<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-16T15:24:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/08/337338 / HA RK 25-58</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PR-Updates.nl 2026-0044</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:283">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-22T15:20:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:283 Rechtbank Overijssel , 20-01-2026 / C/08/337338 / HA RK 25-58</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:283:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoeker vraagt op grond van het inzagerecht uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om de pensioenfondsen te verplichten om zijn persoonsgegevens toe te sturen die ten grondslag liggen aan de berekening van zijn pensioen. De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk. Het verzoek kan daarom niet inhoudelijk worden beoordeeld. Ook als dat wel het geval zou zijn, had het verzoek moeten worden afgewezen omdat verzoeker zijn persoonsgegevens al heeft ontvangen en niet heeft uitgelegd welke gegevens hij nog mist.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:283:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Overijssel</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/08/337338 / HA RK 25-58</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 20 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,</para>
      <para>verschenen in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>de stichting STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK, </title>
    <parablock>
      <para>    gevestigd in Den Haag,<?linebreak?>2. de stichting <emphasis role="bold">STICHTING PME PENSIOENFONDS</emphasis>, </para>
      <para>    gevestigd in Groningen,</para>
      <para>verwerende partijen, </para>
      <para>hierna te noemen: PMT, respectievelijk PME, en beide samen: de Pensioenfondsen,</para>
      <para>advocaten: mrs. E. Lutjens en R.E. van Schaik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Samenvatting</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze zaak verzoekt [verzoeker] om de Pensioenfondsen op basis van het inzagerecht uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) te verplichten om hem zijn persoonsgegevens toe te sturen. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook wanneer de rechtbank wel aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek zou toekomen, het verzoek eveneens zou worden afgewezen. In deze beschikking legt de rechtbank deze beslissing uit.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift met bijlagen van [verzoeker] , ontvangen op 14 augustus 2025;</para>
      <para>- het verweerschrift met bijlagen van PMT;</para>
      <para>- het verweerschrift met bijlagen van PME;</para>
      <para>- de e-mail van 19 november 2025 met de pleitnota en aanvullende bijlagen van [verzoeker] ;</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waar van de zijde van de Pensioenfondsen een pleitnota is overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een beschikking zal volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij e-mail van 29 november 2025 heeft [verzoeker] zijn verzoek om inzage in de berekeningen ingetrokken en alleen nog zijn verzoek om inzage in de onderliggende persoonsgegevens gehandhaafd. De Pensioenfondsen hebben bij e-mail van 3 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het in behandeling nemen van de e-mail. Met inachtneming van artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat de rechtbank de vermindering van het verzoek toe. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waar deze zaak over gaat</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Sinds 1 juli 2023 is de nieuwe Pensioenwet van kracht. Alle pensioenuitvoerders moeten de komende jaren overstappen op het nieuwe pensioenstelsel en uitvoering geven aan een gewijzigde pensioenregeling (de transitie). Eén van de verplichte wijzigingen die uit de nieuwe wet voortvloeit is dat een pensioenregeling alleen nog het karakter van een premieovereenkomst mag hebben. Daarom moet een collectieve waardeoverdracht plaatsvinden van de opgebouwde pensioenen naar een aanspraak volgens de nieuwe premieovereenkomsten. Bestaande rechten worden op die manier naar de nieuwe regeling overgezet. Dat wordt ‘invaren’ genoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [verzoeker] is pensioendeelnemer bij PME en PMT. Op 23 juni 2025 heeft [verzoeker] PMT per e­mail verzocht om:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“1.	alle berekeningen te sturen die ten grondslag liggen aan de hoogte van mijn huidige pensioenuitkering en te voorzien van een uitgebreide uitleg op basis van de uitspraken van minister Koolmees. Ook met een bevestiging van de juistheid en volledigheid van de te ontvangen informatie. Dat is omdat ik mijn controle over het besluit tot invaren moet kunnen baseren op de juistheid en volledigheid van de huidige situatie.</para>
        <para>  2.	een opgave hoe mijn huidige pensioen er volgens verwachting van het pensioenfonds over 10 jaar uitziet en hoe hoog mijn pensioen dan wordt als het meezit en als het tegenzit.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op 23 juni 2025 heeft [verzoeker] eenzelfde verzoek aan PME gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>PMT heeft de verzoeken van [verzoeker] per e-mail van 26 juni 2025 en PME heeft de verzoeken van [verzoeker] per e-mail van 2 juli 2025 afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In deze verzoekschriftprocedure heeft [verzoeker] – na vermindering van zijn verzoek – de rechtbank verzocht om de Pensioenfondsen op basis van het inzagerecht te verplichten om hem zijn persoonsgegevens toe te sturen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De Pensioenfondsen hebben verweer gevoerd. Zij verzoeken om [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van dit verzoek zijn de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) van belang. De AVG heeft onder andere als doel om  natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Op grond