<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:1337</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-16T11:18:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/08/335103 / HA ZA 25-205</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1337">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1337</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-16T11:17:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:1337 Rechtbank Overijssel , 11-03-2026 / C/08/335103 / HA ZA 25-205</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:1337:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser en gedaagden zijn buren. De tuin van eiser is volledig ingesloten, onder meer door de tuin van gedaagden. Deze zaak gaat over de vraag of eiser een recht van overpad heeft om door de tuin van gedaagden naar een oprit te mogen lopen en weer terug.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:1337:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Overijssel</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/08/335103 / HA ZA 25-205</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 11 maart 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonend in [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>advocaat: mr. J.F. Vanhommerig,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] , </title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>, </para>
      <para>beiden wonende in [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde partijen,</para>
      <para>samen te noemen: [gedaagden] ,</para>
      <para>advocaat: mr. G.W. Weenink.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de volgende stukken gelezen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding (producties 1 t/m 5);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord (producties 1 t/m 9);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bericht van 15 januari 2026 met een aanvullende productie (productie 10) van [gedaagden] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte wijziging/aanvulling van eis van 22 januari 2026.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 28 januari 2026 heeft aan de [adres 1] en [adres 2] een gerechtelijke plaatsopneming plaatsgevonden. Aansluitend op deze plaatsopneming heeft in het kantongerecht in Enschede de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij de plaatsopneming en de mondelinge behandeling waren aanwezig [eiser] , bijgestaan door mr. J.F. Vanhommerig, en [gedaagden] , bijgestaan door mr. G.W. Weenink. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Tot slot is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] is eigenaar van [adres 1] en [gedaagden] is eigenaar van [adres 2] . De tuin van [eiser] is volledig ingesloten, onder meer door de tuin van [gedaagden] Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] een recht van overpad heeft om door de tuin van [gedaagden] naar de oprit van [adres 3] te mogen lopen en weer terug.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vorderingen van [eiser]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij akte van 22 januari 2026 heeft [eiser] de rechtbank verzocht om haar toe te laten haar eis te veranderen. [gedaagden] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling uitgelaten over de verandering van eis en zich daar niet tegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat de eiswijziging niet in strijd is met de goede procesorde en zal de eiswijziging daarom toelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] vraagt – in woorden van gelijke strekking – in deze zaak, na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. een verklaring voor recht dat [eiser] een recht van overpad heeft over het perceel, [adres 2], door verjaring of anders door vestiging;</para>
        <para>II. <emphasis role="underline">primair</emphasis>: [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:</para>
        <para>a. het recht van overpad volledig te herstellen,</para>
        <para>b. een sleutel van de poort te overhandigen aan [eiser] ,</para>
        <para>c. eventuele fysieke belemmeringen te verwijderen,</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">subsidiair: </emphasis>
          [gedaagden] te veroordelen om:</para>
        <para>a. [eiser] tenminste eenmaal per week toegang te geven tot haar perceel via het terrein van [adres 2] , uitsluitend en alleen om containers aan straat te zetten en weer terug te plaatsen in de tuin, om (groot) tuinonderhoud te (laten) verrichten aan haar achtergelegen tuin, alsmede om onderhoud te kunnen (laten) plegen aan haar woning, althans een zodanige voorziening te treffen die de rechtbank in goede justitie en redelijkheid passend acht,</para>
