<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:5017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:24:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_25_982</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:5017">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:5017</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:24:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:5017 Rechtbank Overijssel , 29-07-2025 / ak_25_982</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:5017:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beroep en vovo in het kader van bijzondere bijstand voor een vloer.</para>
        <para>gegrond. Sprake van dringende redenen. Eiser leeft op een betonnen vloer, kan zelf een nieuwe vloer niet leggen, sprake van gezondheidsrisico’s en verantwoordelijkheid voor een minderjarige.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:5017:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: ZWO 25/982 en 25/703</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Schriemer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A. Guliker).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand. Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een vloer.<?linebreak?>Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Er is sprake van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staan de beroepsgronden vermeld. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of eiser recht had op bijzondere bijstand en daarnaast of sprake is van dringende redenen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van een vloer en een kinderbed. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 afgewezen. Eiser heeft voorts zijn aanvraag ten aanzien van het kinderbed ingetrokken. Daarnaast heeft hij bezwaar gemaakt voor zover zijn aanvraag ten aanzien de kosten van de vloer is afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt geacht connexe te zijn aan dit beroep. </para>
        <para>Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. Het onderzoek is vervolgens geschorst, om partijen in de gelegenheid te stellen tot schikkingsonderhandelingen. Nadat van de zijde van het college te kennen is gegeven dat partijen er niet onderling zijn uitgekomen, zijn partijen in de gelegenheid gesteld een nadere zitting te vragen. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt, waarop de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totstandkoming van het bestreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. Eiser heeft op 8 november 2022 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de PW voor inrichtingskosten. Bij besluit van 24 november 2022 heeft het college de inrichtingskosten toegekend ten bedrage van  € 3.093,50. De vergoeding had blijkens de toelichting in dit besluit onder meer betrekking op stofferingskosten, zoals vloerbedekking en behang.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 15 juli 2024 heeft eiser opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd, voor zover thans van belang, voor een vloer in de woonkamer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 19 augustus 2024 heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld om (onder meer) te onderbouwen waarom hij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de vloer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser heeft bij brief van 27 augustus 2024 een aantal redenen uiteengezet waarom hij naar zijn mening niet heeft kunnen reserveren voor de kosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 29 augustus 2024 heeft het college eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld om gegevens te overleggen, in het bijzonder gegevens over zijn inkomsten via werk en ziektewet en bankafschriften over de periode 1 april 2024 tot en met 30 juni 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij primair besluit van 9 september 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Eiser heeft niet de gegevens die nodig zijn voor verdere beoordeling op tijd ingeleverd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser heeft bezwaar gemaakt. In de aanvullende gronden van het bezwaar is benoemd dat in november 2024 de vloer in de woning van eiser opengebroken moest worden om een kapotte waterleiding te vinden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij bestreden besluit van 13 maart 2025 is het primaire besluit gehandhaafd onder verbetering en aanvulling van de motivering.</para>
        <para>Het college wijst er op dat eiser al bijzondere bijstand heeft gehad voor de vervanging van de vloer, maar er blijkbaar voor gekozen heeft om dat niet te doen. Er zijn daardoor geen bijzondere omstandigheden waaruit de kosten voortvloeien. Hierbij wijst het college op de omstandigheid dat in de aanvraag in eerste instantie wordt aangegeven dat de vloer vervangen moet worden, omdat deze vochtig is en kapot door slijtage. Eiser stelt dat deze is overgenomen van oude bewoners door de oude bewindvoerder van eiser. De waterschade speelde ten tijde van het primaire besluit geen rol omdat dit nadien heeft plaatsgevonden, namelijk in november 2024. Eiser heeft gesteld dat een lekkage heeft plaatsgevonden in de woning waardoor de vloer moest worden opengebroken om de lekkage te vinden. Hierdoor heeft de vloer, die blijkens de aanvraag van 15 juli 2024 toch al aan vervanging toe zou zijn, schade opgelopen. Het feit dat de vloer is opengebroken is volgens eiser een dringende reden om de bijzondere bijstand toch toe te kennen.</para>
