<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:2729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-01T11:07:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">84.053874.21 (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026052707</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0950</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2729">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-21T16:29:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:2729 Rechtbank Overijssel , 07-04-2026 / 84.053874.21 (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:2729:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en het betalen van een geldboete van € 50.000,-.</para>
        <para>De verdachte is schuldig bevonden aan belastingfraude, meermalen gepleegd en opzettelijk gebruikmaken van valse of vervalste geschriften.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:2729:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 84.053874.21 (P)</para>
      <para>Datum vonnis: 7 april 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] (Egypte),</para>
      <para>vertrokken onbekend waarheen (VOW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman mr. R.A. Bruinsma, advocaat in Amsterdam, namens verdachte naar voren is gebracht. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 23 maart 2026, kort en bondig, op neer dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 1</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis> in de periode van 7 juni 2019 tot en met 16 mei 2021 opzettelijk de aangiften voor de</para>
      <para>inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 en 2018 niet tijdig heeft gedaan, zodat te weinig belasting zou worden geheven;</para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 2</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis> in de periode van 13 juli 2020 tot en met 20 augustus 2020 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse of vervalste geschriften en deze geschriften opzettelijk voorhanden heeft gehad;</para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 3</emphasis>: op 19 augustus 2020 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">1</emphasis>
      </para>
      <para>hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juni 2019 tot en met 16 mei 2021 in de gemeenten Amsterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,</para>
      <para>telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 en/of 2018,</para>
      <para>(telkens) niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan (zie DOC-073, p. 1541), terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">2</emphasis>
      </para>
      <para>hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juli 2020 tot en met</para>
      <para>20 augustus 2020 in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland,</para>
      <para>(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer valse en/of vervalste</para>
      <para>geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware(n) het/deze echt en onvervalst,</para>
      <para>en/of</para>
      <para>deze valse of vervalste geschriften opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze/dit geschrift(en) bestemd waren/was voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>- een WhatsApp-bericht afkomstig van [naam 1] (zie DOC-027, p. 1451-1452), en/of</para>
    <para>- een telefoonbericht afkomstig van [naam 1] (zie DOC-027, p. 1450),</para>
    <parablock>
      <para>bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, voornoemd WhatsApp-bericht op </para>
      <para>13 juli 2020 en/of voornoemd telefoonbericht (als screenprint) op 20 augustus 2020 aan [naam 2] heeft doorgestuurd,</para>
      <para>bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat voornoemd WhatsApp-bericht en/of telefoonbericht niet door [naam 1] is/zijn opgesteld en/of aan hem, verdachte, is/zijn verzonden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">3</emphasis>
      </para>
      <para>hij op of omstreeks 19 augustus 2020 in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland,</para>
      <para>opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een e-mail d.d. 21 februari 2020 afkomstig van </para>
      <para>J. (Jan) [naam 1], rechercheur bij de FIOD te Amsterdam (zie DOC-025, p. 1447-1448),</para>
      <para>als ware dat geschrift echt en onvervalst,</para>
      <para>bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, voornoemde e-mail op 19 augustus 2020 aan [naam 2] heeft doorgestuurd,</para>
