<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-07T13:26:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:1999:ZF3893</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3679</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">VTELEC 99-1642</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679 Rechtbank Rotterdam , 14-09-1999 / VTELEC 99-1642</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3679:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>443 /ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM</para>
    <para />
    <para>President</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nr.: VTELEC 99/1642-SIMO</para>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als </para>
      <para>bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in </para>
      <para>verband met het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A te B, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde mr D.J. Oranje, advocaat te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, </para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde mr G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>met als derde-partij</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Canal+ Nederland B.V., gevestigd te Hilversum (hierna: Canal+),</para>
      <para>gemachtigde mr J.A. Schaap, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 juli 1999 heeft verweerder op grond van artikel 8.7, </para>
      <para>eerste volzin, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) aan </para>
      <para>verzoekster bindende aanwijzingen gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 juli 1999 heeft de gemachtigde van verzoekster </para>
      <para>bezwaar gemaakt tegen een deel van de bindende aanwijzingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 30 juli </para>
      <para>1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de president bij het inzenden van de op de zaak </para>
      <para>betrekking hebbende stukken verzocht toepassing te geven aan </para>
      <para>artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: </para>
      <para>Awb) (beperking van de kennisneming).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 18 augustus 1999 heeft de president een </para>
      <para>rechter-commissaris benoemd en hem opgedragen om in het kader </para>
      <para>van het verzoek om voorlopige voorziening terzake een beslissing </para>
      <para>te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 24 augustus 1999 heeft de rechter-commissaris </para>
      <para>ten aanzien van enkele (onderdelen van) stukken beperking van de </para>
      <para>kennisneming gerechtvaardigd geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster en Canal+ hebben toestemming verleend als bedoeld </para>
      <para>in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 30 augustus 1999 - en derhalve met overschrijding </para>
      <para>van de termijn van artikel 8:83, tweede lid, eerste volzin, van de </para>
      <para>Awb - heeft de gemachtigde van Canal+ enkele nadere stukken </para>
      <para>ingezon-den.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus </para>
      <para>1999. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar </para>
      <para>gemachtigde, met bijstand van L. Pasman en J. Meurs. </para>
      <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn </para>
      <para>gemachtigde, met bijstand van drs W.G.J. Penris, mr S.V. </para>
      <para>Vermeulen, mr drs J.J.F. Versluys en ing. P.J. Nuhoff. Canal+ heeft </para>
      <para>zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, met bijstand </para>
      <para>van K. Färber, F. van den Engel en W. Moerer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen </para>
      <para>een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, </para>
      <para>voor-afgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar </para>
      <para>is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van </para>
      <para>de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op </para>
      <para>verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde </para>
      <para>spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het </para>
      <para>geschil in het tussen partijen aanhangige geding wordt beoordeeld, </para>
      <para>heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat </para>