        <para>b. daartoe, het toegangshek/de poort te openen, aan [eiser] de daarvoor benodigde sleutel ter beschikking te stellen, </para>
        <para>c. dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dan wel per keer dat [gedaagden] in gebreke blijft;</para>
        <para>III. [gedaagden] te verbieden om toekomstige beperkingen op te werpen ten aanzien van het recht van overpad, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;</para>
        <para>IV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zeggen partijen over de vordering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] vindt dat zij op grond van vestiging dan wel door verkrijgende verjaring het recht van overpad heeft om vanaf haar tuin door de tuin van [gedaagden] , naar de oprit van [adres 3] te mogen lopen en weer terug. [gedaagden] is het daar niet mee eens. Hij zegt dat niet blijkt dat [eiser] een recht van overpad heeft gekregen op de manier zoals zij dat recht invult en dat daarbij het recht – als het er al was – is komen te vervallen. Ook blijkt volgens hem niet dat [eiser] een recht van overpad heeft gekregen op grond van verkrijgende verjaring. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat beslist de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De vorderingen van [eiser] worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten. Hieronder wordt uitgelegd waarom.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Een recht van overpad kan ontstaan door vestiging of door verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De vraag die gaat over alle hoofdvorderingen in deze zaak (I, II, primair dan wel subsidiair, en III) en moet worden beantwoord, is of [eiser] een recht van overpad heeft door de tuin van [gedaagden] Een recht van overpad is een vorm van een recht van erfdienstbaarheid.<footnote-ref linkend="_7b838b84-ed8f-4435-8288-0a8943c1294f" /> Dit recht kan op twee manieren ontstaan, door (1) vestiging of door (2) verjaring.<footnote-ref linkend="_095bddce-42a1-49ae-9fbc-fd1400f963f5" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(1) Niet is gebleken van dat op dit moment nog sprake is van een recht van overpad door vestiging</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vereisten voor vestiging van een recht van overpad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Voor vestiging van een recht van overpad is onder andere nodig dat diegene die het recht geeft dat ook daadwerkelijk mag geven<footnote-ref linkend="_e7be6ba0-1124-4957-86fa-903588d599bc" /> en vervolgens bij notariële akte wordt vastgelegd dat sprake is van dat recht. Daarna moet de akte worden ingeschreven in het openbare register.<footnote-ref linkend="_1fe18240-24a5-4756-8fbc-11e5390eda11" /> In de akte moet in de relevante bepaling de wettelijke benaming staan van het recht dat wordt gegeven. In dit geval moet dus in de akte in de relevante bepaling de term ‘erfdienstbaarheid’ worden vermeld.<footnote-ref linkend="_27d6a0b3-8234-4cf5-ac0d-c0aececa5081" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het recht van overpad is gevestigd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [adres 4] , [adres 1] en [adres 2] waren in eigendom van dezelfde eigenaar, de heer [naam 1]<footnote-ref linkend="_85284d7e-0207-407a-a132-3cfef3a9faa1" /> [naam 1] heeft op 31 oktober 1990 [adres 1] verkocht aan mevrouw [naam 2] 6 [naam 1] bleef zelf nog eigenaar van [adres 4] en 5. In de leveringsakte van [adres 1] van [naam 1] aan [naam 2] is een bepaling met betrekking tot het recht van overpad opgenomen. Diezelfde bepaling is vervolgens letterlijk overgenomen in de notariële leveringsakte van 4 oktober 1999 vanwege de verkoop van [adres 1] door [naam 2] aan [eiser] . Beide leveringsakten zijn ingeschreven in het openbare register. De aanhef en bepaling die in beide leveringsakten is opgenomen, luidt als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="underline">Erfdienstbaarheden en bepalingen</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten behoeve van het bij deze akte verkochte [ [adres 1] ] en ten laste van het aan verkoper in eigendom verblijvende perceel [adres 2] eveneens deel uitmakende van het kadastrale perceel gemeente [locatie] , wordt bij deze gevestigd een erfdienstbaarheid van voetpad, uit te oefenen op de thans bestaande wijze, zulks </emphasis>om <emphasis role="italic">te komen </emphasis>en <emphasis role="italic">te gaan over het pad zich bevindende achter het perceel [adres 2] </emphasis> . <emphasis role="italic">Deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd voor de periode gedurende welke de eigenaar van het perceel [adres 3]</emphasis><emphasis role="italic"> gedoogd dat er gebruik gemaakt wordt van zijn uitweg naar de [adres 3] door de eigenaren casu quo bewoners van de [adres 1] en </emphasis>[adres 2] <emphasis role="italic"> .”