        <para>Ten aanzien van de (water)schade aan de vloer stelt het college dat artikel 14, aanhef en onder c, van de PW zich verzet tegen toewijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van de vloer na waterschade. Volgens dat artikel worden in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot geleden (of toegebrachte) schade. Om dergelijke kosten gaat het in dit geval. De noodzaak om de hier aan de orde zijnde vloer aan te schaffen zou dan rechtstreeks voortvloeien uit de hiervoor vermelde lekkage, waardoor (water)schade aan de vloer is ontstaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het college stelt voorts dat niet gebleken is van zeer dringende redenen. Dit is niet onderbouwd en daarnaast is naar vaste rechtspraak daarvoor vereist dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Eiser had in de eerste plaats de schade kunnen verhalen op de inboedelverzekering, maar bovendien is gebleken dat eiser al een vergoeding heeft ontvangen ter hoogte van € 450,- als compensatie voor de geleden schade. Dat eiser deze vergoeding wellicht voor andere doeleinden heeft gebruikt, doet daaraan niet af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beroepsgronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Eiser stelt dat weliswaar sprake is van schade, maar dat deze schade niet volledig wordt vergoed. Er is immers slechts € 450,-- vergoed. Voor het overige (meerdere) bestaat dan wel recht op bijzondere bijstand. Immers, de kosten doen zich voor, zijn noodzakelijk en kunnen niet uit de bijstandsnorm worden voldaan. Eiser verwijst daarbij naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).<footnote-ref linkend="_1e9031bf-5992-45f8-885c-e939e5daf8bc" /><?linebreak?>Subsidiair stelt eiser dat sprake is van een acute noodsituatie onder verwijzing naar rechtspraak van de CRvB.<footnote-ref linkend="_18cf082d-801c-415f-bdc8-8c292c6868a9" /> Het college heeft in het bestreden besluit een strengere toets aangelegd in dit kader dan de CRvB. Eiser wijst op de rechtspraak van de CRvB uit 2023<footnote-ref linkend="_462e318b-3a9a-41f9-996e-33b9b2bbfa2f" />. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Eiser heeft al een tijdje geen vloer, hij leeft op de betonnen vloer. Dit leidt tot kou en vocht in de toch al niet goed geïsoleerde woning. Ook zijn zoon slaapt in de weekenden bij hem. Dit is een situatie die slecht is voor hun gezondheid op de langere termijn. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het zijn zoon niet is toegestaan bij hem te verblijven zolang er geen vloer in zijn woning ligt. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verhuurder dreigt met huisuitzetting omdat in de woonkamer geen (onder)vloer ligt, terwijl eiser hiertoe verplicht is met het oog op mogelijk geluidsoverlast.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Eiser heeft in 2022 al bijzondere bijstand ontvangen voor inrichtingskosten, waaronder een vloer. Tijdens de bezwaarprocedure is echter gebleken dat in de woning van eiser lekkage heeft plaatsgevonden met als gevolg ernstige waterschade, waardoor de vloer moest worden vervangen. De afwijzingsgrond zoals weergegeven in het primaire besluit kon daarom ook niet langer standhouden, gelet op de gewijzigde situatie. Het college heeft daarom terecht de huidige situatie van eiser beoordeeld.<?linebreak?>Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand omdat artikel 14, eerste lid, onder c van de PW hieraan in de weg staat. Er was immers sprake van schade waarvoor eiser al een schadevergoeding had gekregen. Niet in geschil is immers dat eiser een bedrag van € 450,-- heeft ontvangen als schadevergoeding. Op grond van voornoemd artikel is geen sprake van noodzakelijke kosten van het bestaan wanneer sprake is van geleden schade, als deze reeds via het privaatrechtelijk rechtsverkeer is (of kon worden) verhaald.<footnote-ref linkend="_0572f155-7307-4517-a748-11302f389c24" /> Dat daarbij een relatief klein schadebedrag is bedongen, doet hieraan geen afbreuk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Niet in geschil is echter dat eiser sinds de wateroverlast op een betonnen vloer leeft. Weliswaar heeft eiser een schadevergoeding ontvangen, maar deze is onvoldoende gebleken om de hele woning van een vloer en ondervloer te voorzien. Eiser heeft wel getracht meer te krijgen en heeft hier ook meermaals om verzocht maar is daarin niet geslaagd tijdens de onderhandelingen die namens hem zijn gevoerd.<?linebreak?