      <para>oordeel niet bindend voor de beslissing in dat geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw is, indien de </para>
      <para>aan-bieder van een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1, aanhef </para>
      <para>en onder o, van de Tw en de aanbieder van een programma als </para>
      <para>bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van de Mediawet geen </para>
      <para>overeenstemming bereiken over de toegang van het aangeboden </para>
      <para>programma tot het desbetreffende omroepnetwerk, verweerder </para>
      <para>bevoegd op verzoek van de aanbieder van het programma terzake </para>
      <para>bindende aanwijzingen te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8.7, tweede volzin, in verbinding met artikel </para>
      <para>8.6, tweede lid, van de Tw is de aanbieder van het omroepnetwerk </para>
      <para>verplicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 8.7, eerste volzin, van </para>
      <para>de Tw op te volgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 18.3, derde lid, van de Tw is bepaald dat voorzover bij de </para>
      <para>uitoefening van bevoegdheden van verweerder begrippen worden </para>
      <para>uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 24 </para>
      <para>van de Mededingingswet, de uitoefening van die bevoegdheden </para>
      <para>geschiedt overeenkomstig door verweerder in overeenstemming </para>
      <para>met de directeur-generaal van de Nederlandse </para>
      <para>mededingingsautoriteit (hierna: de dg Nma) vastgestelde algemene </para>
      <para>richtlijnen, waarvan de dg Nma mededeling doet in de </para>
      <para>Staatscourant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 18.3, vierde lid, van de Tw maken verweerder </para>
      <para>en de dg Nma in het belang van een effectieve en efficiënte </para>
      <para>besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van </para>
      <para>behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van artikel 18.3, derde en vierde lid, van de Tw </para>
      <para>hebben verweerder en de dg Nma op 4 januari 1999 het </para>
      <para>Samenwerkingsprotocol OPTA/NMa (Stcrt. 1999, nr. 2) </para>
      <para>vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 augustus 1999 hebben verweerder en de dg NMa - door hen </para>
      <para>als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb </para>
      <para>aangemerkte - Richtsnoeren met betrekking tot geschillen over </para>
      <para>toegang tot omroepnetwer-ken (hierna: de Richtsnoeren) </para>
      <para>vastgesteld. Punt 18, eerste en tweede volzin, van de </para>
      <para>Richtsnoeren luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"18. Bij de beoordeling van geschillen over andere </para>
      <para>toegangsvoorwaarden dan de gevraagde doorgiftetarieven zullen </para>
      <para>deze voorwaarden op hun redelijkheid worden getoetst. Bij deze </para>
      <para>toetsing zal het belang van de aanbieder van een omroepnetwerk </para>
      <para>bij het stellen van deze voorwaarden afgewogen worden tegen het </para>
      <para>belang van de programma-aanbieder.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster is aanbieder van een omroepnetwerk als bedoeld in </para>
      <para>artikel 1, aanhef en onder o, van de Tw in het verzorgingsgebied </para>
      <para>Amsterdam, Abcoude, Diemen, Landsmeer, Nigtevegt, Oostzaan </para>
      <para>en Weesp. Canal+ is aanbieder van een programma als bedoeld in </para>
      <para>artikel 1, aanhef en onder f, van de Mediawet. Verzoekster zendt, </para>
      <para>analoog, twee abonneetelevisieprogramma's uit van Canal+.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit een besluit van de dg Nma van 28 december 1998 vloeit voort </para>
      <para>dat verzoekster in haar verzorgingsgebied een economische </para>
      <para>machtpositie heeft op de markt van toegang tot een kabelnetwerk </para>
      <para>voor aanbieders van een programma.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 16 december 1998 heeft Canal+ verweerder gevraagd </para>
      <para>verzoekster zo spoedig mogelijk een bindende aanwijzing als </para>
      <para>bedoeld in artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw te geven met </para>
      <para>betrekking tot de vergoeding die verzoekster aan Canal+ over de </para>
