<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2026:1080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T10:38:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_25_1235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1080">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T16:26:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2026:1080 Rechtbank Overijssel , 03-03-2026 / ak_25_1235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2026:1080:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep n.a.v. sluiting woning o.g.v. artikel 13b van de Opiumwet. Beroep ongegrond. De woningsluiting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2026:1080:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ZWO 25/1235 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna: [eiser]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. Luinstra),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van Hengelo</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna: de burgemeester</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester van 4 november 2024 om de woning aan de [adres] te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [eiser] is het niet eens dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de woning heeft kunnen sluiten.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de woning te sluiten. De woningsluiting is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>3. De burgemeester heeft op 30 augustus 2024 een bestuurlijke rapportage van de politie gekregen. Daarin staat dat de politie op 25 augustus 2024 een melding heeft gekregen van de eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning) dat er door een van de huurders GHB wordt geproduceerd in de woning. De politie heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld en op 27 augustus 2024 de woning doorzocht. Hierbij zijn verdovende middelen en indicaties aangetroffen voor het vervaardigen van harddrugs en de handel van harddrugs vanuit de woning. Het gaat hierbij om een gripzak met 36 gram amfetamine (speed) in de kamer van [eiser]. In een kamer van een medebewoner zijn gevonden een gripzak met 315 gram amfetamine (speed) een grote hoeveelheid gripzakjes, een weegschaal met restanten wit poeder, thinner, 11 liter methanol, een gasmasker, een pan, een mixer en een slang. Deze laatste stoffen en goederen worden gebruikt in het productieproces van GHB. In de keuken zijn pepperspray en meer gripzakjes aangetroffen. Verder zijn op de eerste etage een gasalarmpistool, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een kruisboog en meerdere methadon-strips aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>4. De burgemeester heeft, gelet op de inhoud van de bestuurlijke rapportage, op 26 september 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om van zijn bevoegdheid gebruik te maken als bedoeld in artikel 13b, eerste lid aanhef en onder a, van de Opiumwet om handhavend op te treden en de woning tijdelijk te sluiten voor een periode van zes maanden.</para>
    <para />
    <para>5. [eiser] heeft op 9 oktober 2024 een zienswijze ingediend op het voornemen van de burgemeester.</para>
    <para />
    <para>6. De burgemeester heeft vervolgens op 4 november 2024 het besluit genomen om met ingang van 11 november 2024 de woning te sluiten voor een periode van zes maanden wegens overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 3 van de beleidsregel ‘Damoclesbeleid Hengelo’.</para>
    <para />
    <para>7. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit.</para>
    <para />
    <para>8. Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de burgemeester het door [eiser] ingediende bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).</para>
    <para />
    <para>9. [eiser] heeft beroep ingesteld. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van de burgemeester. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>11. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning heeft mogen sluiten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft [eiser] nog procesbelang?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. De rechtbank stelt vast dat de woningsluiting op 12 mei 2025 is geëindigd. De vraag rijst hierbij of [eiser] nog (proces)belang heeft bij de behandeling van haar beroep. Daarvoor is van belang om te weten wat [eiser] met deze procedure willen bereiken. Volgens vaste rechtspraak is het hebben van een louter formeel of principieel belang onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.</para>
    <para />
    <para>14. Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat diegene belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het moet wel enigszins aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.<footnote-ref linkend="_b08003e9-8a0a-41cb-a278-ebcef504fe2d" /> Ter zitting heeft [eiser] gesteld schade te ondervinden van het besluit, omdat naar aanleiding van de sluiting van de woning, de huur is opgezegd, zij dakloos is geworden en nog steeds geen nieuwe woning heeft kunnen vinden. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om aan te nemen dat [eiser] procesbelang heeft bij een behandeling van haar beroep en zal het beroep inhoudelijk behandelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. [eiser] stelt zich op het standpunt dat zij geen weet had van de (hard)drugs en de gevonden goederen die zijn aangetroffen en duiden op het vervaardigen van GHB. Deze drugs en goederen waren van haar huisgenoot en kunnen daarom niet aan haar worden toegeschreven. Verder was de in haar kamer aangetroffen amfetamine voor eigen gebruik en bovendien enkel indicatief getest. Dit alles maakt dat de burgemeester de woning niet heeft kunnen sluiten.</para>
    <para />
    <para>16. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 22 juni 2022<footnote-ref linkend="_3609c034-8eaa-4f80-994a-bbf60f99ae93" /> heeft overwogen, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen: voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs (het criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van [eiser] om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester volgens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om de woning te sluiten door het opleggen van een last onder bestuursdwang.</para>
    <para />
    <para>17. In de kamer van [eiser] is door de politie 36 gram amfetamine aangetroffen. Dit is ruim 70 keer de gedoogde hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik. Het standpunt van [eiser] dat de in haar kamer aangetroffen hoeveelheid amfetamine voor eigen gebruik is, volgt de rechtbank daarom niet. De aangetroffen hoeveelheid amfetamine in de kamer van [eiser] is op zichzelf al voldoende om aan te nemen dat sprake is van een hoeveelheid drugs die (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking en biedt daarmee al een grondslag voor de burgemeester om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid Hengelo.<?linebreak?>In verband hiermede behoeft de vraag in hoeverre [eiser] verantwoordelijk is voor de hoeveelheid harddrugs en de goederen voor het vervaardigen van GHB die zijn aangetroffen in de (niet afgesloten) kamer van haar huisgenoot niet beantwoord te worden. De rechtbank overweegt verder dat het indicatief testen van de 36 gram op haar kamer aangetroffen stof volgens rechtspraak van de Afdeling voldoende basis biedt voor de burgemeester om het besluit te kunnen nemen om de woning te sluiten.<footnote-ref linkend="_5c03eeec-968e-4a49-9b65-f66e99760cf1" /> In wat namens [eiser] naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage.<?linebreak?></para>
