<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:95</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-20T12:22:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AK_26_7_25_3942</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:95">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:95</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-20T10:32:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:95 Rechtbank Overijssel , 13-01-2026 / AK_26_7_25_3942</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:95:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kennelijk niet-ontvankelijk. Beroep te laat ingediend en niet verschoonbaar. Beroep voor een tweede keer ingediend, waarbij eerdere beroep is ingetrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:95:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: ZWO 26/7 en ZWO 25/3942 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de rechtbank en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, uit [woonplaats], </para>
      <para>hierna: [eiser], </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Zwolle</emphasis>,</para>
      <para>hierna: het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak wordt beslist op het beroep van [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van 14 mei 2025, en het daarmee samenhangende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling door de rechtbank en voorzieningenrechter </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van het beroep </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
        <para>De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft eerder, te weten op 21 mei 2025, beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 14 mei 2025. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer: ZWO 25/1441. In dat kader heeft zij verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer: ZWO 25/1537). De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 20 juni 2025 het verzoek afgewezen. Op 24 juni 2025 heeft [eiser] haar beroep van 21 mei 2025 ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 3 januari 2026 heeft [eiser] haar huidige beroep ingesteld. In zijn reactie van 12 januari 2026 heeft het college gesteld dat er geen besluit is en ook geen sprake van een weigering een besluit te nemen. Het college heeft verder gewezen op artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat een beroepschrift ten minste een omschrijving van het besluit bevat waartegen het beroep is gericht. De rechtbank begrijpt deze verwijzing aldus dat naar de mening van het college het beroepschrift aan dit vereiste niet voldoet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank heeft tussen de stukken het besluit van 14 mei 2025 aangetroffen en vervolgens heeft de rechtbank van [eiser] begrepen dat haar beroep zich wederom richt tegen het besluit van 14 mei 2025. [eiser] heeft nog meegedeeld dat zij op 12 juni 2025 reeds beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 14 mei 2025. Uit de gegevens van de rechtbank blijkt niet van een beroep van 12 juni 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat indien [eiser] op 12 juni 2025 beroep zou hebben ingesteld dat zou hebben betekend dat op zij dat moment tegelijkertijd tweemaal tegen hetzelfde besluit beroep zou hebben ingesteld. Immers, heeft zij voor de eerste keer op 21 mei 2025 tegen dat besluit beroep ingesteld en dat beroep pas op 24 juni 2025 ingetrokken. Het is niet mogelijk dat van dezelfde persoon tegelijkertijd twee beroepsprocedures aanhangig zijn tegen hetzelfde besluit. Voor zover [eiser] op 12 juni 2025 een stuk heeft ingediend in het kader van de procedure tegen het besluit van 14 mei 2025 dan zal dat als een stuk in die reeds aanhangige procedure in het dossier zijn opgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat in periode tussen de intrekking van haar beroep op 24 juni 2025 en de indiening van het nieuwe beroepschrift van 3 januari 2026 geen nieuw beroep is ingesteld tegen het besluit van 14 mei 2025. Dat beroepschrift van 3 januari 2026 heeft dan ook te gelden als het startpunt van de huidige beroepsprocedure. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank vastgesteld dat dat beroepschrift ruimschoots na afloop van de beroepstermijn die is verbonden aan het besluit van 14 mei 2025 is ingediend. Immers eindigde die beroepstermijn op 15 juli 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De rechtbank heeft [eiser] met de brief van 6 januari 2026 gevraagd waarom het beroep bij de rechtbank te laat is ingediend. Uit haar mail van 7 januari 2026 (tijdstip: 02:36 uur) begrijpt de rechtbank dat [eiser] – kort samengevat – aangeeft dat haar AVG-dossier groot en complex is, waarbij verschillende bestuursorganen en instanties betrokken zijn, en dat het samenstellen, analyseren en controleren van de gegevens van die bestuursorganen en instanties door de grootte, complexiteit en verschillende cyberincidenten tijdrovend is geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechtbank komt tot het oordeel dat dit geen verontschuldiging is voor het verzuim. Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat het onmogelijk was om binnen de termijn van zes weken beroep in te stellen. Immers heeft zij aanvankelijk ook tijdig beroep ingesteld op 21 mei 2025.  [eiser] had vervolgens ook na de intrekking van haar beroep op 24 juni 2025 tijdig opnieuw beroep in kunnen stellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden, aangezien de beroepstermijn toen nog niet was verstreken. Niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat is geweest. Zij heeft er evenwel niet voor gekozen om nog binnen die beroepstermijn ter veiligstelling van haar rechten wederom beroep in te stellen. Zij heeft daarmee gewacht tot 3 januari 2026. Daardoor is er sprake van een ruime overschrijding van de termijn, namelijk vijf maanden. De termijnoverschrijding komt daarom voor rekening en risico van [eiser]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De rechtbank wijst er daarbij op dat [eiser] eerder in de bezwaarprocedure haar bezwaarschrift drie dagen te laat had ingediend. In beroep heeft de rechtbank toen geoordeeld dat in de omstandigheden van het geval aanleiding diende te worden gevonden om de beperkte overschrijding van de bezwaartermijn met drie dagen, [eiser] niet tegen te werpen. In het onderhavige geval is de termijnoverschrijding echter vijf maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding ook gelet op de omstandigheden die hiervoor in deze rechtsoverweging zijn genoemd, om te oordelen dat ook deze termijnoverschrijding [eiser] redelijkerwijs niet tegengeworpen zou mogen worden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de uitspraak in de beroepsprocedure. Met deze uitspraak van vandaag heeft de rechtbank al beslist op het beroep. Er bestaat daarom geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt om die reden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. [eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
        <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier is niet in </para>
        <para>de gelegenheid deze uitspraak </para>
        <para>te ondertekenen </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>rechter/voorzieningenrechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
        </para>
        <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarin is beslist op het beroep, verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>