      <para>jaren 1998 en daarna kan vragen voor de doorgifte van de </para>
      <para>programma's van Canal+ via het kabelnetwerk van verzoekster. </para>
      <para>Voorts heeft Canal+ in verband met het voorgaande gevraagd om </para>
      <para>een bindende aanwijzing met betrekking tot de weigering van </para>
      <para>verzoekster Canal+ de mogelijkheid te bieden dat haar </para>
      <para>programma's digitaal worden uitgezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter voorbereiding van de brief van 9 juli 1999 zijn verzoekster en </para>
      <para>Canal+ - met het oog op de bescherming van wederzijdse </para>
      <para>bedrijfsvertrouwelijke gegevens deels niet in elkaars aanwezigheid </para>
      <para>- gehoord en zijn zij in de gelegenheid gesteld stukken in te dienen. </para>
      <para>- Voorts heeft verweerder (technici van) verzoekster in de </para>
      <para>gelegenheid gesteld uiteen te zetten welke technische </para>
      <para>belemmeringen aan de zijde van verzoekster er zijn om op korte </para>
      <para>termijn tot digitale doorgifte van de programma's van Canal+ over </para>
      <para>te gaan.</para>
    </parablock>
    <para>    </para>
    <parablock>
      <para>Bij brief van 1 juni 1999 heeft verweerder aan de dg Nma een </para>
      <para>concept-beslissing op de aanvraag van Canal+ voorgelegd. Bij brief </para>
      <para>van 17 juni 1999 heeft verweerder een aangepaste concept-</para>
      <para>beslissing voorgelegd. Bij brief van 25 juni 1999 heeft de dg Nma </para>
      <para>daarop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 juli 1999 - waaraan de brief van de dg Nma van 25 </para>
      <para>juni 1999 is gehecht - heeft verweerder, "(v)ooruitlopend op de </para>
      <para>eindbeslissing op het verzoek van Canal+" en onder aanhouding </para>
      <para>van "iedere verdere beslissing op het verzoek van Canal+" </para>
      <para>voorzover thans van belang de volgende bindende aanwijzingen </para>
      <para>aan verzoekster gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"a.Het college is gelet op de specifieke omstandigheden </para>
      <para>van dit geval van oordeel dat KTA in staat moet worden geacht, zo </para>
      <para>door Canal+ gewenst, de programma's van Canal+ met ingang van </para>
      <para>15 september 1999 digitaal door te geven.</para>
      <para>KTA dient dan ook met ingang van 15 september </para>
      <para>1999 aan Canal+ de mogelijkheid te bieden dat haar programma's </para>
      <para>digitaal worden doorgegeven.</para>
      <para>KTA dient binnen twee weken na dagtekening van dit </para>
      <para>besluit en met inachtneming van de overwegingen van dit besluit </para>
      <para>aan Canal+ een daartoe strekkend aanbod te doen met een </para>
      <para>gespecificeerde opgave van de kosten die gemoeid zijn met het </para>
      <para>aanbrengen van de extra voorzieningen die in het omroepnetwerk </para>
      <para>nodig zijn om de door Canal+ gevraagde digitale doorgifte van haar </para>
      <para>programma's mogelijk te maken.</para>
      <para>Indien KTA en Canal+ niet binnen vier weken na </para>
      <para>dagtekening van dit besluit tot overeenstemming op dit punt zijn </para>
      <para>gekomen, dient dit onder opgave van de redenen daarvan aan het </para>
      <para>college te worden gerapporteerd, waarna het college, zo door </para>
      <para>Canal+ gewenst, een tussenbeslissing op dit punt zal nemen;".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 juli 1999 heeft de gemachtigde van verzoekster </para>
      <para>bezwaar gemaakt tegen deze bindende aanwijzingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn verzoekschrift van 30 juli 1999 heeft de gemachtigde van </para>
      <para>verzoekster de president - uitsluitend - verzocht om schorsing "voor </para>
      <para>zover het betreft de bindende aanwijzing dat KTA met ingang van </para>
      <para>15 september 1999 aan Canal+ de mogelijkheid dient te bieden </para>
      <para>dat haar programma's digitaal worden doorgegeven".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 juli 1999 heeft verzoekster een aanbod aan Canal+ </para>
      <para>gedaan, waarop Canal+ bij brief van 4 augustus 1999 - afwijzend –</para>
      <para>heeft gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 augustus 1999 heeft Canal+ aan verweerder bericht </para>