hiervan heeft een betrokkene het recht om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld in te zien en om dat recht tot inzage eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. De UAVG geeft nader invulling aan de uitvoering van de AVG, onder andere door te bepalen hoe een verzoek om inzage kan plaatsvinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op het inzagerecht uit artikel 15 van de AVG en artikel 35 van de UAVG. [verzoeker] wil zijn persoonsgegevens kunnen controleren. In het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) is volgens [verzoeker] niet zichtbaar welke persoonsgegevens de Pensioenfondsen voor de berekening van zijn pensioen gebruiken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Volgens de Pensioenfondsen is [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek, omdat hij voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift geen verzoek als bedoeld in artikel 15 jo. artikel 35 van de UAVG bij de Pensioenfondsen heeft gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 lid 1 van de AVG kan een betrokkene aan een verwerker van persoonsgegevens verzoeken om inzage te verkrijgen in de persoonsgegevens die worden verwerkt. Op grond van artikel 35 lid 1 en 2 UAVG kan de betrokkene, in geval van afwijzing van zo’n verzoek, binnen zes weken de rechtbank verzoeken om het verzoek te beoordelen. Beoordeeld moet worden of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek. De vraag is of de Pensioenfondsen eerst een afwijzende beslissing hebben genomen op een inzageverzoek.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>
        [verzoeker] heeft de Pensioenfondsen in de e-mails van 23 juni 2025 verzocht om:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">alle berekeningen te sturen die ten grondslag liggen aan de hoogte van [zijn] huidige pensioenuitkering</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">een opgave van zijn huidige pensioen en het pensioen over 10 jaar</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In reactie daarop hebben de Pensioenfondsen in hun e-mailberichten van 26 juni 2025 en 2 juli 2025 uitgelegd dat zij geen berekeningen zullen verstrekken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens. Uit zijn verzoeken aan de Pensioenfondsen volgt namelijk dat [verzoeker] geen verzoek heeft gedaan aan de Pensioenfondsen om inzage in zijn persoonsgegevens en dus ook niet heeft gevraagd om een beslissing daarover. Het verzoek in de e-mails aan de Pensioenfondsen bevat alleen een verzoek om een pensioenberekening en een opgave van zijn pensioen. Bij gebreke van een inzageverzoek in persoonsgegevens en een beslissing daarover van de Pensioenfondsen, kan gelet op artikel 35 lid 1 UAVG geen inzageverzoek worden ingediend bij de rechtbank. Een gegevensverwerker (het pensioenfonds) moet eerst voorafgaand aan de procedure een beslissing (kunnen) nemen over een inzageverzoek. [verzoeker] is dan ook niet ontvankelijk in zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens bij de rechtbank.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verzoek van [verzoeker]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat het verzoek van [verzoeker] ook bij een inhoudelijke beoordeling zou worden afgewezen. De rechtbank begrijpt het verzoek van [verzoeker] zo dat hij de persoonsgegevens wil ontvangen die de Pensioenfondsen gebruiken voor de pensioenberekeningen. De Pensioenfondsen hebben ter zitting echter toegelicht dat de persoonsgegevens die voor de pensioenberekeningen worden gebruikt al kenbaar zijn voor [verzoeker] . Zijn persoonsgegevens zijn zichtbaar in de digitale omgeving van de Pensioenfondsen en in het UPO dat jaarlijks wordt verstrekt. Die gegevens worden aan [verzoeker] als pensioengerechtigde verstrekt zodat hij die gegevens kan controleren. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek nog een overzicht van een andere pensioengerechtigde overgelegd waarin meer persoonsgegevens staan vermeld. [verzoeker] heeft daarbij echter niet weersproken dat hij dit soort overzichten zelf ook ontvangt of kan inzien. Desgevraagd heeft [verzoeker] ook niet concreet kunnen toelichten welke gegevens hij mist die wel in dat overzicht staan vermeld, of welke gegevens hij niet kan controleren. De Pensioenfondsen hebben in reactie hierop bovendien toegelicht dat het feit dat het overzicht van [verzoeker] minder lang is, niet betekent dat er in het overzicht van [verzoeker] persoonsgegevens missen. Het overzicht dat [verzoeker] ontvangt in zijn digitale omgeving bij de Pensioenfondsen is bijvoorbeeld minder uitgebreid, omdat hij een ander arbeidsverleden heeft en nog niet zo lang bij de Pensioenfondsen, althans bij PME, is aangesloten. Mogelijk zijn de gegevens niet in te zien op een wijze zoals [verzoeker] wenst (hij vindt de informatie in de pensioenomgeving onduidelijk en moeilijk toetsbaar), maar dat neemt niet weg dat hij wel inzage in de gebruikte gegevens heeft. Het verzoek van [verzoeker] om inzage in zijn persoonsgegevens zou daarom eveneens op inhoudelijke gronden worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoeker] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten van de Pensioenfondsen betalen zoals de Pensioenfondsen hebben verzocht. De Pensioenfondsen worden door dezelfde advocaten vertegenwoordigd en hebben grotendeels gelijkluidende verweren gevoerd en een grotendeels gelijkluidende conclusie ingediend. De proceskosten worden daarom begroot op:</para>
        <para>griffierecht		€    714,00</para>
        <para>salaris advocaat		€ 1.228,00 (2 punten (verweerschrift en zitting) x tarief € 614,00)</para>
        <para>nakosten		<emphasis role="underline">€    178,00</emphasis> (plus eventuele kosten van betekening) </para>
        <para>totaal			€ 2.120,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van de Pensioenfondsen, begroot op € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 aan salaris advocaat en de kosten van betekening van deze beschikking als [verzoeker] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026. (SB)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>