<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2025:4274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T13:34:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ak_24_3740_3745</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:4274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:4274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T13:33:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2025:4274 Rechtbank Overijssel , 30-06-2025 / ak_24_3740_3745</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2025:4274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>AOW. Terugvordering als gevolg van wijziging naar de gehuwdennorm. Geen gezamenlijke bankrekeningen, wel sprake van wederzijdse zorg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2025:4274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: ZWO 24/3740 en 24/3745 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , (eiser) en [eiseres] (eiseres) uit [woonplaats] , gezamenlijk eisers</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.M. Mulder).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de besluiten van de SVB om de pensioenen van eisers op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 1 mei 2022 te wijzigen naar de gehuwdennorm en de terugvordering als gevolg van deze wijziging. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht de norm heeft gewijzigd naar de gehuwdennorm. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser ontvangt sinds 24 maart 2021 een pensioen op grond van AOW naar de ongehuwdennorm.<?linebreak?>Eiseres ontvangt sinds 9 december 2019 een pensioen op grond van de AOW. Laatstelijk naar de ongehuwdennorm. <?linebreak?>De SVB heeft op verschillende momenten onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eisers. Aan eiser is op 2 november 2021 een formulier “onderzoek woonsituatie” toegezonden. Eiser verbleef op dat moment op een campingadres.<?linebreak?>Laatstelijk is op 5 december 2022 een formulier “onderzoek woonsituatie” aan eiseres toegezonden omdat het de SVB uit informatie van de gemeente was gebleken dat zij en eiser op hetzelfde woonadres ingeschreven stonden. Op 24 januari 2023 heeft eiseres het formulier geretourneerd. Zij heeft daarbij de huurovereenkomst tussen haar en eiser bijgevoegd. Uit de huurovereenkomst blijkt dat eiseres aan eiser sinds 1 april 2022 een kamer verhuurt in haar woning. De huur van de kamer bedraagt € 400,- per maand. Eiser mag daarbij ook mede gebruik maken van de overige ruimten in het huis. Daarnaast betaalt hij € 100,- per maand voor het gebruik van voorzieningen, zoals onder meer het gas/water/ en licht.<?linebreak?>In 2024 is de SVB een onderzoek op gestart naar eisers waarbij zij op a-selecte wijze geselecteerd zijn in het kader van het Thema-onderzoek "2024 Inwonend bij derde".<?linebreak?>In dat kader is op 16 april 2024 door toezichthouders van de SVB een huisbezoek verricht op het woonadres van eisers. Van het gesprek is een verslag op gemaakt wat bij de besluitvorming is betrokken.<?linebreak?>Bij eiser is bij primair besluit van 24 april 2024 het recht op AOW herzien naar de gehuwdennorm per 1 april 2022. De SVB stelt zich op het standpunt dat eisers vanaf deze datum een gezamenlijke huishouding voeren.<?linebreak?>Bij separaat besluit van diezelfde datum is van eiser een bedrag van € 11.078,80 teruggevorderd aan onterecht uitgekeerd AOW-pensioen.<?linebreak?>Bij eiseres is bij primair besluit van 24 april 2024 het recht op AOW herzien naar de gehuwdennorm per 1 april 2022. De SVB stelt zich op het standpunt dat eisers vanaf deze datum een gezamenlijke huishouding voeren.<?linebreak?>Bij separaat besluit van diezelfde datum is van eiseres een bedrag van € 7.155,66 teruggevorderd aan onterecht uitgekeerd AOW-pensioen.<?linebreak?>Eisers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt.<?linebreak?>Met de bestreden besluiten van 19 september 2024 en 7 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is de SVB deels aan de bezwaren tegemoet gekomen.<?linebreak?