      <para>dat zij en verzoekster niet tot overeenstemming zijn gekomen over </para>
      <para>het doorgiftetarief bij digitale uitzending en over (de betaling van) </para>
      <para>de extra kosten en heeft zij verweerder verzocht op dit punt een </para>
      <para>beslissing te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 augustus 1999 heeft verzoekster gereageerd op de </para>
      <para>brief van Canal+ van 4 augustus 1999, waarna Canal+ bij brief van </para>
      <para>26 augustus 1999 weer een reactie heeft gegeven.     </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van verweerder is ter zitting verklaard dat verweerder </para>
      <para>voornemens is op of omstreeks 15 september 1999 zowel een </para>
      <para>beslissing te nemen op het bezwaar van verzoekster van 28 juli </para>
      <para>1999 als op het verzoek van Canal+ van 9 augustus 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting hebben verzoekster en verweerder kenbaar gemaakt </para>
      <para>geen bedenkingen te hebben tegen het als gedingstuk aanmerken </para>
      <para>van de bij de brieven van de gemachtigde van Canal+ van 30 </para>
      <para>augustus 1999 ingezonden nadere stukken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De president ziet zich allereerst gesteld voor het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening uitgebreid, in die zin dat tevens wordt </para>
      <para>verzocht om schorsing van de bindende aanwijzing inhoudende dat </para>
      <para>verzoekster binnen twee weken een aanbod moet doen aan Canal+ </para>
      <para>met betrekking tot de kosten van digitale doorgifte van de </para>
      <para>programma's van Canal+, met een gespecificeerde opgave van de </para>
      <para>extra kosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president is van oordeel dat deze - wezenlijke - uitbreiding van </para>
      <para>het verzoek om voorlopige voorziening in de gegeven </para>
      <para>omstandigheden in strijd met de goede procesorde moet worden </para>
      <para>geacht. Verweerder en Canal+ zijn hiermee immers eerst ter zitting </para>
      <para>geconfronteerd en worden aldus onredelijk in hun verweer </para>
      <para>bemoeilijkt. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de </para>
      <para>gemachtigde van verzoekster niet in de gelegenheid is geweest het </para>
      <para>verzoek om voorlopige voorziening uit te breiden in de - op verzoek </para>
      <para>van partijen ruime - periode tussen het doen van het verzoek en het </para>
      <para>onderzoek ter zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president stelt vervolgens vast dat verweerder heeft beoogd </para>
      <para>met de door verzoekster in bezwaar bestreden bindende </para>
      <para>aanwijzingen te bewerkstelligen dat indien en zodra tussen Canal+ </para>
      <para>en verzoekster overeenstemming is bereikt over het doorgiftetarief </para>
      <para>bij digitale uitzending en over (de betaling van) de extra kosten, dan </para>
      <para>wel verweerder op verzoek van Canal+ een beslissing op dit punt </para>
      <para>heeft genomen, Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de </para>
      <para>gelegenheid wordt gesteld om op korte termijn tot digitale doorgifte </para>
      <para>over te gaan. Een en ander blijkt ook uit het in de brief van 9 juli </para>
      <para>1999 door verweerder uitgezette tijdpad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet zich voorts gesteld voor de vraag naar het </para>
      <para>rechtskarakter van de bindende aanwijzing waarop het verzoek om </para>
      <para>voorlopige voorziening betrekking heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een </para>
      <para>besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een </para>
      <para>bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke </para>
      <para>rechtshandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Buiten twijfel is dat sprake is van een schriftelijke beslissing van </para>
      <para>een bestuursorgaan, genomen op grond van een aan het </para>
      <para>publiekrecht ontleende bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de president is de aanwijzing van verweerder </para>
      <para>op grond van artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw, inhoudende dat </para>
