit te hebben, aangezien hij ten gevolge van de uit-voering van dit besluit schade zal lijden </para>
      <para>door - kort samengevat - het over de dijk waaien van in de toekomst mogelijk zout </para>
      <para>water, alsmede het ook binnendijks gaan fourageren van ganzen en smienten.</para>
      <para>	Nu met het uitvoeren van de werken beoogd wordt een fourageergebied in </para>
      <para>te richten voor ganzen (en andere vogels) en gelet op de uitstraling daarvan op </para>
      <para>binnendijks aan de hoofdwaterkering gelegen gronden, zoals die zich ook voordoet </para>
      <para>bij het Hooge en Geere Gors bij Den Bommel, komt de gestelde schade als gevolg </para>
      <para>van de uitvoering van de werken ons niet onjuist voor.</para>
      <para>	Ons is niet gebleken dat door het verbinden van aanvullende voorschriften </para>
      <para>aan de vergunning de schade is te voorkomen of te beperken tot het risico, dat een </para>
      <para>ieder in het maatschappelijk verkeer heeft te aanvaarden, noch dat </para>
      <para>vergunninghouder compensatie voor de te lijden schade heeft aangeboden.</para>
      <para>	Het bestreden besluit heroverwegende komen wij tot de conclusie dat de </para>
      <para>concrete particuliere belangen van A op grond van de thans bij </para>
      <para>ons bekende feiten en omstandigheden dienen te prevaleren boven de belangen </para>
      <para>van de Staat, zodat het bestreden besluit herroepen en de gevraagde vergunning </para>
      <para>alsnog geweigerd moet worden."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de stukken en hetgeen dienaangaande ter zitting verklaard is, stelt de </para>
      <para>rechtbank vast, dat het argument van A aangaande het over de dijk </para>
      <para>waaien van in de toekomst mogelijk zout water door verweerders niet gehonoreerd </para>
      <para>is. Dat komt de rechtbank juist voor nu zulks afhankelijk zou zijn van nader te </para>
      <para>nemen beslissingen over het spuiregime van de Haringvlietsluizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het komt er dus op neer, dat de gevraagde vergunning geweigerd is, omdat </para>
      <para>verweerders van mening zijn, dat A terecht vreest, dat binnendijks </para>
      <para>fouragerende ganzen en smienten de opbrengst van zijn land negatief zouden </para>
      <para>kunnen beïnvloeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft allereerst aangevoerd, dat verweerders op zodanige grond de </para>
      <para>vergunning niet kunnen weigeren, omdat - kort gezegd - het speciali-teitsbeginsel </para>
      <para>verbiedt een vergunning op grond van de keur vanwege andere dan </para>
      <para>water-staatkundige belangen te weigeren. </para>
      <para>Als wel met zulke belangen rekening gehouden mag worden, dan stelt eiser zich op </para>
      <para>het standpunt, dat verweerders de over en weer af te wegen belangen onvoldoende </para>
      <para>precies hebben vastgesteld.</para>
      <para>Tenslotte voert eiser aan, dat zelfs als er van uitgegaan moet worden dat A in </para>
      <para>onevenredige mate schade zou lijden, A een beroep kan doen op het </para>
      <para>Wildschadefonds of op de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat, zodat er </para>
      <para>dan nog geen reden zou zijn de vergunning te weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerders hebben zich voor hun zienswijze beroepen op de uitspraak van de </para>
      <para>Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 mei 1995 (Telefooncel </para>
      <para>Buttervliet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daar weer andere uitspraken van de Afdeling tegenovergesteld, </para>
      <para>waaronder die van 12 maart 1999, AB 1999, 213.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aansluitend bij onder andere de door verweerders aangehaalde uitspraak van 12 </para>
      <para>maart 1999 en die van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 </para>
      <para>oktober 1998 (AB 1999, 307) stelt de rechtbank vast, dat - wat er in het algemeen </para>
      <para>van het specialiteitsbeginsel ook zij - in het hier aan de orde zijnde geval A</para>
      <para>eventuele schade het gevolg zou zijn van de beslissing om het westelijk </para>
      <para>deel van de Westplaat Buitengronden te bestemmen tot en in te richten als </para>
      <para>beschermd natuurgebied. Genoemde beslissing is de uitkomst van een of meer </para>
      <para>publiekrechtelijke besluitvormingskaders, waarin de belangen van (personen in de </para>
      <para>situatie van) A tegen natuurontwikkelingsbelangen konden worden </para>
      <para>afgewogen.</para>
      <para>In elk geval heeft een dergelijke belangenafweging met name bij de vaststel-ling van </para>
      <para>de bestemmingsplannen buitengebied van respectievelijk de gemeentes </para>
      <para>Middelharnis en Dirksland uitdrukkelijk aan de orde kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop lag het niet op de weg van verweerders om bij de aan hen </para>
      <para>opgedragen besluitvorming inzake vergunningverlening op grond van de keur voor </para>
      <para>werkzaamheden ter verwezenlijking van de in vorenbedoelde publiekrechtelijke </para>
      <para>besluitvormingskaders vastgestelde toekomstige ontwikkeling opnieuw en ten </para>
      <para>gronde te beoordelen of bij de keuze om de Westplaat Buitengronden zich te laten </para>
      <para>ontwikkelen tot natuurgebied wel ten volle recht gedaan is aan de belangen van A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zeker lag het ook niet op de weg van verweerders als bestuursorgaan om aan de </para>
      <para>hand van een enkele particuliere ervaring van een der bestuurders te oordelen, dat </para>
      <para>de publiekrechtelijke schadevergoe-dingsregelingen, waarop A een </para>
      <para>beroep kan doen, de benadeelde achteraf nooit voldoende tegemoetkomen en dat </para>
      <para>daarom A vooraf, voordat de werkzaamheden in uitvoering genomen </para>
      <para>worden ervan verzekerd zou moeten zijn, dat hem wel in genoegzame mate de </para>
      <para>optredende schade vergoed zou worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit </para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu vaststaat, dat waterstaatkundige belangen zich tegen de vergunningverlening </para>
      <para>niet verzetten en verweerders de door A aangevoerde argumenten in </para>
      <para>deze procedure niet konden honoreren, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien </para>
      <para>door A bezwaar ongegrond te verklaren. De keuze daarvoor is mede </para>
      <para>gebaseerd op de overweging, dat ter zitting verklaard is dat A inmiddels </para>
      <para>de bewuste landbouwgronden verkocht heeft.</para>
      <para>Gelet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 16 </para>
      <para>september 1996 is de daarbij aan de Staat verleende vergunning derhalve nu weer </para>
      <para>van kracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt tenslotte vast, dat niet gebleken is van aan de zijde van de Staat </para>
      <para>of A gevallen proceskosten, zodat voor een beslissing om verweerder </para>
      <para>daarin te veroordelen reeds daarom geen plaats is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Wel dient verweerder eiser het griffierecht te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond,</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt, dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in </para>
      <para>dit geval inhoudt, dat het bezwaarschrift van A 6 november 1996 </para>
      <para>ongegrond wordt verklaard,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt, dat het Waterschap Goeree-Overflakkee aan eiser het betaalde griffierecht </para>
      <para>ad f 420,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs E.I. van den </para>
      <para>Bos - Boomsma en R. Kruisdijk als leden.</para>
      <para>De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A.J.J. van der Vlist als griffier, </para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De griffier: De voorzitter:</para>
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en </para>
      <para>verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling </para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-</para>
      <para>Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes </para>
      <para>weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze </para>
      <para>uitspraak is verzonden.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>