      <para>bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat de (originele) e-mail d.d. 21 februari 2020 die door [naam 1] is verzonden aan hem, verdachte, een andere inhoud bevat dan de e-mail die hij, verdachte, op 19 augustus 2020 heeft doorgestuurd aan [naam 2].</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De bewijsmotivering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen bewijsverweren gevoerd. Van het onder 2 en 3 ten laste gelegde dient verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken, omdat het niet verdachte is geweest de geschriften naar </para>
        <para>
          [naam 2] heeft gestuurd en [naam 2] evenmin nadeel heeft geleden door het ontvangen van die geschriften.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft bij de Belastingdienst/FIOD bekend het onder 1 ten laste gelegde te hebben gepleegd en namens hem is ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen<footnote-ref linkend="_8fbd0bc9-e05e-458b-8e1c-b9760c0599ad" /> tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 juli 2021 met documentcode V-001-03;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke bescheiden met documentcodes DOC-009, DOC-015 en DOC-016, te weten de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de schriftelijke bescheiden met documentcodes DOC-010, DOC-019 en DOC-020, te weten de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2018.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank komt op grond van de hieronder opgenomen feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De feiten en omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [naam 2] (hierna: [naam 2]) heeft verklaard dat hij leningen aan (ondernemingen van) verdachte heeft verstrekt voor een totaalbedrag van € 1.200.000,--.<footnote-ref linkend="_160b6ac3-32f2-461e-a15e-1e105586f983" />[naam 2] maakte zich zorgen over de terugbetaling van deze leningen. In een door [naam 2] opgesteld feitenrelaas<footnote-ref linkend="_0e7b6008-76f7-4ad8-a8a7-070fc8bc3328" /> heeft hij geschetst dat verdachte hem geruststelde door te stellen dat dat hij een deal had met een hoofd van de FIOD. Er zouden bedragen mogen worden verrekend met een vennootschap op naam van [naam 2]. Verdachte adviseerde hoe een bedrag van € 400.000,-- terug mocht worden gevorderd middels uitgestelde BTW. Dit kon met instemming van de FIOD. [naam 2] heeft verdachte daarop verzocht om bewijs van deze afspraak met de FIOD.<footnote-ref linkend="_793103cb-5cad-4cec-ab2b-164514507d23" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 13 juli 2020 heeft [naam 2] via WhatsApp een bericht van verdachte ontvangen. Dit betrof een doorgestuurd bericht, gericht aan verdachte met als inhoud dat hij voor deze periode een bedrag met een maximum van € 75.000,-- kan indienen. Dit bericht is ondertekend met de initialen [naam 1].<footnote-ref linkend="_77e69cbd-7b8d-471c-95ff-8ec045b97c30" /></para>
        <para>Vervolgens ontving [naam 2] op 19 augustus 2020 een e-mailbericht van verdachte.<footnote-ref linkend="_1d74478e-8532-4700-b000-4e0b69cec5a0" /> Dit bericht bevat een doorgestuurd bericht dat op 21 februari 2020 om 11:13 uur is verzonden door [e-mailadres 1] aan [e-mailadres 2]. Het onderwerp van de e-mail is “Voorstel conform gesprek 17-02-2020”. De strekking van het bericht van 19 augustus 2020 is dat verdachte een vergoeding van € 400.000,-- krijgt voor het verschaffen van informatie in een (ander) strafrechtelijk onderzoek. Dit bedrag zou in overleg worden uitbetaald in vijf gelijke termijnen in het kader van de aangifte omzetbelasting. Dit bericht is ondertekend door [naam 1], rechercheur Team Bestrijding Witwassen.<footnote-ref linkend="_a6b6cf27-bb42-472f-8a4b-d0d8c85edae3" /> Het viel [naam 2] op dat er spelfouten in de e-mail stonden. [naam 2] stuurde naar verdachte dat de persoon waarschijnlijk dyslectisch was, waarop verdachte antwoordt dat de schrijver van de mail aan zijn pensioen toe was. Daarnaast krijgt [naam 2] op 20 augustus 2020 via WhatsApp een bericht van verdachte.<footnote-ref linkend="_921741e0-3767-4761-b931-26a26db3483a" /> Dit bericht is gericht aan verdachte en ondertekend met de initialen [naam 1] en houdt in dat de uitbetaling is geaccordeerd en dat verdachte deze uitbetaling begin september kan verwachten.<footnote-ref linkend="_d5640863-220c-47cb-a652-37fee0b41128" /></para>
        <para>
