<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:4278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:36:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_25_739</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:4278">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:4278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T12:35:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:4278 Rechtbank Overijssel , 30-06-2025 / ak_25_739</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:4278:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking PW als gevolg van niet gemelde langdurige periode in het buitenland. Schending inlichtingenplicht. Zes-maanden jurisprudentie niet van toepassing op intrekking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:4278:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ZWO 25/739 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L. de Widt),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, het college </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: C.C. Treurniet-van Etten).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de Participatiewet (PW) uitkering van eiser over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden heeft gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het college heeft de uitkering van eiser terecht ingetrokken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop en tot stand komen van het bestreden besluit.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij besluit van 6 november 2024 heeft het college de PW-uitkering van eiser over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 ingetrokken. Voorts wordt de terugvordering over deze periode aangekondigd.<?linebreak?>Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totstandkoming van het bestreden besluit</emphasis>
        </para>
        <para>3. Eiser had vanaf 1 oktober 2009 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Eerst op grond van de Wet Werk en Bijstand en nadien op grond van de PW.<?linebreak?></para>
        <para>Op 16 mei 2022 is een controleur bij eisers woning langs geweest. Hij zag stapels post in de woning. Het college heeft getracht telefonisch contact te krijgen met eiser, maar is hierin niet geslaagd.</para>
        <para>
          <?linebreak?>Op 8 juni 2023 heeft het college eiser verzocht voor 22 juni 2023 gegevens aan te leveren, omdat onduidelijk was of eiser nog op zijn woonadres verbleef. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Bij brief van 23 juni 2023 is nogmaals een brief verzonden met het verzoek gegevens aan te leveren voor 3 juli 2023. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Eiser is verzocht om overzichten toe te zenden van al zijn bankrekeningen (inclusief spaarrekening(en)) van de laatste drie maanden. Het college heeft deze gegevens niet ontvangen.<?linebreak?>Bij besluit van 6 juli 2023 heeft het college met ingang van 16 mei 2023 de uitkering van eiser ingetrokken en beëindigd vanwege schending van de medewerkingsplicht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het staat daarmee in rechte vast.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 27 december 2023 heeft het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering reisdocumenten van eiser ontvangen. Hieruit blijkt dat eiser op 8 februari 2023 gereisd heeft van Qatar naar Irak en op dat moment dus niet in Nederland verbleef. Op 30 november 2023 is eiser Nederland ingereisd.<?linebreak?></para>
        <para>Gelet op de verkregen informatie bij een nieuwe aanvraag om een uitkering van eiser heeft het college bij eiser informatie opgevraagd over de periode van 1 december 2022 tot en met 15 mei 2023. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het primaire besluit van 6 november 2024 heeft het college de PW-uitkering van eiser over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023 ingetrokken omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft ten onrechte niet aan het college gemeld dat hij vanaf 8 februari 2023 niet meer in Nederland verbleef. Vanaf 7 maart 2023 verbleef eiser meer dan vier weken in het buitenland, waardoor hij vanaf die datum geen recht meer had op een PW-uitkering. <?linebreak?>In het bestreden besluit van 4 februari 2025 heeft het college dit standpunt gehandhaafd.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de intrekking van de PW uitkering over de periode van 7 maart 2023 tot en met 15 mei 2023. Eiser heeft beroepsgronden ingediend ten aanzien van het besluit van 6 juli 2023 en ten aanzien van de ingangsdatum van zijn latere (opnieuw) toegekende PW uitkering. Deze gronden hebben echter geen betrekking op het bestreden besluit, vallen daarom buiten de omvang van het geding en behoeven geen bespreking.<?linebreak?>De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.<?linebreak?><emphasis role="underline">Beroepsgronden</emphasis></para>
    <para>4. Eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het afzien van een intrekking van de uitkering rechtvaardigen. Hij voert daartoe samengevat het volgende aan.<?linebreak?>Eiser werd op 8 februari 2023 gebeld door zijn moeder die volledig in paniek was. Eiser heeft direct een ticket geboekt naar Irak en binnen 24 uur zat hij in het vliegtuig. Doordat sprake was van een zeer slechte gezondheid van zijn oude vader was eiser in een hevige gemoedstoestand en heeft hij er niet meer aan gedacht om het formulier in te vullen dan wel contact op te nemen met zijn contactpersoon bij verweerder over zijn vertrek. In het verleden heeft hij dit altijd wel gedaan. De contactpersoon hield zelfs als eiser in het buitenland was contact via Whatsapp om eiser eraan te helpen herinnering dat hij binnen de wettelijke termijn van 4 weken terug moest zijn in Nederland. Door de geschetste omstandigheden is dat nu niet gebeurd. Doordat langere tijd sprake was van ziekte van zijn vader, is eiser aanzienlijk langer gebleven dan zijn intentie was. De tijd ging snel voorbij en eiser heeft er niet meer aan gedacht om contact op te nemen met het college. Dit omdat hij alleen maar oog had voor het bieden van hulp aan zijn familie.