<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:6293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-06T11:43:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AK_25_1662</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6293">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-06T11:43:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:6293 Rechtbank Overijssel , 31-10-2025 / AK_25_1662</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:6293:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het niet tijdig beslissen. Verzet gegrond; de beslistermijn was niet op rechtsgeldige wijze verlengd door de Minister. Het beroep is gegrond; de Minister dient binnen twee weken alsnog te beslissen en verbeurt een dwangsom indien hij niet tijdig beslist.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:6293:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ZWO 25/1662 V</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, uit [woonplaats], opposant,<footnote-ref linkend="_208e576d-498a-4cdd-a851-67d7cd49df79" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>en uitspraak in de beroepszaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>opposant, tevens eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het verzet dat opposant heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025, zaaknummer ZWO 25/1662, waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het verzet gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank van het verzet</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het procesverloop</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Opposant heeft op 18 juni 2025 beroep ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar van 18 maart 2025 tegen het besluit van verweerder van 20 februari 2025, waarin verweerder het verzoek van opposant om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) heeft afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. In de uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep kennelijk <?linebreak?>niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant verweerder te vroeg (prematuur) in gebreke heeft gesteld. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat ten onrechte is geoordeeld dat hij verweerder te vroeg in gebreke heeft gesteld, omdat daarbij is verondersteld dat verweerder aan hem kenbaar heeft gemaakt dat de beslistermijn op <?linebreak?>13 mei 2025 met zes weken is verlengd, terwijl uit de stukken blijkt dat de verlenging van de beslistermijn foutief is geadresseerd en daardoor opposant nooit bereikt heeft. De brief met de verlenging van de beslistermijn is verzonden aan het adres [adres 1], terwijl het vestigingsadres van opposant [adres 2] is. Dit vestigingsadres staat ook in het bezwaarschrift, aldus opposant.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft in zijn reactie op het verzet aangegeven dat het verdagingsbesluit inderdaad per abuis naar [adres 1] is gestuurd in plaats van naar [adres 2].<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="underline">Beoordeling van het verzet</bridgehead>
    <para>7. In artikel 3:40 Awb is bepaald dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Als een per post toegezonden besluit de belanghebbende niet heeft bereikt als gevolg van een fout van het bestuursorgaan, zoals een verkeerde adressering, die aan het bestuursorgaan te wijten is, dan is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_26eb6286-6f48-4c17-b6ae-d360c683e25b" /></para>
    <para />
    <para>8. De verzetrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het verdagingsbesluit van <?linebreak?>13 mei 2025 opposant niet heeft bereikt als gevolg van een fout van verweerder, namelijk een verkeerde adressering, die aan verweerder te wijten is. Het verdagingsbesluit is dus niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en daarmee niet in werking getreden. Daardoor is de beslistermijn niet rechtsgeldig verlengd en is de beslistermijn verstreken op <?linebreak?>15 mei 2025. Dat maakt dat niet buiten redelijke twijfel kon worden geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. De grond van het verzet slaagt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie over het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 15 augustus 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan.</para>
    <para />
    <para>10. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 15 augustus 2025 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank van het beroep</title>
    <para />
    <para>11. De rechtbank overweegt ten aanzien van eisers beroep van 18 juni 2025 wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 18 maart 2025 als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Gelet op het bovenstaande is de ingebrekestelling door eiser van 2 juni 2025 niet te vroeg geweest. De rechtbank heeft het beroepschrift meer dan twee weken daarna, op <?linebreak?>18 juni 2025, ontvangen. Omdat verweerder niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit op het bezwaar heeft genomen, en dat nog altijd niet heeft gedaan, is het beroep ontvankelijk en gegrond.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="underline">Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?</bridgehead>
    <para>13. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan de rechtbank een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_8e38c9cf-51f4-49fd-ad2c-ff7f86513456" /></para>
    <para />
    <para>14. Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo bepaalt de bestuursrechter, in geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet of een beslissing op bezwaar tegen een dergelijk besluit, waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.</para>
    <para />
    <para>15. In het verweerschrift licht verweerder toe dat eiser sinds april 2023 dertig <?linebreak?>Woo-verzoeken heeft ingediend, die allemaal betrekking hebben op de uitvoering van de Meststoffenwet door verweerder. Voor een deel betreft het omvangrijke, gedetailleerde en/of (technisch) complexe Woo-verzoeken, bijvoorbeeld omdat wordt gevraagd om informatie vanaf 2020 of informatie die niet eenvoudig uit de systemen van verweerder is op te maken.</para>
    <para />
    <para>16. Daarnaast geeft verweerder in het verweerschrift aan dat hij heeft voorgesteld om met eiser in gesprek te gaan en dat eiser op 30 juni 2025 ermee heeft ingestemd dat het bezwaar binnen zes weken na dat gesprek zal worden afgehandeld. Eiser heeft dit niet weersproken. In de reactie op het verzet stelt verweerder dat het gesprek op <?linebreak?>11 augustus 2025 heeft plaatsgevonden en dat het bezwaar verder zal worden afgehandeld. Uit de stukken van eiser die de rechtbank op 30 augustus 2025 heeft ontvangen, blijkt ook dat er een overleg tussen eiser en verweerder heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2025.</para>
    <para />
    <para />
    <para>17. De rechtbank ziet aanleiding om te oordelen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar van eiser van 18 maart 2025 heeft kunnen beslissen. Het gaat om een omvangrijk verzoek, over de wijze van behandeling waarvan nader contact is geweest tussen partijen, en verweerder heeft aangegeven binnen welke termijn een besluit wordt genomen. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder uiterlijk binnen zes weken na het gesprek tussen eiser en verweerder op 11 augustus 2025 een besluit op het bezwaar van eiser bekend moet maken.</para>
    <para />
    <para>18. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, is de termijn van zes weken al verstreken. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twee weken na de verzending van de uitspraak alsnog op het bezwaar van eiser moet beslissen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. De rechtbank bepaalt, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover,<footnote-ref linkend="_427398e1-c16e-441b-9653-6a746237b774" /> dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door verweerder wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar moet nemen en aan verweerder een dwangsom wordt opgelegd van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para />
    <para>21. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van eiser bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van <?linebreak?>€ 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>R.A.R. van Westering, griffier. Uitgesproken in het openbaar op</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_208e576d-498a-4cdd-a851-67d7cd49df79" label="1">
    <para> Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26eb6286-6f48-4c17-b6ae-d360c683e25b" label="2">
    <para> ABRvS 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:84.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e38c9cf-51f4-49fd-ad2c-ff7f86513456" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_427398e1-c16e-441b-9653-6a746237b774" label="4">
    <para> Dit is het “Beleid extra dwangsom”, te vinden op www.rechtspraak.nl.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>