          [naam 2] heeft verder verklaard dat hij nooit toegang heeft gehad tot e-mailaccounts [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3]. [naam 2] heeft ook nooit toegang gehad tot de telefoon en laptop van verdachte.<footnote-ref linkend="_74df890b-7a65-40a0-a689-05a5aff197ac" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [naam 1] (hierna: [naam 1]), werkzaam bij de FIOD in Amsterdam heeft verklaard dat hij op 17 februari 2020 samen met collega [naam 3] een gesprek met verdachte heeft gehad over informatie die verdachte eventueel zou kunnen geven in een ander onderzoek. Om aan te geven wat het onderwerp van gesprek was en hoe het verlopen is heeft [naam 1] op </para>
        <para>17 februari 2020 een mail naar verdachte en in kopie aan [naam 3] gestuurd. Dat is de enige mail die hij aan verdachte heeft verstuurd. De mail van 19 augustus 2020, met daarin de doorgestuurde e-mail van 21 februari 2020 is niet de e-mail die [naam 1] naar verdachte heeft gestuurd. Ook de door [naam 2] ontvangen telefoon- en WhatsAppberichten zijn niet door [naam 1] verstuurd. [naam 1] heeft nooit gechat of via telefonische berichten contact gehad met verdachte.<footnote-ref linkend="_5198cd14-b60e-4341-b4a4-0ba8810687f1" /> [naam 3] heeft de mail van [naam 1] van 21 februari 2020 ontvangen en de inhoud daarvan is niet gelijk aan de e-mail van 19 augustus, met daarin de doorgestuurde e-mail van 21 februari 2020.<footnote-ref linkend="_51299cde-a1b8-4783-b290-8e91a805ed31" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het onderzoek van de FIOD blijkt dat verdachte de mail van 17 februari 2020 van [naam 1] in zijn Gmail-account heeft geopend in de modus “doorsturen”. In deze modus heeft verdachte vervolgens de originele datum, het originele onderwerp en de originele inhoud van de e-mail bewerkt. Na bewerking van deze gegevens heeft verdachte de e-mail naar zijn Proton-e-mailaccount [e-mailadres 3] verzonden. Bovenaan in de e-mail is immers te zien dat deze via ProtonMail is verstuurd. De e-mail is geschreven op woensdag 19 augustus 2020 om 22:09 uur door een gebruiker genaamd [verdachte]  met het e-mailadres [e-mailadres 2]. Vervolgens is de bewerkte e-mail vanuit het Proton-e-emailaccount van verdachte aan [naam 2] zijn verzonden, nu vastgesteld kan worden dat de mail van19 augustus 2020 is verzonden met Proton Mail Secure Email.<footnote-ref linkend="_1a60e154-33c4-4db8-8059-7b7018c583b9" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres] zijn de iPhone SE, iPhone XR en Microsoft Surface Book Pro van verdachte in beslag genomen. Uit het onderzoek aan de iPhone SE van verdachte blijkt dat verdachte op 13 juli 2020 een WhatsApp-bericht met zijn Amerikaanse telefoonnummer naar zijn Nederlandse telefoonnummer heeft verzonden. Dit bericht, inhoudende dat verdachte voor deze periode een bedrag met een maximum van € 75.000,-- kan indienen, stuurde verdachte op 13 juli 2020 door naar [naam 2]. Daarnaast is op de iPhone SE van verdachte een foto van het e-mailbericht van 19 augustus 2020 aangetroffen. Uit de metadata volgt dat de foto is gemaakt met een iPhone SE. De foto van het e-mailbericht is op 27 augustus 2020, via WhatsApp, verzonden van de iPhone SE van verdachte naar de IPhone XR van verdachte.  Daarnaast is op de telefoon van verdachte een gesprek tussen verdachte en [naam 2] met exact dezelfde inhoud van 20 augustus 2020 aangetroffen als waarover [naam 2] in zijn feitenrelaas melding heeft gemaakt.<footnote-ref linkend="_2bfc4059-f2bb-4411-a5f8-e5f9f9432ff6" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op de iPhone XR van verdachte zijn daarnaast twee screenshots aangetroffen. Dit betreffen screenshots van een bericht, ondertekend met de initialen [naam 1] en inhoudend dat de uitbetaling is geaccordeerd en dat verdachte deze uitbetaling begin september kan verwachten. Het screenshot is op 20 augustus 2020 door verdachte verstuurd naar [naam 2].<footnote-ref linkend="_b14fae0f-b380-4b71-8b25-85b8e8e398d1" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Overwegingen en oordeel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de door [naam 2] op 13 juli 2020 en 20 augustus 2020 ontvangen berichten vals zijn. Deze berichten zouden afkomstig zijn van [naam 1], werkzaam bij de FIOD in Amsterdam. Uit de verklaring van [naam 1] volgt echter dat deze berichten niet van hem afkomstig zijn en dat de inhoud van deze berichten dus in strijd met de waarheid is. Hetzelfde geldt voor de e-mail die [naam 2] op 19 augustus 2020 heeft ontvangen, waarvan [naam 1] heeft verklaard dat deze niet overeenkomt met de e-mail die hij op 17 februari 2020 aan verdachte heeft verzonden. De mail van 17 februari 2020 is op </para>
