<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:5521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:29:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_25_121</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:5521">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:5521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:29:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:5521 Rechtbank Overijssel , 11-09-2025 / ak_25_121</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:5521:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond. WMO. Voldoende procesbelang. Zorgmijder.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:5521:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ZWO 25/121 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, het college </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A Pardijs en J.J. Odink).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eiser niet ontvankelijk te verklaren. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaarschrift ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ondersteuning in de zin van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (WMO 2015). Het college heeft de aanvraag met het besluit van 16 april 2024 ingewilligd in die zin dat aan eiser voor de periode van 22 maart 2024 tot en met 21 september 2024 individuele begeleiding wordt verstrekt voor 4 uur per week in de vorm van zorg in natura (ZIN). <?linebreak?>Bij het bestreden besluit van 26 november 2024 heeft het college de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn bezwaar omdat de toegekende voorziening in het verleden ligt en werd ingezet in de vorm van ZIN. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van het college. Eiser is met bericht vooraf niet verschenen.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt samengevat weergegeven en voor zover thans van belang dat de termijn van de verleende indicatie voor hem te kort is gebleken. Hij verzoekt daarbij om vernietiging van het indicatiebesluit. Subsidiair vraagt eiser om een nieuw besluit over de indicatie met meer en andere begeleiding en een langere verstrektermijn. Eiser verzoekt om een termijn voor verstrekking van de indicatie tot 31 december 2025. </para>
    <para>Zijn bezwaren zijn door het college niet inhoudelijk behandeld en dat is onterecht, aldus eiser. Hij heeft wel belang bij de behandeling van zijn bezwaren; hij heeft kosten gemaakt in de zin van een eigen bijdrage. Ook met het oog op een toekomstige aanvraag stelt eiser dat hij belang heeft bij zijn bezwaar en beroep. Hij vindt het belangrijk om te weten hoeveel en welke hulp hij kan krijgen voordat hij een aanvraag indient. Ten slotte verwijst eiser naar zijn bezwaarschrift en aanvullingen. </para>
    <para />
    <para>5. Het college heeft ter zitting gesteld dat eiser geen procesbelang heeft. Aan eiser werd een voorziening toegekend in de vorm van ZIN. Er kunnen niet met terugwerkende kracht meer uren worden ingezet. Eiser wilde niet meewerken met een onderzoek naar zijn zorgvraag waardoor het voor het college niet mogelijk was om vast te stellen wat de omvang van de benodigde zorg is. Het college heeft getracht JPH Consult in te zetten om eisers zorgvraag in kaart te brengen. Zij zijn één keer bij hem langsgegaan, maar werden toen niet binnengelaten. Telefonisch contact is ook niet gelukt. Dit heeft geleid tot de niet ontvankelijkheid van het bezwaarschift.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>6. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.<footnote-ref linkend="_c70ee5d0-dac6-45a1-9150-66834be9d857" /><?linebreak?>Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.<?linebreak?></para>
    <para>7. Gelet op bovengenoemde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van eiser ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft in beroep erop gewezen dat hij wil weten welke hulp hij eventueel in de toekomst kan krijgen en in welke omvang. Dit is des te meer van belang nu het college ter zitting heeft erkend dat eiser hulp nodig heeft.<?linebreak?>Het is voor de rechtbank niet duidelijk geworden of aan eiser is voorgehouden of eisers weigering om in gesprek te gaan met JPH Consult gevolgen kon hebben voor de inhoudelijke behandeling van zijn aanvraag. Het is daarbij tevens onduidelijk gebleven of het college voldoende inspanningen heeft verricht om met eiser in contact te komen. De rechtbank constateert dat geen verslag is gemaakt van de hoorzitting en kan dit daarom niet toetsen. Dit dient daarom voor rekening van het college te blijven. Dat eiser niet wilde dat de hoorzitting opgenomen zou worden, maakt het voorgaande niet anders, nu dit onverlet laat dat van de hoorzitting aantekeningen hadden kunnen worden gemaakt.<?linebreak?>Het beroep is daarom gegrond. Het komt de rechtbank zinvol voor dat het college afdoende zal verifiëren of voor eiser duidelijk is wat de gevolgen zijn van zijn niet meewerken aan het onderzoek, ook als dat betekent dat daarvoor meerdere huisbezoeken nodig zullen zijn.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college nader onderzoek zal moeten doen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft voor het overige geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het besluit van 26 november 2024;</para>
    <para>- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c70ee5d0-dac6-45a1-9150-66834be9d857" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>