</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Het recht van overpad van [adres 1] ten laste van [adres 2] is gevestigd. Aan de wettelijke eisen voor vestiging van dit recht is namelijk voldaan. [naam 1] mocht als eigenaar van [adres 2] dit recht aan de (toekomstige) eigenaar van [adres 1] geven en dit recht is vervolgens herkenbaar vastgelegd in een notariële akte door [naam 1] bij de levering van [adres 1] op 31 oktober 1990. Deze akte is ook ingeschreven in het openbare register.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vraag die moet worden beantwoord is of het recht van overpad nog bestaat</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De volgende vraag is of het recht van overpad nog steeds bestaat. Die vraag moet worden beantwoord omdat volgens de bepaling is afgesproken dat het recht van overpad ophoudt te bestaan als dat recht niet meer wordt gedoogd door [adres 3] . Zo staat in de bepaling <emphasis role="italic">“deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd voor de periode gedurende welke de eigenaar van het perceel [adres 3]</emphasis><emphasis role="italic"> gedoogd dat er gebruik gemaakt wordt van zijn uitweg naar de [adres 3] .”</emphasis>. Voor de vaststelling of het recht nog bestaat is van belang dat duidelijk is wat precies is afgesproken over hoe het recht van overpad mocht worden uitgeoefend. Als namelijk het feitelijk niet meer mogelijk is om het recht uit te oefenen doordat de eigenaar van [adres 3] zijn perceel heeft bebouwd, dan is de discussie niet dat daaruit moet worden begrepen dat de eigenaar van [adres 3] is opgehouden met het gedogen van het recht van overpad en dat recht daarmee is komen te vervallen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen hebben een verschillende uitleg over hoe het recht van overpad eruit zag/ziet. Die uitleg ziet visueel er als volgt uit: [Afbeelding] [Afbeelding] [Afbeelding]</para>
        <para>De uitleg van [eiser] is dat het recht van overpad is zoals door haar getekend <emphasis role="italic">(figuur 1)</emphasis> en nog steeds zo bestaat omdat niet is gebleken dat na vestiging van het recht van overpad een eigenaar van [adres 3] een daad heeft verricht waaruit blijkt dat deze het recht van overpad niet meer gedoogt. Volgens [eiser] kan namelijk nog steeds via de door haar geschetste route, door het gebruik van de poort tussen de twee tuinen <emphasis role="italic">(figuur 2)</emphasis>, naar de openbare weg worden gelopen. [gedaagden] is het niet eens met de uitleg van [eiser] . Zijn uitleg <emphasis role="italic">(figuur 3)</emphasis> is volgens hem gebaseerd op de letterlijke woorden van de bepaling. Die uitleg betekent volgens [gedaagden] dat het recht van overpad niet meer kan worden uitgeoefend omdat door nieuwe bebouwing op het perceel van [adres 3] het feitelijk niet meer mogelijk is om via een pad achterlangs het perceel van [adres 2] naar de oprit van [adres 3] te lopen. Daarmee is het recht volgens hem dus geëindigd.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De uitleg over hoe het recht van overpad mag worden uitgeoefend moet mede worden ingevuld aan de hand van Haviltex</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>De letterlijke woorden die in de bepaling staan over hoe het recht uit te oefenen, zijn dat het gaat om <emphasis role="italic">“een erfdienstbaarheid van voetpad, uit te oefenen op de thans bestaande wijze, zulks </emphasis>om <emphasis role="italic">te komen </emphasis>en <emphasis role="italic">te gaan over het pad zich bevindende achter het perceel [adres 2] .”</emphasis> Welke uitleg moet hieraan worden gegeven? Bij de beantwoording daarvan geldt dat dit moet worden gedaan aan de hand van de Haviltex-maatstaf.