        <para>19 augustus 2020 bewerkt en doorgestuurd naar [naam 2] en is dus een vervalst geschrift. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft ontkend dat hij de voornoemde telefoon- en WhatsApp-berichten en de e-mail naar [naam 2] heeft gestuurd en heeft in zijn zesde verhoor verklaard dat [naam 2] toegang had tot de telefoon, het mailaccount en de laptop van verdachte. Hiermee lijkt verdachte te impliceren dat [naam 2] de berichten en de e-mail naar zichzelf heeft gestuurd. Dit door verdachte geschetste scenario is op voorhand al onwaarschijnlijk, nu verdachte in zijn eerste verhoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat niemand toegang heeft tot zijn laptop en telefoon. Daarbij valt.niet  in te zien wat het belang van [naam 2] zou zijn om de berichten en e-mail naar zichzelf te sturen. Daarentegen had verdachte wel een belang om de berichten naar [naam 2] te sturen, namelijk om [naam 2] gerust te stellen dat de verstrekte leningen zouden worden terugbetaald. De verklaring van verdachte wordt bovendien weerlegd door de verklaring van [naam 2] en de op de telefoons van verdachte aangetroffen gegevens. Uit de verklaring van [naam 2] volgt dat hij nooit toegang heeft gehad tot de e-mailaccounts, telefoon of laptop van verdachte. Daarnaast hebben verdachte en [naam 2] op 20 augustus 2020 contact over spelfouten in de mail van 19 augustus 2020, wat naar het oordeel van de rechtbank niet past bij het scenario dat [naam 2] de mail naar zichzelf heeft gestuurd. Op iPhone SE van verdachte is bovendien een foto van de vervalste e-mail aangetroffen, die hij op 27 augustus 2020 via WhatsApp van zijn iPhone SE naar zijn iPhone XR heeft verzonden. Ook heeft verdachte op 13 juli 2020 een WhatsApp-bericht met zijn Amerikaanse telefoonnummer naar zijn Nederlandse telefoonnummer verzonden. Dit valse bericht heeft verdachte diezelfde dag doorgestuurd naar [naam 2]. Op de iPhone XR van verdachte is daarnaast het valse screenshot aangetroffen. Dit screenshot is op 20 augustus 2020 door verdachte naar [naam 2] verzonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte doelbewust de valse telefoon- en WhatsApp-berichten en de vervalste e-mail heeft gebruikt met het misleidende motief om [naam 2] te doen geloven dat verdachte – door een deal met de FIOD – de aan hem verstrekte leningen kon terugbetalen. Hoewel [naam 2] hierdoor geen directe financiële schade heeft geleden, is hij wel misleid over de terugbetaling van de door hem verstrekte leningen en in die zin dus zeker wel benadeeld. </para>
        <para>De rechtbank merkt overigens op dat in de delictsomschrijving van artikel 225 Sr ook niet de eis wordt gesteld dat het gebruik van een vals of vervalst geschrift tot enige benadeling van een derde moet hebben geleid. Daarmee is het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">1</emphasis>
        </para>
        <para>hij in de periode van 7 juni 2019 tot en met 16 mei 2021 in Nederland,</para>
        <para>telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 en 2018,</para>
        <para>(telkens) niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">2</emphasis>
        </para>
        <para>hij in de periode van 13 juli 2020 tot en met 20 augustus 2020 in Nederland,</para>
        <para>(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, en deze valse geschriften opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, te weten:</para>
      </parablock>
      <para>- een WhatsApp-bericht afkomstig van [naam 1], en</para>
      <para>- een telefoonbericht afkomstig van [naam 1],</para>
      <parablock>
        <para>bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd WhatsApp-bericht op </para>
        <para>13 juli 2020 en voornoemd telefoonbericht als screenprint op 20 augustus 2020 aan [naam 2] heeft doorgestuurd, bestaande die valsheid hierin dat voornoemd WhatsApp-bericht en telefoonbericht niet door [naam 1] zijn opgesteld en aan hem, verdachte, zijn verzonden;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">3</emphasis>
        </para>
        <para>hij op 19 augustus 2020 in Nederland, </para>
        <para>opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een e-mail d.d. 21 februari 2020 afkomstig van J. (Jan) [naam 1], rechercheur bij de FIOD te Amsterdam, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemde e-mail op 19 augustus 2020 aan [naam 2] heeft doorgestuurd,</para>
        <para>bestaande die vervalsing hierin dat de (originele) e-mail d.d. 21 februari 2020 die door [naam 1] is verzonden aan hem, verdachte, een andere inhoud bevat dan de e-mail die hij, verdachte, op 19 augustus 2020 heeft doorgestuurd aan [naam 2].</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 1</emphasis>