<?linebreak?>De contactpersoon had rond de datum van 16 mei 2023 zoals gebruikelijk contact op kunnen nemen via Whatsapp. Als dat appcontact er wel was geweest had eiser het college kunnen informeren en toestemming kunnen vragen om langer te blijven dan wel de keuze te maken om terug te komen naar Nederland. Dan was sprake geweest van schadebeperkend handelen door het college. Dit was slechts een kleine moeite en werd eerder wel gedaan. Het had eiser de mogelijkheid gegeven zijn schade te beperken met betrekking tot zijn uitkering en woning. Eiser wist ook niet wat de situatie was met zijn uitkering, omdat de Stadsbank tot augustus 2023 zijn huur doorbetaalde.<?linebreak?>In het bestreden besluit is de uitkering ingetrokken met ingang van 7 maart 2023. De intrekking is onjuist, een opschorting had in de reden gelegen. Immers, op het moment dat eiser weer terug kwam in Nederland op 30 november 2023 voldeed hij weer aan de vereisten voor voortzetting van de bijstandsuitkering. Daarom heeft hij zich weer bij het college gemeld. </para>
    <parablock>
      <para>Eiser wijst op de zes maanden jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Gewoonlijk vindt deze geen toepassing als er sprake is van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting. Eiser verzoekt om analoge toepassing van deze rechtspraak gezien zijn gehele situatie en de eerdere directe en goede communicatie tussen eiser en de contactpersoon. In het kader van de evenredigheid wordt opgemerkt dat er een overschrijding is van de zes maanden nu het college op 30 november 2023 in elk geval duidelijk was wat de situatie was en er voorts kennelijk al op 15 mei 2023 signalen waren dat er mogelijk sprake zou zijn van een onterechte uitbetaling van de uitkering.</para>
      <para>Het college heeft er bij het intrekkingsbesluit van de (bijzondere) bijstandsuitkering, anderhalf jaar later, toen verweerder geheel op de hoogte was van de gehele gang van zaken, geenszins rekening mee gehouden dat eiser ook in het buitenland kosten heeft moeten maken voor zijn levensonderhoud gedurende de in het geding zijnde periode. Daarnaast heeft eiser zijn gebruikelijke vaste lasten gehad, zoals gas/water/licht en de volledige huursom.</para>
      <para>Door daar geen rekening mee te houden in de bestreden beslissing is het besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van de beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Niet in geschil is dat eiser op 8 februari 2023 Nederland heeft verlaten en pas in november 2023 terug is gekeerd. Eiser erkent dat hij hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college en dat dit wel had gemoeten. Hiermee is gegeven dat sprake is van een schending van de inlichtingenplicht.<?linebreak?>De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, zoals de ziekte van zijn vader, zijn weliswaar begrijpelijk, maar ontslaan hem geenszins van zijn inlichtingenplicht. Dat zijn contactpersoon hem in het verleende regelmatig herinnerde aan zijn verplichtingen evenmin.<?linebreak?></para>
    <para>6. Het college heeft de bijstand over de te beoordelen periode ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW, dat van toepassing is in het geval de betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd. Volgens vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_f70de491-46ed-4144-bd58-ddaadc873683" /> bestaat op grond van de verplichtende formulering van deze bepaling geen – impliciete – bevoegdheid voor de bijstandverlenende instantie om in een concreet geval te beslissen over de wijze waarop of de omvang waarin de bijstand wordt herzien of ingetrokken.<footnote-ref linkend="_9987ad7c-da6c-4387-9399-983f00934bd6" /> Anders dan appellant wenst, kan niet op grond van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden van intrekking worden afgezien, omdat een hiertoe strekkende bepaling in de PW ontbreekt. <?linebreak?></para>
    <para>7. Het beroep van eiser op de zesmaanden jurisprudentie kan evenmin slagen. Deze rechtspraak heeft betrekking op besluiten waarin sprake is van een terugvordering door het bestuursorgaan van onverschuldigd betaalde uitkering. Hier ligt echter niet de terugvordering ter beoordeling voor, maar de intrekking. Reeds daarom kan het betoog van eiser niet gevolgd worden. </para>
    <para>Overigens is deze jurisprudentie doorgaans enkel van toepassing is in het geval een terugvordering onnodig is opgelopen door een stilzitten van het college en er geen schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden. Eiser heeft echter erkend de inlichtingenplicht te hebben geschonden. Aangezien sprake is van een afgesloten periode in het verleden is de terugvordering ook niet door het toedoen van het college onnodig opgelopen. Ook om die reden zou een beroep op deze jurisprudentie falen.<?linebreak?>Het betoog van eiser dat de intrekking van zijn uitkering onzorgvuldig is geweest omdat het college niet bij het besluit heeft betrokken dat zijn vaste lasten hier te lande gewoon doorliepen, wordt niet gevolgd. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de CRvB.<footnote-ref linkend="_cad4cab5-79a0-4301-8f2a-0850d868ebfc" /><?linebreak?>De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser aldus, dat hij een beroep doet op dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. In de omstandigheid dat eisers vader ernstig ziek bleek en dat hij onverhoopt langdurig in het buitenland heeft verbleven ziet de rechtbank echter onvoldoende reden voor toepassing van deze bepaling.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f70de491-46ed-4144-bd58-ddaadc873683" label="1">
    <para>Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:97</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9987ad7c-da6c-4387-9399-983f00934bd6" label="2">
    <para> Zie de uitspraken van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cad4cab5-79a0-4301-8f2a-0850d868ebfc" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de CRvB van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9649</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>