<footnote-ref linkend="_cf42e291-313a-458a-85ea-381e2e87c9fa" /> Die Haviltex-maatstaf houdt in dat bij de beantwoording van de vraag wat partijen hebben afgesproken niet alleen naar de taalkundige uitleg moet worden gekeken, maar ook naar wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn van belang de feiten en de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen kunnen niet verklaren over wat zij redelijker van elkaar mochten begrijpen en verwachten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Niet kan worden teruggevallen op wat [eiser] en [gedaagden] redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten op het moment van vestiging van het recht van overpad. Zij waren namelijk bij de vestiging daarvan niet betrokken.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De feiten en omstandigheden waaronder het recht van overpad is gevestigd zijn </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	niet duidelijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Ook kan niet worden teruggevallen op de feiten en omstandigheden waaronder het recht van overpad tot stand is gekomen. Zo is niet gebleken van een tekening waarop op het moment van vestiging het recht van overpad is uitgetekend. Wel is aan de leveringsakte van 31 oktober 1990 een kadastrale kaart gehecht, maar daarop is de manier waarop het recht mag worden uitgeoefend niet uitgetekend <emphasis role="italic">(figuur 4)</emphasis>. Verder hebben partijen geen documentatie overgelegd waaruit duidelijk wordt hoe de situatie ter plaatste was op 31 oktober 1990. Ook de huidige situatie, die tijdens de plaatsopneming is waargenomen, kan nauwelijks invullen wat de oorspronkelijke partijen hebben bedoeld met de bepaling. Onweersproken staat namelijk vast dat de huidige situatie zoals die is waargenomen een andere is dan die op het moment dat het recht van overpad werd gevestigd. [Afbeelding] [Afbeelding]</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Zo is te zien, vergelijkend de kadastrale tekening <emphasis role="italic">(figuur 4) </emphasis>bij de levering van [adres 1] op 31 oktober 1990 met een luchtfoto uit 2015 <emphasis role="italic">(figuur 5)</emphasis>, dat achter op het perceel van [adres 3] tegen de erfgrens bebouwing is geplaatst. Overigens is tijdens de plaatsopneming wel betegeling gezien aan de achterkant van het perceel van [adres 2] en [adres 3] <emphasis role="italic">(figuur 6), </emphasis>maar het is niet duidelijk of dat deze betegeling het pad was zoals genoemd in de bepaling.</para>
        <para>[Afbeelding] [Afbeelding]</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Kortom, het is niet duidelijk wat de partijen die destijds bij de vestiging van het recht van overpad betrokken waren redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen. Ook is niet gebleken hoe de inrichting was van de percelen van [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] op het moment van vestiging van het recht van overpad. Tot slot biedt de huidige situatie ook geen antwoorden. Daarom kan bij de uitleg van de bepaling alleen worden aangesloten bij de letterlijke bewoordingen zoals die in de bepaling staan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] heeft haar vordering onvoldoende onderbouwd</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Omdat [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van de bepaling, namelijk dat zij een recht van overpad heeft en dit recht nog steeds moet kunnen uitoefenen, rust op haar de stelplicht. [eiser] moet daarom in dit geval allereerst uitleggen wat de afspraak was over hoe het recht van overpad mocht worden uitgeoefend. Deze uitleg heeft zij gegeven. Omdat [gedaagden] heeft toegelicht waarom hij het niet eens is met die uitleg, moet [eiser] haar uitleg onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt evenwel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De tekst van de bepaling, vergelijkend met de feitelijke situatie op dit moment, onderbouwt de uitleg van [eiser] niet. In de bepaling staat niets over een poort (<emphasis role="italic">figuur 2) </emphasis>en evenmin over een pad dat dwars over/in het midden van het perceel loopt, daar waar op dit moment de poort is geplaatst. [eiser] heeft nog toegelicht dat destijds op de plek van de poort een tuinhekje stond en dat dit tuinhekje is vervangen voor de poort. Alleen over een tuinhekje wordt in de bepaling ook niet gesproken. Verder onderbouwt het gegeven dat sprake is van een (afsluitbare) doorgang in de vorm van een tuinhekje/poort op de erfgrens tussen [adres 2] en [adres 3] op zichzelf niet de uitleg van [eiser] . Het is namelijk niet duidelijk met welke reden die doorgang destijds is geplaatst. Vanwege het ontbreken van een onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat het recht van overpad destijds mocht worden uitgeoefend zoals is uitgelegd door [eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Omdat niet kan worden vastgesteld hoe het recht van overpad op het moment van vestiging mocht worden uitgeoefend, kan ook niet worden vastgesteld dat nog onverminderd sprake is van een gedogen van dat recht, kortom of op dit moment dat recht nog wel geldt. De vorderingen van [eiser] kunnen dan ook niet op deze grond worden toegewezen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(2) Het recht van overpad is door [eiser] niet verkregen door verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vereisten voor verkrijging van een recht van overpad door verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>
        [eiser] kan door verjaring het recht van overpad hebben gekregen als zij dat recht (onafgebroken) in bezit heeft genomen te goeder trouw gedurende tien jaar<footnote-ref linkend="_6b1861be-207e-4e90-9882-73acdfc39de1" />, of niet te goeder trouw gedurende twintig jaar.<footnote-ref linkend="_051d20df-24ca-4b01-93cc-624890f5160e" /> Of al dan niet sprake is van het te goeder trouw bezitten van het recht door [eiser] is afhankelijk van het antwoord op de vraag of dat zij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat zij dit recht had. Had zij het gerechtvaardigde vertrouwen dat zij dat recht van overpad had, dan was zij te goeder trouw. Ontbreekt dat gerechtvaardigde vertrouwen, dan was zij niet te goeder trouw. In beide gevallen van verjaring moet [eiser] zich onafgebroken zodanig hebben gedragen dat daaruit blijkt dat zij pretendeerde het recht van overpad te bezitten. Het ‘bezit’ betekent dat [eiser] het recht voor haarzelf heeft gehouden.<footnote-ref linkend="_3e480362-ac90-4eca-b4ff-a62b787e3df2" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>Om te bepalen of [eiser] in dit geval het recht van overpad in bezit heeft genomen, moet worden gekeken of dat zij daadwerkelijke controle over het recht heeft verkregen en dit voor iedereen duidelijk is (het bezit moet openbaar zijn). <footnote-ref linkend="_590b97e8-f9a6-4a26-bb1d-6c5a28e20455" /> Omdat [adres 2] een eigenaar heeft en het verkrijgen van een recht van overpad door [eiser] het bezit van de eigenaar van [adres 2] zou beperken, zijn enkele op zichzelf staande handelingen door [eiser] niet voldoende om bezit te verkrijgen.<footnote-ref linkend="_02bb917c-c6a6-4ee4-9ce5-fa73412f9297" /> De handelingen moeten zo zijn dat de eigenaar van [adres 2] uit de gedragingen van [eiser] niet anders kan afleiden dan dat zij pretendeert een recht van overpad te hebben en dat het eigendomsrecht van de eigenaar van [adres 2] beperkt zal worden als hij geen maatregelen treft (het bezit moet niet-dubbelzinnig zijn). Daarnaast is van belang om vast te stellen of er objectieve aanwijzingen zijn dat de machtsuitoefening van het bezit door [eiser] voortvloeien uit een andere rechtsverhouding. In dat geval is er geen sprake van bezit van een erfdienstbaarheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Partijen zijn het niet met elkaar eens of dat sprake is van verkrijging door verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat haar ondubbelzinnige bezit van het recht van overpad eruit blijkt dat zij, vanaf het moment dat zij in de woning is komen te wonen in 1999 tot het moment dat zij vertrok in 2016, gebruikmaakte van de tuinpoort op de erfgrens tussen [adres 1] en [adres 2] om vervolgens via de tuin van [adres 2] en de poort tussen [adres 2] en [adres 3] op de oprit van [adres 3] te komen. Zij zou van deze route gebruik hebben gemaakt om bijvoorbeeld met haar fiets boodschappen te doen. Zij zegt verder dat zij vanaf 2016 wegens een onveilige situatie haar woning heeft moeten verlaten. Desondanks zou zij ook na haar vertrek nog wekelijks tuinonderhoud hebben uitgevoerd en periodiek de vuilcontainers aan de straat hebben gezet en teruggeplaatst. Dit zou zij hebben gedaan tot, zo stelt zij, “<emphasis role="italic">in 2018/2019</emphasis>”. Vanaf dat moment werd volgens [eiser] door een vorige eigenaar van [adres 2] , de heer [naam 3] , het feitelijk gebruikmaken van de poort onmogelijk gemaakt door het vervangen van het slot van de poort en het barricaderen van de poort met spullen. [eiser] laat in het midden of haar bezit van het overpad te goeder trouw was.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <para>