      <para>verzoekster met ingang van 15 september 1999 aan Canal+ de </para>
      <para>mogelijk-heid dient te bieden dat de programma's van Canal+ </para>
      <para>digitaal worden doorgegeven, ook op rechtsgevolg gericht. Met de </para>
      <para>onderhavige bepaling is ten aanzien van geschillen over de </para>
      <para>toegang tot een omroepnetwerk een stelsel van - publiekrechtelijke </para>
      <para>- arbitrage in het leven geroepen. Een kenmerkend aspect van </para>
      <para>deze vorm van conflictoplossing is in algemene zin dat daarbij </para>
      <para>wordt voorzien in een materiële oplossing van het geschil in de </para>
      <para>vorm van een voor alle bij het conflict betrokken partijen bindend </para>
      <para>advies. Met het geven van de thans in geding zijnde bindende </para>
      <para>aanwijzing heeft verweerder voor een deel van het tussen partijen </para>
      <para>bestaande conflict - namelijk de vraag of verzoekster digitale </para>
      <para>doorgifte van de programma's van Canal+ mogelijk moet maken – </para>
      <para>een dergelijke materiële oplossing gegeven. Deze aanwijzing heeft </para>
      <para>daarmee (een zelfstandig) rechtsgevolg. Dat nog niet vaststaat of </para>
      <para>Canal+ met ingang van 15 september 1999 van deze mogelijkheid </para>
      <para>daadwerkelijk gebruik zal maken, doet daaraan niet af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bindende aanwijzing waarop het verzoek om voorlopige </para>
      <para>voorziening betrekking heeft (hierna: de bestreden aanwijzing) is </para>
      <para>dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, </para>
      <para>hetgeen overigens ook geldt voor de overige door verzoekster in </para>
      <para>bezwaar bestreden bindende aanwijzingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft - samengevat - de volgende grieven </para>
      <para>aange-voerd:</para>
      <para>- Canal+ wenst in feite over te gaan tot een andere - nieuwe – </para>
      <para>voorwaardelijketoegangstechnologie die ruimte biedt voor het </para>
      <para>aanbieden van andere diensten dan </para>
      <para>abonneetelevisieprogramma's. Om die reden verlangt Canal+ van </para>
      <para>verzoekster dat zij haar kabelnetwerk aanpast. Hetgeen Canal+ </para>
      <para>van verzoekster verlangt, gaat daarmee echter de reikwijdte van </para>
      <para>artikel 8.7, eerste volzin, van de Tw - dat immers slechts ziet op </para>
      <para>toegang tot een omroepnetwerk van een aangeboden programma </para>
      <para>- te buiten. Verweerder was dan ook niet bevoegd de bestreden </para>
      <para>aanwijzing te geven.</para>
      <para>- Verzoekster heeft herhaaldelijk aangegeven niet in staat te </para>
      <para>zijn op de door verweerder en Canal+ gewenste termijn over te </para>
      <para>gaan tot digitale doorgifte van de programma's van Canal+. </para>
      <para>Verzoekster is zelf bezig met het volledig digitalise-ren van haar </para>
      <para>kabelnetwerk. Dat is een omvangrijke en gecompliceerde operatie, </para>
      <para>die eerst in de loop van 2000 haar beslag zal kunnen krijgen en </para>
      <para>waarvoor verzoekster al haar technische (perso-neels)capaciteit </para>
      <para>nodig heeft. Voorts heeft verweerder zich er geen rekenschap van </para>
      <para>gegeven dat, gelet op het feit dat digitale uitzending voor </para>
      <para>verzoekster iets geheel nieuws is, een uitvoerige testperiode (van </para>
      <para>tenminste drie maanden) nodig is. Het is onverantwoord zonder </para>
      <para>meer met digitale uitzendingen te beginnen, omdat het risico van </para>
      <para>storingen op het kabelnetwerk van verzoekster (onder meer ten </para>
      <para>aanzien van de telefoniediensten) groot is. In dat verband heeft </para>
      <para>verzoekster verwezen naar een door haar in het geding gebracht </para>
      <para>rapport van Intercai Nederland B.V. van 29 juli 1999.</para>
      <para>- Verweerder heeft onvoldoende kennis vergaard omtrent de </para>
      <para>af te wegen belangen, dan wel de betrokken belangen op onjuiste </para>
      <para>wijze afgewogen. Verzoekster bestrijdt het - acute - financiële </para>
      <para>belang van Canal+, dat door verweerder mede aan de bestreden </para>
      <para>aanwijzing ten grondslag is gelegd. Voorts is verweerder er ten </para>
