<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:6696</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T12:47:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_24_2348</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6696">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6696</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T10:17:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:6696 Rechtbank Overijssel , 19-11-2025 / ak_24_2348</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:6696:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet en artikel 6 van de Parkeerbelastingverordening moet de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren worden voldaan. </para>
        <para>Volgens vaste rechtspraak brengt een redelijke uitleg van deze bepalingen mee dat een belastingplichtige enige tijd moet worden gegund voor het verrichten van de daarvoor benodigde uitvoeringshandelingen. De uitvoeringshandelingen, waaronder het lopen naar een parkeerautomaat, het wachten in de rij voor een parkeerautomaat of het aanmelden met een parkeerapp, moeten wel onverwijld worden gestart en voortgezet zodra de auto is geparkeerd. De redelijke termijn begint direct nadat de auto wordt geparkeerd. De parkeerder moet in die tijd bezig zijn om de parkeerbelasting te betalen (het zogenoemde onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen). </para>
        <para>In dit geval niet is door middel van een langsrijdende scanauto gecontroleerd maar middels een fysieke controle door een ambtenaar ter plaatse. In het voetspoor van het standpunt van de heffingsambtenaar is naar het oordeel van de rechtbank niet sprake geweest van het ‘onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen’. De rechtbank acht stellingen van belanghebbende niet aannemelijk en/of niet geloofwaardig.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:6696:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK OVERIJSSEL</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ZWO 24/2348 PARKBL<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <bridgehead>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen <?linebreak?></bridgehead>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende </title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H. Kobossen)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR), </emphasis>de heffingsambtenaar</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd op 5 februari 2024 van in totaal € 80,03 bestaande uit verschuldigde parkeerbelasting van € 3,33 en de kosten van de naheffing van € 76,70 (de aanslag). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 25 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft beroep ingesteld, beroepsgronden en aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 ter zitting behandeld. </para>
      <para>Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen conform hun vooraankondiging, reden waarom de rechtbank op 21 oktober 2025 de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld tot 10 dagen voorafgaand aan de zitting desgewenst pleitaantekeningen in te dienen. De gemachtigde heeft hiervan geen gebruik heeft gemaakt.  </para>
      <para>De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Op 5 februari 2025 om 19:37 uur is tijdens een parkeercontrole vastgesteld dat het voertuig van belanghebbende (kenteken [kenteken]) stond geparkeerd op een ‘betaald parkeren’ plek aan de Nieuwe Markt te Deventer zonder geldig parkeerrecht. De controleur heeft belanghebbende om 19:38 uur een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd. Het voertuig is om 19:41 uur aangemeld voor betaald parkeren. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 5 februari 2025 om 19:37 uur stond geparkeerd op een ‘betaald parkeren’ plek aan de Nieuwe Markt te Deventer zonder dat belanghebbende zijn voertuig op dat moment had aangemeld voor een parkeerrecht. </para>
    <para />
    <para>2. In geschil is of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd.</para>
    <para />
    <para>3. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag ten onrechte heeft opgelegd, omdat hij slechts 4 minuten later wél heeft betaald. </para>
    <parablock>
      <para>Volgens belanghebbende is de motivering van het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig. In het besluit staat dat die dag om 19.37/19:38 uur is vastgesteld dat niet sprake was van een geldig parkeerrecht, maar tegelijkertijd dat het voertuig drie minuten later voor betaald parkeren is aangemeld (om 19:41 uur). Aan een parkeerder moet een redelijke tijd worden gegund - ongeveer vijf minuten - om zich aan te melden. De heffingsambtenaar erkent dus dat (tijdig) is betaald.</para>
      <para>Belanghebbende heeft om ongeveer 19:36 uur zijn auto geparkeerd en is vervolgens naar een parkeerautomaat gelopen, ongeveer 150 tot 200 meter verderop. Omdat deze automaat niet functioneerde, is belanghebbende in de richting van zijn bestemming gaan lopen en heeft hij zijn auto via een app aangemeld. Nu aan een parkeerder vijf minuten moet worden gegund om zich aan te melden, een controle en het uitschrijven van een naheffingsaanslag ongeveer vijf minuten in beslag neemt en in het onderhavige geval slechts drie minuten zijn verstreken tussen de controle en de aangifte, is tijdig betaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Volgens de heffingsambtenaar is van ‘erkenning van tijdig betalen’ en van ‘innerlijke tegenstrijdigheid’ in het bestreden besluit geen sprake. </para>
    <parablock>
      <para>De auto van belanghebbende was om 19:37 uur niet aangemeld voor een geldig parkeerrecht. Om 19.41 uur is het voertuig aangemeld. Gezien de beschikbare administratieve gegevens, foto’s en het tijdsverloop van drie à vier minuten is de auto niet tijdig aangemeld. </para>