      </para>
      <para>het misdrijf: <emphasis role="bold">opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>de misdrijven: <emphasis role="bold">opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd</emphasis>, en <emphasis role="bold">opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit 3</emphasis>
      </para>
      <para>het misdrijf: <emphasis role="bold">opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De op te leggen straf of maatregel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft verzocht, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, de eis van de officier van justitie te matigen en aan verdachte een geldboete op te leggen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De gronden voor een straf of maatregel</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. </para>
        <para>De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De aard en de ernst van de gepleegde feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 en 2018 niet tijdig gedaan, zodat te weinig belasting werd geheven. Uit het dossier volgt dat het belastingnadeel over 2017 is berekend op een bedrag van € 72.179,--. Het nadeel over 2018 kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Belastingplichtigen in deze maatschappij betalen belasting om overheidsuitgaven te kunnen bekostigen die worden gebruikt om bepaalde voorzieningen voor burgers te financieren. Het handelen van verdachte heeft de Belastingdienst en daarmee de samenleving benadeeld en kan uiteindelijk leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en gebruikmaken van valse geschriften en ook het gebruiken van een vervalst geschift, door te doen voorkomen dat deze geschriften afkomstig waren van [naam 1], werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD. Met het gebruik van deze geschriften wilde verdachte bij [naam 2] de indruk wekken dat verdachte een overeenkomst had met de Belastingdienst/FIOD, waarmee hij de door [naam 2] verstrekte geldleningen kon terugbetalen. Op die manier heeft verdachte op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer wordt gesteld in schriftelijke stukken. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij daarbij de reputatie van de Belastingdienst/FIOD, en in het bijzonder die van [naam 1], ernstig heeft geschaad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De persoon van verdachte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het strafblad van verdachte van 18 maart 2026 volgt dat hij de afgelopen jaren niet voor enig strafbaar feit is veroordeeld. In 2012 is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens witwassen, waarvoor in 2015 gratie is verleend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte een baan heeft en de zorg draagt voor zijn ernstig zieke zoon. Vanwege de ziekte van zijn zoon, een burn-out van zijn ex-partner en de beschieting van zijn woning heeft verdachte dubbele PTSS en is hij getraumatiseerd, zo heeft verdachte tegen de Belastingdienst/FIOD verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Overschrijding van de redelijke termijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. </para>
        <para>Verdachte is op 19 juli 2021 aangehouden en als verdachte verhoord. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis betreft 7 april 2026, wat een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en bijna negen maanden betekent. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmodaliteit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De strafoplegging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die bij een fraude-benadelingsbedrag van € 70.000,-- tot € 125.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf inhouden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. De rechtbank zal echter, rekening houdend met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, kiezen voor een andere strafmodaliteit. Gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, namelijk het oogmerk van financieel gewin, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een forse geldboete op te leggen. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten gaat plegen, zal de rechtbank daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegend zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren worden opgelegd. Daarnaast zal de rechtbank een geldboete van € 50.000,-- aan verdachte opleggen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De inbeslaggenomen voorwerpen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde zaken, te weten visitekaartjes, debet kaarten en administratie heeft de officier van justitie medegedeeld dat deze goederen aan verdachte worden teruggegeven, zodat in hieromtrent geen beslissing hoeft te worden genomen door de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De toegepaste wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 57 en 225 Sr en artikel 69 AWR.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">strafbaarheid feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1</para>
