<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T12:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12012569 \ CV EXPL  25-2215</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:663">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T12:23:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:663 Rechtbank Overijssel , 10-02-2026 / 12012569 \ CV EXPL  25-2215</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:663:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurachterstand. Ontbinding en ontruiming afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:663:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 12012569 \ CV EXPL  25-2215</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 10 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING VIVERION</emphasis>, </para>
      <para>te Lochem,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de verhuurder,</para>
      <para>gemachtigde: Groothuis Ligtermoet &amp; Nijhuis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de huurder,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 26 november 2025;</para>
      <para>- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 16 december 2025;  </para>
      <para>- de brief van 19 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; </para>
      <para>- de akte van de verhuurder ten behoeve van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling is gehouden op 27 januari 2026. Namens de verhuurder is verschenen mevrouw [naam 1] , vergezeld van [naam 2] , werkzaam bij Groothuis Ligtermoet &amp; Nijhuis gerechtsdeurwaarders &amp; incasso. De huurder is niet verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen heeft de griffier aantekeningen gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De huurder huurt van de verhuurder het woonhuis gelegen aan [adres] te [woonplaats] ( [gemeente] ) tegen een huurprijs van op dit moment € 598,17 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Vast staat dat er een achterstand bestaat in de huurbetalingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De verhuurder vordert  kort gezegd  ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan deze vordering legt de verhuurder ten grondslag dat de huurder zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De huurder heeft de huurachterstand niet betwist. De huurder is het echter niet eens met de gevorderde ontbinding en ontruiming. Eveneens is de huurder het niet eens met het betalen van de proceskosten. Volgens de huurder is er een betalingsregeling getroffen en was de dagvaarding niet nodig geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Ambtshalve toetsing </bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de overeenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde overgelegde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de hoofdsom, gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en/of de gevorderde vergoeding van rente, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval voor de gevorderde hoofdsom en de gevorderde vergoeding van rente maar wel voor de buitengerechtelijke incassokosten. Verwezen wordt naar overweging 4.4.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De huurachterstand </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Bij haar akte ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft de verhuurder de huurachterstand geactualiseerd. Volgens de verhuurder is er sprake van een huurachterstand van € 1.198,04, berekend tot en met januari 2026. Omdat de huurder niet heeft betwist dat hij de huurachterstand moet betalen, is de huurachterstand in beginsel toewijsbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De wettelijke rente </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken, worden toegewezen zoals hierna vermeld, omdat de huurder niet op tijd heeft betaald. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De verhuurder heeft een bedrag van € 217,45 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. </para>
        <para>In artikel 15 van de “Algemene huurvoorwaarden woonruimte Viverion” van 1 januari 2009, is het volgende opgenomen: <emphasis role="italic">“Indien één der partijen een verplichting uit de wet/en of de huurovereenkomst niet nakomt en daardoor de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, zijn alle daaruit voorvloeiende kosten voor rekening van die ene partij. De daarbij door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Deze buitengerechtelijke incassokosten bedragen tenminste 15% van de uit handen gegeven vordering, met een minimum van € 25,- vermeerderd met het geldend BTW-percentage.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt over de oneerlijkheid van het beding het volgende. Het beding suggereert dat vanaf het moment dat de vordering uit handen is gegeven direct incassokosten verschuldigd zijn. Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij <emphasis role="underline">na</emphasis> het intreden van het verzuim een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW genoemde eisen voldoet. Daarnaast moet in het beding de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden genoemd. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 15 van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding ten nadele van de consument afwijkt van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Daarmee wordt het beding als oneerlijk beoordeeld. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. <footnote-ref linkend="_230e0e33-88ac-4b37-8efb-24f02fac4720" />Als gevolg van bovenstaande wordt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat betekent dit voor de huurder? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De huurder moet aan de verhuurder betalen een bedrag van € 964,06 (bestaande uit € 1.198,04 aan huurachterstand tot en met januari 2026 en € 16,02 aan wettelijke rente berekend tot 6 januari 2026 minus een reeds betaald bedrag van € 250,00 (€ 150,00 genoemd in de akte plus € 100,00 door de verhuurder naar voren gebracht op de mondelinge behandeling)), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 964,06 vanaf 6 januari 2026 tot de dag van volledige betaling. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ontbinding en ontruiming.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst </para>
        <para>(HR ECLI:NL:HR:2018:1810). </para>
        <para>Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Als uitgangspunt wordt genomen dat een huurachterstand van drie maanden ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Uit de akte van de verhuurder blijkt dat er onder andere op 24 november 2025 nog een bedrag van € 598,17 aan huur is betaald. De dagvaarding is uitgebracht op </para>
        <para>26 november 2025. Dat betekent dat er op het moment van dagvaarden geen drie maanden, zoals gesteld in de dagvaarding, maar twee maanden aan huur openstond. Daarnaast is ook na de dagvaarding nog ingelopen op de huurachterstand. Er resteert op dit moment, zoals overwogen onder rechtsoverweging 4.6. nog minder dan twee maanden aan (betaling)achterstand. De verhuurder heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de betalingen door de huurder zijn eerdere tekortkoming niet ongedaan maken en daarom blijft de verhuurder bij de gevorderde ontbinding en ontruiming. De kantonrechter is echter van oordeel dat de huurachterstand (minder dan twee maanden) een ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij heeft de kantonrechter ook het woonbelang van de huurder mee laten wegen. Daarnaast is ook niet gesteld en/of gebleken dat sprake is van herhaalde wanprestatie. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Gelet op bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde ontbinding en ontruiming op dit moment moet worden afgewezen, alsmede de gevorderde huur tot ontbinding en de gebruikersvergoeding vanaf de ontbinding tot de ontruiming. De kantonrechter wijst de huurder er wel op dat het structureel en vaker te laat betalen van de huur een grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde kan opleveren en hij ervoor zorg dient te dragen dat de huur tijdig en volledig aan de verhuurder betaald wordt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De proceskosten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt de huurder om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de verhuurder een bedrag van € 964,06 (bestaande uit € 1.198,04 aan huurachterstand tot en met januari 2026 en € 16,02 aan wettelijke rente berekend tot 6 januari 2026 minus € 250,00 (aan betalingen)), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 964,06 vanaf </para>
        <para>6 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door </para>
        <para>mr. M.M. Verhoeven op 10 februari 2026. (ak)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_230e0e33-88ac-4b37-8efb-24f02fac4720" label="1">
    <para>HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>