      <para>onrechte van uitgegaan dat verzoekster terzake uitsluitend een </para>
      <para>bedrijfs-ma-tig (bedrijfseconomisch) belang heeft, daarmee </para>
      <para>voorbijgaand aan het belang van verzoekster dat onomsto-telijk </para>
      <para>komt vast te staan dat de gewenste digitale doorgifte niet leidt tot </para>
      <para>storingen op het kabelnetwerk van verzoekster.</para>
      <para>- Verweerder heeft onvoldoende recht gedaan aan het </para>
      <para>beginsel van hoor en wederhoor en heeft voorts de dga Nma ten </para>
      <para>behoeve van diens advisering onvoldoende geïnformeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder en Canal+ hebben hetgeen van de zijde van </para>
      <para>verzoekster is aangevoerd gemotiveerd weersproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft daarbij herhaald dat verzoekster niet heeft </para>
      <para>kunnen aantonen dat digitale doorgifte op korte termijn van de </para>
      <para>programma's van Canal+ technisch niet mogelijk zou zijn en dat op </para>
      <para>verzoekster dan ook de verplichting rust deze doorgifte toe te </para>
      <para>staan en zo nodig haar kabelnetwerk daarvoor geschikt te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Canal+ heeft daarbij aangegeven dat het haar, mede gelet op haar </para>
      <para>financiële situatie, erom gaat het doorgiftetarief voor haar huidige </para>
      <para>abonneetelevisieprogramma's substantieel verlaagd te krijgen. </para>
      <para>Digitale uitzending van haar programma's moet, althans in de visie </para>
      <para>van Canal+, door het verminderde capaciteitsbeslag op het </para>
      <para>kabelnetwerk van verzoekster leiden tot tenminste een halvering </para>
      <para>van het tarief bij analoge uitzending. Indien en zodra duidelijkheid </para>
      <para>bestaat over het doorgiftetarief bij digitale uitzending en de extra </para>
      <para>kosten, zal Canal+ kunnen beslissen of zij daadwerkelijk van de </para>
      <para>mogelijkheid van digitale doorgifte gebruik zal maken, waarbij </para>
      <para>Canal+ dan bereid is de reële extra kosten te betalen. Canal+ heeft </para>
      <para>niet bestreden dat voor het mogelijk maken van digitale uitzending </para>
      <para>een zekere implementatieperiode nodig is. Zij begroot die op twee </para>
      <para>weken. Een testperiode van drie maanden acht Canal+ gelet op de </para>
      <para>aard van de technische voorzieningen die voor de door haar </para>
      <para>verlangde digitale doorgifte nodig zijn, echter niet reëel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de grieven van verzoekster overweegt de </para>
      <para>president het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan niet </para>
      <para>worden afgeleid dat in het onderhavige geval sprake is van een </para>
      <para>geschil dat verder strekt dan de doorgifte van de huidige twee </para>
      <para>abonneetelevisie-programma's van Canal+. In het bijzonder is niet </para>
      <para>gebleken dat het gaat om het aanbieden van andere diensten over </para>
      <para>het kabelnetwerk van verzoekster. Dat zulks mogelijk in de </para>
      <para>toekomst anders zou kunnen zijn, is thans niet relevant. Dat geldt </para>
      <para>temeer nu de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft </para>
      <para>beklemtoond dat de in de brief van 9 juli 1999 vervatte bindende </para>
      <para>aanwijzingen geen betrekking hebben op en ook geenszins </para>
      <para>toestemming inhouden voor het aanbieden van andere diensten </para>
      <para>dan pro-gramma's. Verweerder was dan ook bevoegd in het </para>
      <para>onderhavige geval een bindende aanwijzing op grond van artikel </para>
      <para>8.7, eerste volzin, van de Tw te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorafgaand aan de bespreking van de grieven van materiële aard </para>
      <para>stelt de president vast dat verweerder bij de beslissing op het </para>
      <para>bezwaar met betrekking tot de bestreden aanwijzing toepassing </para>
      <para>dient te geven aan punt 18, eerste en tweede volzin, van de </para>
      <para>Richtsnoeren. Het daarin neergelegde beleid acht de president </para>
      <para>voorshands niet onredelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de president berusten de overwegingen van </para>