        [gedaagden] betwist dat sprake is van verkrijgende verjaring. Allereerst omdat hij zelf niet heeft kunnen waarnemen of [eiser] zich zodanig heeft gedragen dat daaruit blijkt dat zij bezit heeft genomen van het recht van overpad in de periode van in 1999 tot het moment dat zij haar woning verliet in 2016. Hij was namelijk in die periode nog geen eigenaar van [adres 2] . Ook zegt hij dat de verklaring van [eiser] (gedeeltelijk) niet kan kloppen omdat uit een verklaring van [naam 3] volgt dat zolang [naam 3] in de woning heeft gewoond, vanaf 2011 tot 31 mei 2021, de poort naar de oprit van [adres 3] altijd op slot is geweest. Hierdoor zou het dus onmogelijk zijn geweest voor [eiser] om het door haar gestelde recht van overpad uit te oefenen. Ook zegt [gedaagden] dat uit de verklaring van [naam 3] blijkt dat [eiser] in 2011 al niet meer in haar woning woonde en de daarbij behorende tuin in deplorabele staat verkeerde. Vanwege die waarnemingen van [naam 3] is het volgens [gedaagden] dus onaannemelijk dat [eiser] bijvoorbeeld nog aan tuinonderhoud heeft gedaan in de periode voordat [naam 3] eigenaar is geworden van [adres 2] . Daarmee is het onaannemelijk dat [eiser] in 2011 nog pretendeerde het bezit te hebben van het recht van overpad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] had gerechtvaardigd het vertrouwen dat zij een recht van overpad had</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat [eiser] op 4 oktober 1999 eigenaresse is geworden van [adres 1] en dat in de leveringsakte staat dat zij een recht van overpad heeft. Uit die omstandigheid wordt afgeleid dat [eiser] te goeder trouw mocht denken dat zij een recht van overpad had. Omdat zij te goeder trouw was, brengt dat met zich mee dat als zij vervolgens gedurende tien jaar onafgebroken dit (veronderstelde) recht op dezelfde manier heeft uitgeoefend, zij dit recht in ieder geval heeft verkregen door verkrijgende verjaring.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiser] heeft onvoldoende gesteld en niet onderbouwd dat zij een recht van overpad heeft gekregen door verjaring </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25.</nr>
      <para>Omdat [eiser] zich erop beroept dat zij een recht van overpad heeft gekregen door verjaring, moet zij ook de feiten en omstandigheden stellen en onderbouwen waaruit blijkt dat zij zich zodanig heeft gedragen dat daaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat zij pretendeert een recht van overpad te hebben en dat het eigendomsrecht van de eigenaar van [adres 2] beperkt zal worden als diegene geen maatregelen treft. Die feiten en omstandigheden zijn onvoldoende gesteld. Hierover het volgende.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen verkrijging door verjaring in de periode van 4 oktober 1999 t/m 6 maart 2011</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26.</nr>
      <para>Het kan dat in de periode vanaf het moment dat [eiser] eigenaar werd van [adres 1] op 4 oktober 1999 tot het moment dat [naam 3] eigenaar werd van [adres 2] op 7 maart 2011, [eiser] zich al tien jaar onafgebroken zodanig had gedragen tegenover de toenmalige eigenaar van [adres 2] dat daaruit niet anders kon worden afgeleid dan dat zij pretendeerde een recht van overpad te bezitten. Of inderdaad hiervan sprake was, kan alleen niet worden vastgesteld. Allereerst had [eiser] daarvoor meer moeten stellen dan alleen dat zij in het verleden structureel gebruik heeft gemaakt van de poort tussen [adres 2] en [adres 3] , waarvoor zij een sleutel had, om met haar fiets en boodschappen heen en weer te kunnen over het gestelde overpad. Zo blijkt uit haar stellingen niet dat de eigenaar van [adres 2] uit het handelen van [eiser] niets anders kon afleiden dan dat [eiser] pretendeerde een recht van overpad te hebben. Verder heeft [eiser] haar stellingen niet onderbouwd. Kortom, niet kan worden vastgesteld dat [eiser] een recht van overpad heeft gekregen in de periode van 4 oktober 1999 t/m 6 maart 2011.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geen verkrijging door verjaring in de periode van 7 maart 2011 t/m heden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27.</nr>
