<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T14:42:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3677</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 98/634</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/276</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677 Rechtbank Rotterdam , 05-10-1999 / AWB 98/634</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3677:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>441 / ARRONDISSEMEENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    <para />
    <para>Reg. nr: AWB 98/634-LAME</para>
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen</para>
    <para />
    <para>Á, wonende te B, eiseres,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.</para>
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 juni 1997 heeft eiseres verweerder verzocht om toekenning van </para>
      <para>een zelfstandigheidsverklaring voor de periode 14 augustus 1997 tot 14 augustus </para>
      <para>1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brief van 2 juli 1997 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.</para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft bij brief van 5 augustus 1997 daartegen bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 februari 1998 (kenmerk B&amp;:B/E09/97.7631) heeft verweerder </para>
      <para>het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 30 </para>
      <para>maart 1998 beroep ingesteld, nader aangevuld bij schrijven van 18 mei 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft bij brief van 23 juni 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 21 juni 1999 een nader stuk </para>
      <para>overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 1999. Eiseres was </para>
      <para>aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Overwegingen</para>
      <para>Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de </para>
      <para>volgende feiten als vaststaand aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres, geboren op 1 januari 1941, staat sedert 1 mei 1996 ingeschreven in het </para>
      <para>waarneemregister van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische </para>
      <para>Fysiotherapeuten. Op 14 augustus 1996 heeft zij bij de toenmalige </para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke </para>
      <para>Belangen (hierna: de BVG) een aanvraag ingediend voor een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 oktober 1996 heeft het bestuur van de BVG eiseres als "star-tend" </para>
      <para>waarnemer voor de periode van 14 augustus 1996 tot 14 augustus 1997 een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 juni 1997 heeft eiseres bij verweerder, als rechtsopvolger van de BVG, een </para>
      <para>verzoek ingediend om verlenging van de zelfstandigheids-verklaring.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 2 juli 1997 is eiseres medegedeeld dat geen zelfstan-digheidsver-kla-</para>
      <para>ring wordt verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het daartegen door eiseres </para>
      <para>gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij overwogen dat </para>
      <para>eiseres niet voldoet aan een deel van de aanvullende voorwaarden, zoals </para>
      <para>neergelegd in het Convenant voor waarnemers dat is afgesloten tussen de </para>
      <para>voormalige BVG enerzijds en een aantal belangenverenigingen voor </para>
      <para>(para)medische beroepen anderzijds, om voor een dergelijke verklaring in </para>
      <para>aanmerking te komen. Dit convenant is afgesloten naar aanleiding van de </para>
      <para>uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 1993, waarbij is beslist </para>
      <para>dat de verzekeringsplicht van waarnemers in de (para)me-dische sector primair </para>
      <para>getoetst dient te worden aan artikel 3 van de respectieve sociale </para>
      <para>verzekeringswetten. De doelstelling van het convenant is om door middel van een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring voor de waarnemer alsook voor de opdrachtgever </para>
      <para>zekerheid te bieden omtrent de vraag of op de door de waarnemer te verrichten </para>
      <para>werkzaam-heden de werknemerswetten van toepassing zijn.</para>
      <para>Verweerder heeft gesteld dat beslissingen tot het afgeven van een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring - en daarmee tevens gelet op artikel 6:2 van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de weigering om een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring te verstrekken - besluiten in de zin van artikel 1:3, </para>
      <para>eerste lid, van de Awb zijn, aangezien het een rechtshandeling betreft waarmee </para>
