<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3675</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BOUW 97/4004-SCR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675 Rechtbank Rotterdam , 22-09-1999 / BOUW 97/4004-SCR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:1999:AA3675:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>439 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM</para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nr.: BOUW 97/4004-SCR</para>
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen</para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen C Holding B.V. te B, </para>
      <para>vergunninghoudster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 juni 1997 heeft verweerder - onder gelijktijdige verlening van vrijstelling </para>
      <para>op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, onder b, van de Bouwverordening van de </para>
      <para>gemeente Maassluis - aan Westvorm buro voor architectuur en vormgeving te </para>
      <para>Maassluis, welke handelde in opdracht van C Holding B.V. te B, vergunning verleend tot </para>
      <para>het bouwen van een uitvaartcentrum op een perceel grond aan het […]plantsoen te B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 juli 1997 bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 24 september 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 28 oktober 1997 </para>
      <para>beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft bij brief van 22 januari 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft - gelijktijdig met het onderzoek in de zaak BOUW </para>
      <para>97/3970-SCR, waarin de rechtbank heden afzonder-lijk uitspraak heeft gedaan – </para>
      <para>plaatsgevonden op 20 augustus 1999. Eiser is met kennisgeving niet verschenen. </para>
      <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Harent, bijgestaan door J. </para>
      <para>van Vliet. Namens vergunninghoudster is niemand verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn bezwaarschrift tegen de verleende vergunning heeft eiser zelf ter sprake gebracht </para>
      <para>of hij belanghebbende is bij het primaire besluit. Hij meent dat zulks het geval is omdat </para>
      <para>het […]plantsoen een functie vervult voor alle bewoners van de wijk. Voorts heeft hij </para>
      <para>gewezen op zijn betrokkenheid bij het groepje wijkbewoners dat activiteiten voor de </para>
      <para>wijk in dit plantsoen organiseert ter gelegenheid van Koninginnedag. Hij wees er daarbij </para>
      <para>op dat dit groepje geen juridische status heeft. De bouw van het rouwcentrum aldaar </para>
      <para>zou de mogelijkheden voor de organisatie ernstig aantasten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op het advies van de commissie </para>
      <para>voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) van de gemeente Maassluis van 5 </para>
      <para>september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit advies merkt de commissie op dat zij twijfelt of eiser als belanghebbende in de zin </para>
      <para>van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden </para>
      <para>aangemerkt. Na vermelding en bespreking van de argumenten voor en tegen acht de </para>
      <para>commissie voldoende gronden aanwezig om appellant als belanghebbende aan te </para>
      <para>merken. De commissie overweegt daarbij nadrukkelijk dat een materiële beslechting van </para>
      <para>het geschil in deze fase van rechtsbescherming de voorkeur verdient boven een formele </para>
      <para>beslechting en dat zij er van uitgaat dat, ingeval er een vervolg op het bezwaarschrift </para>
      <para>komt, de rechtbank de ontvankelijk-heid (ambtshalve) zal beoordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan, dat is geroepen een beslissing op </para>
      <para>een bij hem ingediend bezwaar te nemen, ook zonodig een oordeel dient te geven over </para>
      <para>de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de hand van het daaromtrent in de Awb </para>
      <para>bepaalde. Het is een bestuursorgaan op zich toegestaan, indien het advies van de </para>
      <para>ingevolge artikel 7:13 van de Awb ingestelde adviescommis-sie aan de daaraan rechtens </para>
      <para>te stellen eisen voldoet, aan te sluiten bij hetgeen deze commissie omtrent de </para>
      <para>ontvankelijkheid van het bezwaar heeft overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, nu het er de schijn van heeft dat de commissie zich bij </para>
      <para>haar advisering omtrent de ontvanke-lijkheid van het bezwaar van eiser mede heeft laten </para>
      <para>leiden door het feit dat de rechtbank in een eventuele beroepszaak op dit punt </para>
      <para>ambtshalve toetst, verweerder niet had mogen volstaan met het overnemen van dit </para>
      <para>advies, doch omtrent die ontvankelijkheid een gemotiveerd eigen standpunt in het </para>
      <para>bestreden besluit had moeten neerleggen. De door de rechtbank te verrichten </para>
      <para>ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid van het bezwaar ontslaat verweerder (en </para>