      <para>Daarbij komt dat  in dit geval niet is gecontroleerd  door middel van een langsrijdende scanauto. De naheffingsaanslag is tot stand gekomen middels een fysieke controle door een ambtenaar ter plaatse die die avond persoonlijk heeft gecontroleerd of betalingsactiviteiten plaatsvonden aan de nabijgelegen parkeerautomaat/-automaten. (Ook) dat laatste werd niet waargenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>6. Op grond van artikel 4 van de Parkeerbelastingverordening 2024 van de gemeente Deventer wordt de belasting geheven bij wege van voldoening op aangifte.</para>
    <para />
    <para>7. Op grond van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet en artikel 6 van de Verordening moet de parkeerbelasting <emphasis role="italic">bij aanvang van</emphasis> het parkeren worden voldaan. </para>
    <parablock>
      <para>Volgens vaste rechtspraak brengt een redelijke uitleg van deze bepalingen mee dat een belastingplichtige enige tijd moet worden gegund voor het verrichten van de daarvoor benodigde uitvoeringshandelingen. </para>
      <para>Deze uitvoeringshandelingen, waaronder het lopen naar een parkeerautomaat, het wachten in de rij voor een parkeerautomaat of het aanmelden met een parkeerapp, moeten wel onverwijld worden gestart en voortgezet zodra de auto is geparkeerd. De redelijke termijn begint direct nadat de auto wordt geparkeerd<footnote-ref linkend="_f46d8233-3f9a-4c00-b608-74f45312e1ae" />. De parkeerder moet in die tijd bezig zijn om de parkeerbelasting te betalen (het zogenoemde onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. In het voetspoor van het standpunt van de heffingsambtenaar is naar het oordeel van de rechtbank niet sprake geweest van het ‘onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen’. </para>
    <para>Uit gegevens van het computersysteem van de heffingsambtenaar blijkt dat de controle om 19:37 uur heeft plaatsgevonden. Op de Nieuwe Markt staan twee parkeerautomaten, op korte (loop-)afstand van elkaar.  Volgens de heffingsambtenaar zijn parkeercontroleurs doorgaans vijf minuten bezig met het opleggen van de naheffingsaanslag in welke tijd zij onder meer controleren of er nog mensen bij de parkeerautomaat staan. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde foto’s van de controle blijkt dat niets erop wijst dat belanghebbende bezig is/was zijn voertuig aan te melden voor een parkeerrecht. </para>
    <para />
    <para>9. Er zijn die bewuste dag rond dat tijdstip bij de betreffende parkeerautomaten meerdere transacties verricht, aldus de heffingsambtenaar, en niet is gebleken dat die dag rond 19:30 uur sprake was van een storing van parkeerautomaten. De stelling van belanghebbende dat een van de parkeerautomaten aan de Nieuwe Markt blokkeerde, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk. </para>
    <para />
    <para>10. Ook de stelling van belanghebbende dat hij drie minuten nodig had om naar de andere parkeerautomaat te lopen omdat de eerste parkeerautomaat blokkeerde, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De tweede parkeerautomaat staat op een afstand van ongeveer 50 meter van de ander. Die loopafstand vergt geen drie minuten. Belanghebbende heeft ook dit niet gemotiveerd betwist. </para>
    <para />
    <para>11. In beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende  - anders dan in bezwaar - <emphasis role="italic">niet</emphasis> aangevoerd dat hij op weg was naar een tweede parkeerautomaat, maar gesteld dat belanghebbende na zijn mislukte poging om te betalen in de richting van zijn bestemming is gelopen en zijn voertuig ondertussen heeft aangemeld via een - nog te updaten - app. Nu deze verklaring tegenstrijdig is aan zijn eerdere verklaring dat hij bij een tweede  automaat wilde betalen, draagt deze verklaring niet bij aan de geloofwaardigheid van het betoog van belanghebbende dat hij na het parkeren onverwijld uitvoeringshandelingen verrichtte om parkeergeld te betalen. </para>
    <para />
    <para>12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van ‘onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen’ geen sprake is geweest, reden waarom de beroepsgrond niet slaagt. </para>
    <para />
    <para>13. Belanghebbende voert tot slot aan dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. </para>
    <para />
    <para>14. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)<footnote-ref linkend="_86630668-db7b-4816-86ed-2253e44f86ea" /> moet een belanghebbende in belastingzaken in bezwaar - in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht - zelf verzoeken om te worden gehoord<footnote-ref linkend="_3dee55a8-8f5f-4dfa-9baf-ef9875632e56" />.</para>
    <para />
    <para>15. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift en zijn aanvullende bezwaarschrift van 18 maart 2024 niet verzocht omtrent zijn bezwaren te worden gehoord. De hoorplicht is aldus niet geschonden. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>16.	Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. </para>
      <para>Voor een vergoeding van griffierecht en van proceskosten bestaat geen aanleiding.     </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.M. van Westerlaak, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op    </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
              <para />
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.</para>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f46d8233-3f9a-4c00-b608-74f45312e1ae" label="1">
    <para> Zie o.a. uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_86630668-db7b-4816-86ed-2253e44f86ea" label="2">
    <para> Van toepassing gelet op artikel 231 van de Gemeentewet. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3dee55a8-8f5f-4dfa-9baf-ef9875632e56" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 29 april 2021 (ECLl:NL:GHDHA:2021:1035), gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021 (ECLl:NL:GHAMS:2021:4081) en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 augustus 2022 (ECLl:NL:GHARL:2022:7509). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>