      <para>een (extern) rechtsgevolg wordt beoogd. Door verweerders uitvoeringsinstelling </para>
      <para>worden rechtsgevolgen verbonden aan het al dan niet bezitten van een </para>
      <para>zelfstandigheidsver-klaring. Indien een waarnemer beschikt over een dergelijke </para>
      <para>verkla-ring en waarneemwerkzaamheden in de zin van het convenant verricht, </para>
      <para>zijn de sociale werknemersverzekeringen in beginsel op die werkzaam-heden niet </para>
      <para>van toepassing en maakt hij geen aanspraak op een uitkering ingevolge de </para>
      <para>werknemerswetten. De opdrachtgever die gebruik maakt van een waarnemer met </para>
      <para>een zelfstandigheidsverklaring, heeft terzake van de door die waarnemer </para>
      <para>verrichte werkzaamheden geen inhoudings- en afdrachtverplichtingen die </para>
      <para>voortvloeien uit de sociale verzekeringswetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft - samengevat - aangevoerd dat zij door de in 199S gewijzigde </para>
      <para>regeling wordt gedupeerd en dat de in het convenant neer gelegde aanvullende </para>
      <para>voorwaarden het haar in feite onmogelijk maken om als zelfstandige aan het. </para>
      <para>arbeidsproces deel te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank dient in dit geding, ambtshalve, eerst de vraag te beantwoorden of </para>
      <para>een door verweerder op grond van het convenant af gegeven beslissing tot </para>
      <para>weigering van een zelfstandigheidsverklaring is aan te merken als een besluit in </para>
      <para>de zin van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het stelsel van de sociale werknemersverzekeringswetten, en meer in het </para>
      <para>bijzonder van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de </para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet, is sprake van een </para>
      <para>verplichte verzekering voor werknemers. In de diverse onderling vergelijkbare </para>
      <para>bepalingen van de betreffende wetten wordt aangegeven wie als werknemer moet </para>
      <para>worden aangemerkt: de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in </para>
      <para>privaatrechtelijke of publiek-rechtelijke dienstbetrekking staat. Vervolgens wordt in </para>
      <para>een aantal bepalingen nader, aangegeven welke arbeidsverhoudingen met een </para>
      <para>dienstbetrekking worden gelijkgesteld en wie tevens als werknemer worden </para>
      <para>beschouwd. In de betreffende wetten is voorts geregeld dat de werknemers onder </para>
      <para>voorwaarden aanspraak hebben op een uitkering en dat de werknemers en de </para>
      <para>werkgevers waarbij de werknemers in dienst zijn, premies verschuldigd zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het systeem van de wet wordt aan de hand van de feitelijke situatie beoordeeld </para>
      <para>of sprake is van een dienstbetrekking, dan wel een daarmee gelijk te stellen </para>
      <para>arbeidsverhouding. Indien sprake is van een dienstbetrekking is sprake van </para>
      <para>werknemerschap, en is in principe premie verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het hiervoor geschetste stelsel zijn beslissingen betreffende de </para>
      <para>premieplichtigheid en beslissingen betreffende de rechtsvaststelling of een </para>
      <para>betrokkene in een concrete arbeidssituatie verzekerd is, volgens vaste </para>
      <para>jurisprudentie, besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het rechtsgevolg </para>
      <para>van laatstgenoemde besluiten is met name gelegen in het door werknemer en </para>
      <para>werkgever al dan niet verschuldigd zijn van premies. De bevoegdheid tot het </para>
      <para>nemen van een dergelijk besluit ontleent verweerder aan artikel 11 van de </para>
      <para>Co6rdinatiewet Sociale Verzekering en aan de betreffende sociale </para>
      <para>verzekeringswetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met verweerder kwalificeert de rechtbank de inhoud van het convenant als het </para>
      <para>buitenwettelijk kader waarbinnen verweerder de voorwaarden heeft geformuleerd </para>
      <para>waaraan een waarnemer moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op een </para>
      <para>zelfstandigheidsverklaring. Verweerder heeft het beleid dat hij wil voeren in het </para>
      <para>convenant vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank berust een beslissing </para>
      <para>tot het al dan niet afgeven van een zelfstandigheidsverklaring niet op een </para>
      <para>algemene of concrete in de wet aan verweerder toegekende bevoegdheid, </para>