>Eiser heeft daarbij ook onbetwist aangegeven dat hij vanwege gezondheidsredenen niet in staat is tot het leggen van een vloer en dat hij daarnaast ook geen netwerk heeft in de directe omgeving die dit voor hem zou kunnen doen.<?linebreak?>De betonnen vloer leidt tot kou en vocht in de woning. Eiser heeft ook de verantwoordelijkheid voor zijn zoon. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het zijn zoon niet is toegestaan bij hem te verblijven zolang er geen vloer in zijn woning ligt vanwege gezondheidsredenen. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verhuurder dreigt met huisuitzetting omdat in de woonkamer geen (onder)vloer ligt, terwijl eiser hiertoe verplicht is met het oog op mogelijk geluidsoverlast. Deze omstandigheden zijn door het college niet betwist.<?linebreak?>Gelet op dit samenstel van factoren is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Er is sprake van een acute noodsituatie, in het bijzonder omdat eiser (onbetwist) naar voren heeft gebracht dat de omgang met zijn zoontje als gevolg van het ontbreken van de vloer wordt belemmerd en bovendien sprake is van dreigende huisuitzetting bij het ontbreken van een vloer. Gelet op het gegeven dat eiser onder bewind is gesteld is voorts aannemelijk dat eiser de kosten voor de vloer en ondervloer niet op een andere wijze kan dekken. Dit leidt aldus tot de conclusie dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college over had moeten gaan tot het verstrekken van bijstand voor de aanschaf van een vloer en ondervloer, voor zover deze met de reeds verstrekte schadevergoeding niet kunnen worden betaald.<footnote-ref linkend="_c392761b-3290-4962-b085-2d7ca9c536b3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de kosten te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. <?linebreak?>Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen waarin aan eiser bijzondere bijstand zal moeten worden toegekend voor dat deel van de woning waar nog geen vloer en ondervloer is gelegd. Het college kan het bedrag hierbij beperken tot een hoogte die nodig is voor een vloer en ondervloer die aan de minimale eisen van de woningbouwvereniging voldoen. Dit hoeft dus niet dezelfde vloer te zijn als die eiser thans in de rest van de woning heeft gelegd. Daarbij moet, gelet op het gegeven dat eiser de vloer niet zelf kan leggen, ook een bedrag dat de legkosten dekt worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank geeft het college hiervoor twee weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist. In afwachting daarvan is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, omdat gelet op deze termijn binnen relatief korte tijd reeds van de zijde van het college een bedrag aan eiser zal moeten worden toegekend. Mocht het college in hoger beroep gaan, waardoor de werking van deze uitspraak wordt opgeschort, dan kan eiser bij de CRvB om een voorlopige voorziening verzoeken.<footnote-ref linkend="_8945cf94-dbd3-40c2-8b2b-232f5656556c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.</para>
        <para>Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, tevens voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt het college op binnen twee weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;</para>
    <para>- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>De griffier is verhinderd te tekenen</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Participatiewet</emphasis>
      </para>
      <para>Artikel 15, eerste lid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 14. </para>
      <para>In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a.de voldoening aan alimentatieverplichtingen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>b. de betaling van een boete;</para>
    <para />
    <para>c. geleden of toegebrachte schade;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16, eerste lid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 35, eerste lid, bepaalt, voor zover relevant, dat een alleenstaande of gezin, recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1e9031bf-5992-45f8-885c-e939e5daf8bc" label="1">
    <para> Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:999.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18cf082d-801c-415f-bdc8-8c292c6868a9" label="2">
    <para> Uitspraak van de CRvB van 26 juni 2012, ECLIN: NL:CRVB:2012:BW9382.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_462e318b-3a9a-41f9-996e-33b9b2bbfa2f" label="3">
    <para> Uitspraak van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0572f155-7307-4517-a748-11302f389c24" label="4">
    <para> CRvB 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:999, r.o. 4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c392761b-3290-4962-b085-2d7ca9c536b3" label="5">
    <para> Vgl. CRvB 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, r.o. 4.3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8945cf94-dbd3-40c2-8b2b-232f5656556c" label="6">
    <para> Vgl. CRvB 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1794.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>