<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T12:15:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">344567 KG RK  26-76</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:647">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T14:27:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:647 Rechtbank Overijssel , 10-02-2026 / 344567 KG RK  26-76</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:647:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Wraking. Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter zijn recht op verrekening te toetsen ontneemt en hem daarmee het recht op een eerlijk proces ontneemt.</para>
        <para>De wrakingskamer oordeelt dat er geen schijn van partijdigheid is en wijst het verzoek af. Verder stelt de wrakingskamer dat verzoeker nu twee wrakingsverzoeken heeft gedaan die allebei niet zijn gehonoreerd en die hebben geleid tot onredelijke vertragingen van de procedure. Daarom oordeelt de wrakingskamer dat verzoeker het middel tot wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoelt en dus zal de wrakingskamer een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling nemen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:647:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a866f109-f2e2-49b6-86cf-942fb32ef2cc" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9509279e-9fce-4263-8748-13d0cc6cbbd2" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Almelo </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 344567 KG RK  26-76</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 10 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] </emphasis>, handelend onder de naam <emphasis role="bold">[bedrijf], </emphasis></para>
      <para>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>verzoeker tot wraking,</para>
      <para>hierna te noemen: [verzoeker],</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 6 januari 2026 heeft [verzoeker] tijdens een mondelinge behandeling een verzoek tot wraking gedaan van mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek (hierna: de rechter), rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker], geregistreerd onder zaaknummer 341894 FT RK 25/507. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij beslissing van 22 januari 2026 heeft de wrakingskamer dit verzoek ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBOVE:2026:273).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van de in 1.1. genoemde zaak is voortgezet op </para>
        <para>3 februari 2026. [verzoeker] heeft tijdens die mondelinge behandeling opnieuw een verzoek tot wraking van de rechter gedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek van [verzoeker]</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 blijkt het volgende. [verzoeker] heeft aan de rechter gevraagd om zijn tegenvordering te erkennen. Daarop is door de rechter geantwoord dat zij in een schriftelijke uitspraak haar oordeel daarover zal geven. Volgens [verzoeker] weigert de rechter daarmee zijn recht op verrekening te toetsen en ontneemt zij hem daarmee het recht op een eerlijk proces conform artikel 6 EVRM. Hij heeft daarom de rechter gewraakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van de rechter </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechter heeft op 4 februari 2026 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Zij heeft daarin vermeld niet te berusten in het wrakingsverzoek. De rechter vermeldt daarin ook dat tijdens de mondelinge behandeling heeft gezien dat [verzoeker] – net als bij het eerste wrakingsverzoek – zijn wrakingsverzoek van papier voorlas. Dat wijst er volgens de rechter op dat dit verzoek (wederom) was voorbereid. Volgens de rechter wordt het middel van wraking door [verzoeker] alleen gebruikt om uitstel te krijgen. Voor de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 had [verzoeker] namelijk – net als voor de eerste mondelinge behandeling van 6 januari 2026 – om uitstel gevraagd, wat de rechter heeft afgewezen. De gronden die [verzoeker] bij dit verzoek noemt voor de wraking kunnen volgens de rechter niet leiden tot het oordeel dat zij vooringenomen is of dat de schijn van partijdigheid is gewekt. [verzoeker] heeft haar gevraagd om tijdens de zitting een oordeel te geven over zijn tegenvordering. De rechter heeft hem uitgelegd dat zij dat zal doen in haar schriftelijke uitspraak. Dat is volgens de rechter hooguit een procesbeslissing en daar is het middel van wraking niet voor bedoeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Artikel 5, lid 2 sub a van het Wrakingsprotocol rechtbank Overijssel bepaalt dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren als het verzoek kennelijk ongegrond is. De wrakingskamer oordeelt dat deze situatie zich hier voordoet. Daartoe wordt als volgt overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer begrijpt uit het proces-verbaal van de zitting van </para>
        <para>3 februari 2026 dat het verzoek tot wraking van de rechter is gegrond op de beslissing van de rechter om niet tijdens de mondelinge behandeling, maar in een schriftelijke uitspraak een oordeel te geven over de tegenvordering van [verzoeker]. Een dergelijke beslissing is een procedurele beslissing. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In de beslissing van 22 januari 2026 heeft de wrakingskamer al overwogen dat een procedurele beslissing geen grond voor wraking is, tenzij de motivering van de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer oordeelt dat niet is gebleken dat hiervan in dit geval sprake is. Ook valt niet in te zien hoe de procedurele beslissing van de rechter het recht van [verzoeker] op een eerlijk proces schaadt; de rechter heeft immers genoemd dat zij een oordeel over de tegenvordering in de schriftelijke uitspraak zal geven. Dat de rechter haar oordeel niet al tijdens de mondelinge behandeling wil geven, duidt er niet op dat zij partijdig of bevooroordeeld is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Bij e-mail van 5 februari 2026 heeft [verzoeker] gereageerd op de schriftelijke reactie van de rechter en zijn wrakingsgronden aangevuld. Die e-mail van [verzoeker] wordt door de wrakingskamer buiten beschouwing gelaten. Volgens artikel 37 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. Uit die bepaling in samenhang met lid 4 volgt dat alleen nieuwe feiten en omstandigheden die aan de verzoeker pas nadat hij het wrakingsverzoek heeft gedaan, bekend zijn geworden, nog een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. Niet gesteld of gebleken is dat hiervan sprake is. De wrakingsprocedure voorziet niet in de mogelijkheid voor verzoeker om op de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek te reageren. De wrakingskamer laat de e-mail van 5 februari 2026 dan ook buiten beschouwing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft in de in 1.1 genoemde zaak nu twee wrakingsverzoeken gedaan die allebei niet zijn gehonoreerd en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de procedure. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt [verzoeker] het middel van wraking met een ander doel dan waarvoor het is bedoeld. Het middel van wraking is alleen bedoeld voor een partij die twijfelt over of de rechter partijdig en/of vooringenomen is. Door steeds op oneigenlijke gronden wrakingsverzoeken in te dienen, maakt [verzoeker] misbruik van dit middel. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De wrakingskamer </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart het wrakingsverzoek ongegrond,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. U. van Houten, A. Smedes en M.H. van der Lecq in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.E. Raap en uitgesproken op 10 februari 2026. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>de griffier					de voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>