    <para>18. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd om aan te tonen dat de aangetroffen hoeveelheid drugs enkel voor eigen gebruik is. De burgemeester heeft de woningsluiting mogen baseren op de bestuurlijke rapportage van 30 augustus 2024. Gelet op artikel 13b van de Opiumwet en artikel 3 van het Damoclesbeleid Hengelo, was de burgemeester bevoegd over te gaan tot sluiting van de woning voor zes maanden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de burgemeester in redelijkheid tot sluiting over kunnen gaan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>19. Het besluit tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden is, gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, in overeenstemming met het Damoclesbeleid Hengelo voor een eerste overtreding. </para>
    <para />
    <para>20. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Voor de beoordeling daarvan gebruikt de rechtbank het toetsingskader van de Afdeling zoals neergelegd in haar uitspraken van 28 augustus 2019<footnote-ref linkend="_10947619-0c46-47e9-8fed-3889ed36894b" /> (de overzichtsuitspraak) en de uitspraak van 6 juli 2022<footnote-ref linkend="_58a10fbc-7a28-4b12-8712-122a8f2e2b9a" />. Die toets houdt – kort gezegd – in dat beoordeeld moet worden of sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De geschiktheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>21. De rechtbank overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de woning aan het drugscircuit te onttrekken. De burgemeester heeft dit in het bestreden besluit voldoende onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De noodzakelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>22. Bij de beoordeling van de noodzaak van de maatregel is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Met sluiting wordt beoogd het pand aan het drugscircuit te onttrekken door de bekendheid als drugspand weg te nemen en de loop eruit te halen. Voor beoordeling van de ernst en omvang is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Als er geen aanwijzing is van handel, het niet harddrugs betreft, zich geen recidivesituatie voordoet en er geen sprake is van ligging in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, dan is er niet zonder meer noodzaak om het pand te sluiten.</para>
    <para />
    <para>23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in het bestreden besluit de noodzaak van de sluiting van de woning voor de duur van zes maanden voldoende onderbouwd. Uit de bestuurlijke rapportage blijken voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de woning een rol vervulde in de drugsketen. Zo is er eerder op 11 augustus 2024 al een melding gedaan vanuit de buurt over het vermoedelijk handelen in drugs en overlast door middel van drugsgebruik. Op 25 augustus 2024 heeft de eigenaar van de woning bovendien een concrete melding gedaan over het produceren van GHB in de woning. Bij de doorzoeking op 27 augustus 2024 is een handelshoeveelheid harddrugs en goederen die duiden op het vervaardigen van GHB aangetroffen in de woning. De maatregel tot woningsluiting houdt in dat dat de openbare orde wordt hersteld. De woningsluiting heeft – in tegenstelling tot wat [eiser] betoogt – daarom geen bestraffend karakter, maar een herstellend karakter.</para>
    <para />
    <para>24. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in dit geval de sluiting van de woning noodzakelijk heeft kunnen vinden. Met een minder ingrijpend middel had niet kunnen worden volstaan om het beoogde doel te bereiken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De evenwichtigheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>25. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting in dit geval voor zes maanden ook evenwichtig moet zijn. Voor de beoordeling daarvan zijn onder meer de gevolgen van de sluiting van belang. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester.</para>
    <para />
    <para>26. De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waardoor de woningsluiting onevenwicht voor haar zou uitpakken. Financiële overwegingen (het doorbetalen van de huur) is in ieder geval geen bijzondere omstandigheid waardoor de burgemeester af had moeten zien van de woningsluiting. Verder is niet van een bijzondere binding met de woning gebleken. Ook heeft de burgemeester in het besluit gewezen op de mogelijkheden voor hulp bij het vinden van vervangende woonruimte. Dat [eiser] hier, zoals blijkt uit hetgeen op de zitting is besproken, van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.</para>
    <para />
    <para>27. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat het grootste gedeelte van de aangetroffen drugs en alle goederen die dienen tot het vervaardigen van GHB zijn aangetroffen in de kamer van haar huisgenoot. Zij had geen weet hiervan. </para>
    <para />
    <para>28. Volgens rechtspraak van de Afdeling is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.<footnote-ref linkend="_6a89df05-bb85-45a7-9eaa-0963ae8ac8ef" /> Van een dergelijke situatie is in het geval van [eiser] geen sprake. Los van de vraag of zij weet had (of had moeten hebben) van de aanwezigheid van de harddrugs en de goederen om GHB te vervaardigen in de kamer van haar huisgenoot, is tijdens de huiszoeking een handelshoeveelheid harddrugs in haar eigen kamer aangetroffen. Voor deze drugs kan zij verantwoordelijk worden gehouden. Er is daarom geen sprake van een situatie dat er aan de zijde van [eiser] in zijn geheel betrokkenheid ontbreekt. </para>
    <para />
    <para>29. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank de belangen van [eiser] voldoende meegewogen en is de maatregel van sluiting van de woning evenwichtig.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de woning te sluiten. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_b08003e9-8a0a-41cb-a278-ebcef504fe2d" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de raad van State van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1945.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3609c034-8eaa-4f80-994a-bbf60f99ae93" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:1765.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c03eeec-968e-4a49-9b65-f66e99760cf1" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:1911.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10947619-0c46-47e9-8fed-3889ed36894b" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:2912.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58a10fbc-7a28-4b12-8712-122a8f2e2b9a" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:1911.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a89df05-bb85-45a7-9eaa-0963ae8ac8ef" label="6">
    <para> Zie de overzichtsuitspraak, ECLI:NL:RVS:2019:2912, r.o. 4.2.1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>