      <para>derhalve ook de commissie) niet van de uit het systeem van de Awb en in het bij zonder </para>
      <para>de in hoofdstuk 7 gegeven bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep </para>
      <para>voor hem voortvloeiende verplichting om, indien de noodzaak daartoe zich aandient, </para>
      <para>over die ontvankelijkheid een eigen oordeel te geven en in het bestreden besluit (het </para>
      <para>advies) neer te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste </para>
      <para>volzin, van de Awb, waarin het vereiste is vastgelegd dat de beslissing op bezwaar op </para>
      <para>een deugdelijke motivering dient te berusten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 7, eerste lid, van de Awb </para>
      <para>dient een belanghebbende alvorens tegen een besluit beroep in te stellen bij de </para>
      <para>rechtbank, tegen dat besluit bezwaar te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: </para>
      <para>degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarbij dient volgens </para>
      <para>vaste jurisprudentie sprake te zijn van een eigen belang, een persoonlijk belang, een </para>
      <para>objectief bepaalbaar belang en een rechtstreeks belang. Dit laatste vereiste accentueert </para>
      <para>dat er in voldoende mate een onlosmakelijk en direct verband dient te bestaan tussen </para>
      <para>het eigen, persoonlijke en objectief bepaalbare belang waarin betrokkene zich getroffen </para>
      <para>acht en het besluit dat daaraan debet zou zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de ter zitting getoonde kaart van het bestemmingsplan, dat geldt voor de grond </para>
      <para>waarop het bouwplan wordt gerealiseerd, acht de rechtbank het, gezien de ligging van </para>
      <para>het woonhuis van eiser in de […]straat, niet aannemelijk dat eiser vanuit zijn woonhuis </para>
      <para>zicht heeft op (een deel van) het bouwplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door eiser in bezwaar aangevoerde belangen, welke zijn gelegen in de functie van </para>
      <para>het […]plantsoen voor alle wijkbewoners en zijn betrokkenheid bij een groepje </para>
      <para>bewoners, dat activiteiten voor Koninginnedag organiseert zijn geen belangen die </para>
      <para>specifiek eiser aangaan of specifiek door hem (mogen) worden behartigd. Deze </para>
      <para>belangen zijn derhalve geen eigen en persoonlijke belangen van eiser als hiervoor </para>
      <para>bedoeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder acht de rechtbank het, gelet op de ter zitting aan de hand van de even vermelde </para>
      <para>kaart verstrekte toelichting, niet aanneme-lijk dat eiser in of in de directe omgeving van </para>
      <para>zijn woning uitstralende effecten van het bouwplan in de vorm van bijvoor-beeld een </para>
      <para>toename van verkeersbewegingen of parkeren ondervindt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ook overigens niet is gebleken dat eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, </para>
      <para>eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt, had verweerder het bezwaar van eiser </para>
      <para>niet-ontvanke-lijk moeten verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient </para>
      <para>wegens strijd met even genoemd artikel in verbinding met de artikelen 8:1, eerste lid, en </para>
      <para>7:1, eerste lid, alsmede artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernie-tigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing </para>
      <para>van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te doen wat verweerder bij het bestreden </para>
      <para>besluit reeds had behoren te doen, namelijk het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te </para>
      <para>verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is niet gebleken van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten </para>
      <para>betrekking kan hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3 . Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond,</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietig-de besluit, hetgeen in dit </para>
      <para>geval inhoudt dat het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de gemeente Maassluis aan eiser het door hem betaalde griffierecht van </para>
      <para>f 210,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.J. Schoor.</para>
      <para>De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. van Zantvoort als</para>
      <para>griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 1999</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier:           De rechter:</para>
    <para />
    <para>Of</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op: 22 september 1999</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder </para>
      <para>kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak </para>
      <para>van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage. De termijn voor het </para>
      <para>indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag </para>
      <para>na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>