      <para>verweerder met betrekking tot de door verzoekster opgeworpen </para>
      <para>technische belemmeringen voor digitale doorgifte van de </para>
      <para>programma's van Canal+ niet op onvoldoende grond. Verzoekster </para>
      <para>heeft ook de president er niet van kunnen overtuigen dat digitale </para>
      <para>doorgifte van die programma's met ingang van 15 september 1999 </para>
      <para>op de door Canal+ voorgestane wijze zodanige technische </para>
      <para>problemen oplevert dat verweerder op 9 juli 1999 in redelijkheid niet </para>
      <para>tot het geven van de bestreden aanwijzing had kunnen besluiten. </para>
      <para>Het rapport van Intercai Nederland B.V. is niet toegesneden op het </para>
      <para>kabelnetwerk van verzoekster en is aldus in te algemene termen </para>
      <para>gesteld om daaraan overwegende betekenis te kunnen hechten. </para>
      <para>Ook overigens is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat digitale </para>
      <para>doorgifte van de program-ma's van Canal+ op de door haar </para>
      <para>gewenste wijze op korte termijn technisch gezien niet mogelijk is. </para>
      <para>De door Canal+ in het geding gebrachte notitie van prof. mr dr J.M. </para>
      <para>Smits, hoogleraar Recht en Techniek aan de Technische </para>
      <para>Universiteit Eindhoven, van 26 augustus 1999 alsmede diens </para>
      <para>commentaar op het rapport van Intercai Nederland B.V. van 30 </para>
      <para>augustus 1999 ondersteunen de stellingen van verzoekster </para>
      <para>evenmin en bieden veeleer aanknopingspunten voor de vaststelling </para>
      <para>dat slechts een korte implementatieperiode nodig is. De president </para>
      <para>acht tevens van belang dat Canal+ heeft aangegeven zelf een </para>
      <para>oplossing te kunnen bieden voor mogelijke tijdelijke </para>
      <para>capaciteitsproblemen op het kabelnetwerk van verzoekster en </para>
      <para>voorts de kosten die zijn gemoeid zijn met het plaatsen van een </para>
      <para>andere modulator en het testen daarvan voor haar rekening te </para>
      <para>willen nemen. Voorts heeft meegewogen dat het verzoek van </para>
      <para>Canal+ al van 16 december 1998 dateert en verzoekster sindsdien </para>
      <para>- en ook sedert 9 juli 1999 - voldoende tijd heeft gehad om de </para>
      <para>consequenties van digitale doorgifte van de programma's van </para>
      <para>Canal+ te bezien en vervolgens de nodige voorzieningen te </para>
      <para>treffen. Aan het feit dat verzoekster zelf bezig is met het volledig </para>
      <para>digitaliseren van haar kabelnetwerk kan de president tenslotte niet </para>
      <para>de door verzoekster gewenste betekenis hechten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeksters grief met betrekking tot de belangenafweging slaagt </para>
      <para>evenmin. Vaststaat dat Canal+ belang heeft dan wel zal kunnen </para>
      <para>hebben bij digitale doorgifte van haar programma's. Of daarbij </para>
      <para>sprake is van een acuut financieel belang acht de president minder </para>
      <para>relevant. Niet kan worden gezegd dat verweerder aan het </para>
      <para>bedrijfsmatige (bedrijfseconomische) belang van verzoekster – </para>
      <para>nog daargelaten of, en zo ja in hoeverre, uit mededingingsrechtelijk </para>
      <para>oogpunt dat belang in het onderhavige geval al een rol zou mogen </para>
      <para>spelen - een groter gewicht had dienen toe te kennen dan aan het </para>
      <para>belang van Canal+. Uit de gedingstukken en verhandelde ter zitting </para>
      <para>kan voorts niet worden afgeleid dat verweerder is voorbijgegaan </para>
      <para>aan het belang van verzoekster dat haar kabelnetwerk geen storing </para>
      <para>ondervindt. Verweerder heeft echter, zo volgt uit het hiervoor </para>
      <para>overwogene, niet op onvoldoende gronden vastgesteld dat daarvan </para>
      <para>feitelijk geen sprake zal zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door verzoekster aangevoerde grieven van materiële aard </para>
      <para>slagen derhalve niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat geldt ook voor de grieven van formele aard. Al hetgeen </para>
      <para>verzoekster heeft aangevoerd om te betogen dat sprake is van </para>
