<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-07T13:27:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:1999:ZF3890</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3682</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">APV 97/3969</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682 Rechtbank Rotterdam , 22-09-1999 / APV 97/3969</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3682:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>446/ ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    <para />
    <para>Reg. nr.: APV 97/3969-SCR</para>
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <para>als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>op het verzet van</para>
    <para />
    <para>A wonende te B, opposant,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 maart 1998 in het geding tussen </para>
      <para>opposant en het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente </para>
      <para>Maassluis over zijn besluit van 24 september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 september 1997 heeft het hiervoor genoemde college (hierna: </para>
      <para>verweerder) opposant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit </para>
      <para>van 15 juli 1997 waarbij vergunning is verleend voor het kappen van bomen aan </para>
      <para>het […]plantsoen  te B ten behoeve van de bouw van een rouwcentrum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft bij brief van 23 oktober 1997 tegen dit besluit (hierna: het </para>
      <para>bestreden besluit) beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 16 maart 1998 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van </para>
      <para>de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep niet-ontvankelijk </para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak bij brief van 24 maart 1998 verzet gedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is behandeld ter zitting van 20 augustus 1999. Opposant was </para>
      <para>aanwezig. Namens verweerder is mr. P.H. Harent verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de </para>
      <para>uitspraak van 16 maart 1998 het beroep van opposant terecht met toepassing van </para>
      <para>artikel 8:54 van de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel </para>
      <para>kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit oordeel was gebaseerd </para>
      <para>op de overweging dat verweerder de kapvergunning inmiddels heeft </para>
      <para>geëffec-tueerd en de bomen inmiddels heeft gekapt. Opposant kan daarom niet </para>
      <para>meer als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij nog </para>
      <para>opgemerkt dat niets eiser in de weg stond ter voorkoming van het kappen van de </para>
      <para>onderhavige bomen een voorlopige voorziening te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat ter zitting is gebleken dat de kapvergun-ning nog niet </para>
      <para>geheel is uitgevoerd. Van de tien bomen, waarop de kapvergunning betrekking </para>
      <para>heeft, zijn er negen gekapt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zoverre berust het oordeel van de rechtbank niet op een geheel juiste feitelijke </para>
      <para>grondslag. Hieraan doet niet af dat namens verweerder ter zitting is verklaard dat </para>
      <para>het thans niet meer de bedoeling is de kapvergunning verder te effectueren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook overigens kan in zijn algemeenheid niet zonder meer worden gezegd dat een </para>
      <para>belanghebbende bij een besluit omtrent een kapvergun-ning de hoedanigheid van </para>
      <para>belanghebbende verliest bij effectuering van de vergunning zonder dat hij een </para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening heeft gedaan. Nog daargelaten dat het al dan </para>
      <para>niet doen van een dergelijk verzoek niet beslissend is voor het behoud van </para>
      <para>belang, kan ook na effectuering van de kapvergunning een belang bij de </para>
      <para>beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit met betrekking tot de verlening </para>
      <para>van de kapvergunning nog gelegen zijn in bijvoorbeeld de vraag of aan de </para>
      <para>vergunning een voorwaarde had moeten worden verbonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om deze reden is het verzet gegrond, zodat de uitspraak waartegen verzet was </para>
      <para>gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich </para>
      <para>bevond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het verzet gegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.J. Schoor.</para>
      <para>De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. Van Zantvoort als</para>
      <para>griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 1999 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier:</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op: 22 september 1999</para>
    <para />
    <para>De rechter:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>