      <para>Ook kan niet worden vastgesteld dat vanaf het moment dat [naam 3] eigenaar is geworden van [adres 2] in 2011 [eiser] vervolgens gedurende tien jaar onafgebroken zich zodanig heeft gedragen dat daaruit moet worden begrepen dat zij pretendeerde een recht van overpad te bezitten. Zij heeft daartoe te weinig gesteld en wat zij heeft gesteld niet onderbouwd. Daarbij heeft [eiser] zelf verklaard dat omstreeks 2018/2019 [naam 3] de poort op de erfgrens tussen [adres 1] en 5 heeft gebarricadeerd waardoor zij geen gebruik meer kon maken van die poort. Als [eiser] dus al pretendeerde in de periode vanaf 2011 tot heden het recht van overpad in bezit te hebben genomen, dan moet op basis van de verklaring van [eiser] ook worden vastgesteld dat haar bezit van het gepretendeerde recht in 2018/2019 is onderbroken doordat [naam 3] de poort tussen de tuinen heeft gebarricadeerd. Sinds 2011 tot 2018/2019 waren nog geen tien jaren verstreken, zodat in die periode [eiser] geen recht van overpad kan hebben verkregen. Omdat vanaf 2018/2019 tot heden ook nog geen tien jaar zijn verstreken, kan in ieder geval vanaf 2018/2019 door verjaring ook geen recht van overpad zijn verkregen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie, geen recht van overpad door verkrijgende verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28.</nr>
      <para>Nu niet kan worden vastgesteld dat [eiser] een recht van overpad heeft verkregen door verkrijgende verjaring, kunnen haar vorderingen op deze grond niet worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen (invulling) van recht van overpad op grond van redelijkheid en billijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.29.</nr>
      <para>Door [eiser] is nog gesteld dat de rechtbank op grond van redelijkheid en billijkheid de bestaande rechtsverhouding, het recht van overpad, zou moeten invullen. De rechtbank overweegt dat nu zij van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat op dit moment nog sprake is van een recht van overpad, zij ook niet kan toekomen aan het invullen van dat recht. Daarom kan op die grond de vorderingen van [eiser] niet worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.30.</nr>
      <para>Nu geen grond bestaat voor de vorderingen van [eiser] , zullen de vorderingen worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.31.</nr>
      <para>
        [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>331,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.632,50</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2,5 punten × € 653,00)<footnote-ref linkend="_35a85e4c-e4ee-4044-b359-aa4f80b9d73d" /></para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>189,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2.152,50</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.152,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_7b838b84-ed8f-4435-8288-0a8943c1294f" label="1">
    <para> Artikel 5:70 van het Burgerlijk Wetboek (BW).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_095bddce-42a1-49ae-9fbc-fd1400f963f5" label="2">
    <para> Artikel 5:72 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7be6ba0-1124-4957-86fa-903588d599bc" label="3">
    <para> Artikel 3:84 jo. 3:98 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fe18240-24a5-4756-8fbc-11e5390eda11" label="4">
    <para> Artikel 3:89 jo. 3:98 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27d6a0b3-8234-4cf5-ac0d-c0aececa5081" label="5">
    <para> Artikel 24 lid 2 aanhef en onderdeel b Kadasterwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_85284d7e-0207-407a-a132-3cfef3a9faa1" label="6">
    <para> Als alleen een hoofdletter wordt genoemd, is ter bescherming van de privacy de volledige naam van de persoon om wie het gaat uit het vonnis weggelaten. De naam is bij partijen bekend.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf42e291-313a-458a-85ea-381e2e87c9fa" label="7">
    <para> Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, r.o. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b1861be-207e-4e90-9882-73acdfc39de1" label="8">
    <para> Artikel 3:99 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_051d20df-24ca-4b01-93cc-624890f5160e" label="9">
    <para> Artikel 3:105 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e480362-ac90-4eca-b4ff-a62b787e3df2" label="10">
    <para> Artikel 3:107 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_590b97e8-f9a6-4a26-bb1d-6c5a28e20455" label="11">
    <para> Artikel 3:108 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02bb917c-c6a6-4ee4-9ce5-fa73412f9297" label="12">
    <para> Artikel 3:113 BW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35a85e4c-e4ee-4044-b359-aa4f80b9d73d" label="13">
    <para> 1 punt voor de conclusie van antwoord, 0,5 punt voor de gerechtelijke plaatsopneming en 1 punt voor de mondelinge behandeling.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>