      <para>schending van het beginsel van hoor en wederhoor, komt in de </para>
      <para>kern hierop neer dat de wijze waarop verweerder procedureel </para>
      <para>heeft geopereerd bij de voorbereiding van de bestreden aanwijzing </para>
      <para>ertoe heeft geleid dat verweerder is uitgegaan van een deels </para>
      <para>onjuiste voorstelling van zaken, terwijl verzoekster voorts niet in de </para>
      <para>gelegenheid is geweest ten volle haar zienswijze kenbaar te </para>
      <para>maken. De president laat in het midden of wellicht ten aanzien van </para>
      <para>een of meer van de door verzoekster genoemde concrete </para>
      <para>voorvallen zou moeten worden geoordeeld dat het beginsel van </para>
      <para>hoor en wederhoor niet (ten volle) is nageleefd. Uit hetgeen </para>
      <para>hiervoor is overwogen vloeit immers voort dat verzoek-ster </para>
      <para>daardoor niet in haar belangen kan zijn geschaad. Voorts is van </para>
      <para>belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting </para>
      <para>onweersproken heeft verklaard dat in elk geval bij de voorbereiding </para>
      <para>van de beslissing op het bezwaar verzoekster de beschikking heeft </para>
      <para>gehad over alle relevante informatie. Tenslotte heeft de president </para>
      <para>geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat de dg </para>
      <para>Nma niet ten volle in staat is geweest vanuit zijn - niet technische, </para>
      <para>maar mededingingsrechtelijke - expertise een oordeel over de bij </para>
      <para>brief van 17 juni 1999 aan hem voorgelegde concept-beslissing van </para>
      <para>verweerder te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verweerder </para>
      <para>op 9 juli 1999 op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster </para>
      <para>op 15 september 1999 in staat moet zijn digitale doorgifte van de </para>
      <para>programma's van Canal+ te verzorgen en vervolgens niet ten </para>
      <para>onrechte heeft geoordeeld dat verzoekster daartoe ook gehouden </para>
      <para>is. De president ziet dan ook geen aanleiding de bestreden </para>
      <para>aanwijzing te schorsen, zodat het verzoek om voorlopige </para>
      <para>voorziening dient te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel merkt de president nog het volgende op. Hiervoor heeft de </para>
      <para>president vastgesteld dat verweerder heeft beoogd met de door </para>
      <para>verzoekster in bezwaar bestreden bindende aanwijzingen te </para>
      <para>bewerkstelligen dat indien en zodra tussen Canal+ en verzoekster </para>
      <para>overeenstemming is bereikt over het doorgiftetarief bij digitale </para>
      <para>uitzending en over (de betaling van) de extra kosten, dan wel </para>
      <para>verweerder op verzoek van Canal+ een beslissing op dit punt heeft </para>
      <para>genomen, Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de </para>
      <para>gelegenheid wordt gesteld om op korte termijn tot digitale doorgifte </para>
      <para>over te gaan. Het door verweerder daartoe uitgezette tijdpad is </para>
      <para>echter door het tijdsverloop na 9 juli 1999 niet meer haalbaar. </para>
      <para>Daarom zal, rekening houdend met hetgeen de president in deze </para>
      <para>uitspraak heeft overwogen, in de beslissing op het bezwaar moeten </para>
      <para>worden voorzien in een korte periode tussen het tijdstip waarop </para>
      <para>verweerder een beslissing neemt over het doorgiftetarief bij digitale </para>
      <para>uitzending en over (de betaling van) de extra kosten enerzijds en </para>
      <para>het tijdstip waarop Canal+ door verzoekster ook daadwerkelijk in de </para>
      <para>gelegenheid moet worden gesteld om tot digitale doorgifte over te </para>
      <para>gaan anderzijds.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen </para>
      <para>aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.</para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De president,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als </para>
      <para>president.</para>
      <para>De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als </para>
      <para>griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier:                     De president:</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>