<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T10:13:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3681</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/2884 ALGEM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681 Rechtbank Rotterdam , 22-09-1999 / 98/2884 ALGEM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3681:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>445 / Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch </para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>AWB 98/2284 ALGEM</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para>(Awb) in het geschil tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A B.V., gevestigd te B, eiseres,</para>
      <para>gemachtigde G.J. Starink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder,</para>
      <para>in dezen vertegenwoordigd door GAK Nederland BV,</para>
      <para>gemachtigde mr. J.J. Scholtes.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                              </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluiten van 20 oktober 1997 heeft verweerder ten laste van eiseres correctienota's </para>
      <para>vastgesteld terzake over de jaren 1992 tot en met 1996 door eiseres verschuldigde </para>
      <para>premies ingevolge de werknemersverzekeringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 februari 1998 heeft verweerder dat bezwaarschrift niet-ontvankelijk </para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de daartoe uiteengezette gronden is namens eiseres tegen laatstgenoemd besluit </para>
      <para>beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en -kennelijk- te </para>
      <para>bepalen dat alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift moet worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarna eiseres nog schriftelijk heeft </para>
      <para>gereageerd. Hierna heeft verweerder nog een schriftelijke vraagstelling van de rechtbank </para>
      <para>beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 1999, waar eiseres zich niet heeft laten </para>
      <para>vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn </para>
      <para>gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht </para>
      <para>en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat het bezwaarschrift van eiseres pas na </para>
      <para>afloop van de bezwaartermijn is ingediend en dat er niet gebleken is van bijzondere </para>
      <para>omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding niet aan eiseres zou </para>
      <para>moeten worden tegengeworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is aangevoerd dat het bezwaarschrift wel tijdig, voor afloop van de </para>
      <para>bezwaartermijn, is verzonden aan verweerder. Eiseres is derhalve van oordeel dat haar </para>
      <para>geen termijnoverschrijding te verwijten valt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een </para>
      <para>bezwaarschrift tegen een besluit aan met ingang van de dag na die waarop het </para>
      <para>betreffende besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Voorts bepaald artikel </para>
      <para>3:41 van de Awb dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending </para>
      <para>daarvan aan de belanghebbende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De correctienota's waar het bezwaarschrift van eiseres zich tegen richt dateren van </para>
      <para>maandag 20 oktober 1997. Tussen partijen is niet in geschil dat deze besluiten op </para>
      <para>diezelfde dag aan eiseres zijn verzonden. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen bezwaar </para>
      <para>kon worden gemaakt in het onderhavige geval is aangevangen op dinsdag 21 oktober </para>
      <para>1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens artikel 6:7 van de Awb bedraagt de bezwaartermijn zes weken, zodat eiseres tot </para>
      <para>en met maandag 1 december 1997 haar bezwaarschrift kon indienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien </para>
      <para>het voor het einde van de termijn is ontvangen.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift dat ter post is </para>
      <para>verzonden tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, </para>
      <para>mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens het door de postkamer van verweerder geplaatste poststempel is het </para>
      <para>bezwaarschrift pas op dinsdag 15 december 1997, derhalve ruim twee weken na afloop </para>
      <para>van de bezwaartermijn, door verweerder ontvangen. De rechtbank heeft in de </para>
      <para>gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden om </para>
      <para>deze ontvangstdatum, welke van de zijde van eiseres overigens ook niet is bestreden, </para>
      <para>onjuist te achten. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift zo laat is ontvangen dat geen sprake </para>
      <para>meer is van een tijdige indiening in de zin van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:11 van de Awb dient niet-ontvankelijkverklaring van een te laat </para>
      <para>ingediend bezwaarschrift achterwege te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden </para>
      <para>geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank is van oordeel dat in het </para>
      <para>onderhavige geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de </para>
      <para>termijnoverschrijding niet aan eiseres zou moeten worden toegerekend. Meer in het </para>
      <para>bijzonder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de </para>
      <para>postbezorging door de PTT meer dan twee weken in beslag heeft genomen. Het namens </para>
      <para>eiseres overgelegde krantenartikel over vertraagde postbezorging in Brabant heeft de </para>
      <para>rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen, reeds omdat het bezwaarschrift </para>
      <para>niet in Brabant maar ten kantore van verweerder in Amsterdam moest worden bezorgd. </para>
      <para>Bovendien handelt dat artikel kennelijk over problemen in het voorjaar van 1998 en niet </para>
      <para>over het najaar van 1997, en zijn aan het artikel geen aanknopingspunten te ontlenen </para>
      <para>voor de stelling dat de vertragingen ruim twee weken konden belopen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is geworden dat de toenmalige </para>
      <para>gemachtigde van eiseres het bezwaarschrift vóór het einde van de beroepstermijn ter </para>
      <para>post heeft bezorgd. Het feit dat verweerder de envelop waarin het beroepschrift is </para>
      <para>verzonden niet meer over heeft kunnen leggen heeft de rechtbank niet tot een ander </para>
      <para>oordeel kunnen brengen. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat eiseres onduidelijkheid </para>
      <para>omtrent de verzenddatum had kunnen wegnemen door een andere wijze van verzending </para>
      <para>te kiezen, bijvoorbeeld per aangetekende post. Een dergelijke wijze van verzending kan </para>
      <para>wanneer het gaat om een bezwaar- of beroepschrift eerder worden gevergd dan wanneer </para>
      <para>het gaat om bijvoorbeeld formulieren als aan de orde in de uitspraak van de Centrale </para>
      <para>Raad van Beroep van 29 oktober 1998, Uitspraken Sociale Zekerheid 1998, 321. De </para>
      <para>rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval aan het ontbreken </para>
      <para>van de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden de conclusie te verbinden dat het </para>
      <para>bezwaarschrift tijdig is ingediend, zoals in de laatstgemelde uitspraak ten aanzien van de </para>
      <para>daar aan de orde zijnde formulieren wel is gebeurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt voorts nog op dat bezwaar- en beroepstermijnen volgens vaste </para>
      <para>rechtspraak met het oog op belangen van rechtszekerheid strikt moeten worden </para>
      <para>gehanteerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht </para>
      <para>wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het tegen </para>
      <para>deze niet-ontvankelijkverklaring ingestelde beroep moet dus ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te </para>
      <para>spreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als rechter in tegenwoordigheid van mr. A. Wolfs als </para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na </para>
      <para>de datum van toezending hoger beroep instellen bij de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden:</para>
      <para>JvdS</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>