>In het besluit van 19 september 2024 heeft de SVB aan eiser bericht dat in het primaire besluit abusievelijk de datum van 1 april 2022 is genoemd als herziening. De juiste herzieningsdatum is 1 mei 2022. Er bestaat echter reden om de terugvordering te matigen tot 50%, zijnde € 5.330,19. Eiser heeft weliswaar niet aan zijn mededelingsverplichting voldaan en niet tijdig de SVB geïnformeerd over de gezamenlijke huishouding, maar daar staat tegenover dat de SVB eerder onderzoek had kunnen doen nadat eiseres het onderzoeksformulier in januari 2023 had geretourneerd.<?linebreak?>In het besluit van 7 oktober 2024 heeft de SVB aan eiseres bericht dat in het primaire besluit abusievelijk de datum van 1 april 2022 is genoemd als herziening. De juiste herzieningsdatum is 1 mei 2022. <?linebreak?>Er bestaat reden om de terugvordering te matigen tot 50%, zijnde € 3521,32. Eiseres heeft namelijk niet aan haar mededelingsverplichting voldaan en niet tijdig de SVB geïnformeerd over de gezamenlijke huishouding, maar daar staat tegenover dat de SVB eerder onderzoek had kunnen doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de SVB. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de herzieningen van de AOW-pensioenen van eisers en de daaruit volgende gematigde terugvorderingen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="underline">Beroepsgronden</emphasis>
    </para>
    <para>4. Eisers bestrijden dat zij een gezamenlijke huishouding hebben.<?linebreak?>Zij wonen weliswaar onder één dak op hetzelfde adres en hebben beiden een sleutel van de voordeur, maar het begrip “samenwonen” heeft voor hen een andere betekenis dan voor de SVB. Het is niet een vorm waarin zij samen onder één dak leven en wonen. Het is één stap verder dan de vorm “LAT-relatie” en heeft ook meer een commerciële/economische reden. Eiseres is sinds 1987 in Nederland en heeft daardoor geen volledige AOW-pensioen opbouw. Eiser heeft daarom bij haar een kamer(slaapkamer) gehuurd. Zo kon hij haar commercieel/financieel ondersteunen, omdat haar huurtoeslag wegviel na zijn kamerhuur.<?linebreak?>Eiser herkent zich niet in de stelling van de SVB dat hij en eiseres voldoen aan het zorgcriterium. Dat er incidenteel, bij ziekte, eens een keer extra zorg is, is niet meer dan normaal. Dat doe je ook voor je buurman/vrouw. Eisers wijzen ook op andere “samenwonende” situaties die bekend en mogelijk zijn, zoals tussen broer/zus, vader/zoon, pensionvorm, studenten en kamerhuurders. Eiser begrijpt ook niet waarom de SVB zijn twee auto’s bij de beoordeling heeft betrokken.<?linebreak?>Dat de huurprijs niet is aangepast en niet reëel zou zijn, is volgens eisers nergens op gebaseerd. Er zijn studenten die meer dan € 400/500 per maand betalen voor een kamer.<?linebreak?>Eiser bestrijdt dat hij niet aan de mededelingsverplichting zou hebben voldaan. Hij heeft zijn adreswijziging doorgegeven eind 2021 en in begin 2023 heeft hij een kopie van het huurcontract doorgezonden aan de SVB. Ook eiseres heeft tijdig haar adreswijziging doorgegeven en het formulier in 2023 teruggezonden. Dat de SVB pas veel later nader onderzoek heeft gedaan, ligt niet aan eisers. Bij de huiscontrole in april 2024 heeft eiser ook aangeboden om de slaapkamer of de caravan te bekijken, maar hier is verder van afgezien door de SVB. <?linebreak?>Eisers betogen ten slotte dat hun relaas niet juist weer is gegeven in de gespreksverslagen van de SVB. Hierdoor berusten de besluiten op een onjuiste grondslag. Eisers eten nagenoeg nooit samen en brengen veel minder tijd samen door dan het verslag suggereert.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="underline">Toetsingskader</bridgehead>
    <para>5. In artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat voor de toepassing van de AOW als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1, vierde lid, van de AOW is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Niet in geschil is dat eisers hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Welk motief daar aan te grondslag ligt is volgens vaste rechtspraak niet van belang.<footnote-ref linkend="_85dcd4de-c12e-4ccb-a965-d7b371288c7e" /></para>