      <para>het misdrijf: <emphasis role="bold">opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2</para>
      <para>de misdrijven: <emphasis role="bold">opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd</emphasis>, en <emphasis role="bold">opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3</para>
      <para>het misdrijf: <emphasis role="bold">opzettelijk gebruikmaken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">strafbaarheid verdachte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">straf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">4 (vier) maanden</emphasis>;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze gevangenisstraf <emphasis role="bold">in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd</emphasis>, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de <emphasis role="bold">proeftijd van 2 (twee) jaren</emphasis> de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt als <emphasis role="bold">algemene voorwaarde</emphasis> dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt verdachte daarnaast tot betaling van <emphasis role="bold">een geldboete van € 50.000,-- (vijftigduizend euro)</emphasis>;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van <emphasis role="bold">225 (tweehonderdvijfentwintig) dagen</emphasis>.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Stam en </para>
      <para>mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Buiten staat</emphasis>
      </para>
      <para>mr. H. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
      <para>mr. J. van Bruggen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8fbd0bc9-e05e-458b-8e1c-b9760c0599ad" label="1">
    <para>Indien hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Zwolle, genaamd Dudley, met onderzoeksnummer 68732. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_160b6ac3-32f2-461e-a15e-1e105586f983" label="2">
    <para> G-004-1, pagina’s 250 tot en met 261.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e7b6008-76f7-4ad8-a8a7-070fc8bc3328" label="3">
    <para> DOC-008, pagina’s 1394 tot en met 1399.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_793103cb-5cad-4cec-ab2b-164514507d23" label="4">
    <para> DOC-008, pagina’s 1398, 2e alinea.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_77e69cbd-7b8d-471c-95ff-8ec045b97c30" label="5">
    <para> DOC-027, pagina 1451 en 1452.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d74478e-8532-4700-b000-4e0b69cec5a0" label="6">
    <para> G-004-1, pagina’s 250 tot en met 261.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6b6cf27-bb42-472f-8a4b-d0d8c85edae3" label="7">
    <para> DOC-025, pagina 1447.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_921741e0-3767-4761-b931-26a26db3483a" label="8">
    <para> G-004-1, pagina’s 250 tot en met 261</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5640863-220c-47cb-a652-37fee0b41128" label="9">
    <para> DOC-027, pagina 1450.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74df890b-7a65-40a0-a689-05a5aff197ac" label="10">
    <para> G-004-1, pagina’s 250 tot en met 261.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5198cd14-b60e-4341-b4a4-0ba8810687f1" label="11">
    <para> G-001, pagina’s 219 tot en met 223.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51299cde-a1b8-4783-b290-8e91a805ed31" label="12">
    <para>G-002, pagina’s 238 tot en met 242.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a60e154-33c4-4db8-8059-7b7018c583b9" label="13">
    <para> AMB-027, pagina’s 448 tot en met 452.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bfc4059-f2bb-4411-a5f8-e5f9f9432ff6" label="14">
    <para> AMB-021, pagina 407 tot en met 416.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b14fae0f-b380-4b71-8b25-85b8e8e398d1" label="15">
    <para> AMB-022, pagina’417 tot en met 430.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>