      <para>hetgeen ook door verweerder wordt erkend. In dit verband merkt de rechtbank op </para>
      <para>dat een zelfstandigheidsverklaring wordt afgegeven aan de hand van in het </para>
      <para>convenant opgenomen voorwaarden en niet afhankelijk is van de vraag of de </para>
      <para>concrete arbeidsverhouding kan worden beschouwd als een dienstbetrekking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit</para>
      <para>- waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb </para>
      <para>bezwaar kan worden gemaakt - verstaan een schriftelijke beslissing van een </para>
      <para>bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Bij een </para>
      <para>rechtshandeling moet het gaan om een op rechtsgevolgen gerichte handeling van </para>
      <para>het bestuursorgaan. Door de handeling worden onvoorwaardelijk en direct </para>
      <para>rechtsgevolgen in het leven geroepen. Dit zal het geval zijn indien het gaat om </para>
      <para>een beslissing die rechten en/of plichten tussen partijen doet ontstaan dan wel </para>
      <para>deze wijzigt. Ook kan van een rechtsgevolg sprake zijn indien het bestaan van </para>
      <para>zekere rechten en/of plichten bindend wordt vastgesteld. Voor de aanname van </para>
      <para>een besluit is het onvoldoende dat het rechtsgevolg alleen door het </para>
      <para>bestuursorgaan, zonder daarvoor steun te vinden in het objectieve recht, wordt beoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een </para>
      <para>beslissing die rechten en/of plichten tussen eiseres en verweerder doet ontstaan </para>
      <para>dan wel wijzigt. Tussen eiseres en verweerder kunnen immers pas daadwerkelijk </para>
      <para>rechten en/of plichten jegens elkaar ontstaan indien eiseres verzekeringsplichtige </para>
      <para>werkzaamheden gaat verrichten. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank </para>
      <para>gezegd worden dat het bestaan van rechten en/of plichten bindend wordt </para>
      <para>vastgesteld. Van een dergelijke vaststelling kan slechts sprake zijn in een </para>
      <para>concrete arbeidsrelatie omdat de feitelijke situatie waaronder wordt gewerkt </para>
      <para>bepalend is voor de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst </para>
      <para>naar burgerlijk recht dan wel een daarmee gelijkgestelde arbeidsverhou-ding. Om </para>
      <para>deze reden is de rechtbank ook van oordeel dat de zelfstan-digheidsverklaring </para>
      <para>niet op 66n lijn gesteld kan worden met rechts-vaststellingsbesluiten. Daarbij vindt </para>
      <para>immers op grond van feitelijke omstandigheden, terwijl nog geen sprake is van </para>
      <para>een uitkeringssitua-tie, een definitieve vaststelling plaats ten aanzien van het al </para>
      <para>dan niet verzekerd zijn in een concrete arbeidsrelatie die reeds enige tijd heeft </para>
      <para>geduurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voren overwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat een beslissing tot </para>
      <para>het al dan niet afgeven van een zelfstandigheidsver-klaring geen besluit is in de </para>
      <para>zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop had verweerder het bezwaar van eiseres tegen het</para>
      <para>weigeren van een zelfstandigheidsverklaring niet-ontvankelijk moeten</para>
      <para>verklaren. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en</para>
      <para>het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van </para>
      <para>de Awb, te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde </para>
      <para>bestreden besluit, op de wijze als hierna weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>3. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen </para>
      <para>in dit geval inhoudt dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres het door haar </para>
      <para>betaalde griffierecht van f 55,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Lamers-Wilbers. De beslissing is, in </para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. M.M. van Geuns--Solleveld als griffier, uitgesproken in </para>
      <para>het openbaar op 5 oktober 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier:</para>
    <para />
    <para>De rechter:</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <para>8 oktober 1999</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen -en </para>
      <para>verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale </para>
      <para>Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen </para>
      <para>van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag </para>
      <para>na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>