        <para>Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of zij voor elkaar zorgdragen financieel of anderszins. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.<footnote-ref linkend="_2b5eb943-d633-41aa-902a-233eb7ed17dd" /></para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1</nr>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de SVB voldoende grondslag heeft voor haar standpunt in de bestreden besluiten dat eisers vanaf april 2022 een gezamenlijke huishouding voeren. De SVB heeft daarbij mogen verwijzen naar de inhoud van de gespreksverslagen van 16 april 2024 die zijn opgesteld naar aanleiding van het huisbezoek.<?linebreak?>Dat van deze verklaringen niet zou mogen worden uitgegaan wordt door de rechtbank niet gevolgd. Eisers erkennen dat de verklaringen aan hen zijn voorgelezen en dat zij deze vervolgens hebben ondertekend. In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_61fb4136-6488-41e8-a8ff-11a9d1a75570" /><?linebreak?>Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Daarbij betrekt de rechtbank dat het huisbezoek om 14.15 is aangevangen, en het document van het gespreksverslag om 16.07 is opgeslagen. De SVB heeft ter zitting toegelicht dat daarna het document wordt vergrendeld tegen bewerking. Ook om die reden is niet aannemelijk dat nadien het verslag nog is gewijzigd en dit niet de verklaringen zouden zijn zoals door eisers afgelegd en zoals het aan hen is voorgelezen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.3.2</nr>
        <para>Uit de gespreksverslagen blijkt dat eisers weliswaar geen gezamenlijke bankrekeningen of verzekeringen hebben, maar dat zij wel de lasten van de huishouding delen. Zij doen om de beurt boodschappen en dan vindt verder geen verrekening plaats. De huishoudelijke taken in huis zijn verdeeld. Eiseres doet het meest, maar eiser maakt ook wel eens de douche schoon of doet de was en beiden koken (ook voor elkaar). Eiseres gebruikt voorts één van de auto’s van eiser en als er grote kosten aan deze auto zijn betaalt ze ook mee. Daarnaast gaan eisers geregeld gezamenlijk op vakantie en naar de jaarplaats op de camping. Daarnaast wordt er voor elkaar gezorgd bij ziekte en gaat eiseres met eiser mee naar het ziekenhuis als dat nodig is. Ten slotte heeft eiser aangegeven dat hij een werkhoek heeft in de woonkamer. Hij huurt een slaapkamer. Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat de slaapkamer niet afgesloten kan worden. In de slaapkamer bevindt zich een kledingkast die hij deelt met eiseres. <?linebreak?>Uit bovenstaande volgt volgens de rechtbank genoegzaam dat van wederzijdse zorg sprake is.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>In de bestreden besluiten heeft de SVB voorts al de nieuwe beleidsregel SB1407 toegepast, als gevolg waarvan de terugvorderingen met 50% zijn gematigd. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor verdere matiging. De SVB heeft erkend dat eerder gehandeld had kunnen worden als actie was ondernomen naar aanleiding van het teruggezonden formulier van eiseres van januari 2023. Daar staat tegenover dat eiser ( en eiseres) reeds in 2022 op de hoogte waren van hun mededelingsplicht. In het verleden hebben eisers ook samengewoond en destijds hebben zij dit ook bij de SVB gemeld. Daar komt bij dat eiser in november 2021 nog een formulier “onderzoek woonsituatie” heeft gehad. Bij dit formulier zit een bijlage die uiteenzet wat de SVB onder wederzijdse zorg verstaat. Vanaf november 2021 en dus voor het samenwonen in april 2022 op hetzelfde woonadres, wisten eisers dus, althans konden zij redelijkerwijs weten wat wordt verstaan onder wederzijdse zorg en hadden zij er dus rekening mee kunnen houden dat het samenwonen in de vorm zoals zij hebben gedaan tot intrekking en terugvordering van AOW zou kunnen leiden.<?linebreak?></para>
        <para>6.	De beroepen slagen niet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluit in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.E.G.M. ten Kate, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “<emphasis role="underline">Formulieren en inloggen</emphasis>” op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_85dcd4de-c12e-4ccb-a965-d7b371288c7e" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2098</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b5eb943-d633-41aa-902a-233eb7ed17dd" label="2">
    <para> Zie ook de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023,  ECLI:NL:CRVB:2023:2284</para>
  </footnote>
  <footnote id="_61fb4136-6488-41e8-a8ff-11a9d1a75570" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>