<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2024:5951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-15T10:36:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11262571 \ CV EXPL  24-2987</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:5951">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:5951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-15T10:35:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2024:5951 Rechtbank Overijssel , 12-11-2024 / 11262571 \ CV EXPL  24-2987</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2024:5951:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen een betalingstermijn van 14 dagen zijn overeengekomen. Nu gedaagde binnen de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur heeft betaald, heeft eiser geen opeisbare vordering op gedaagde. Daarom is gedaagde geen rente en incassokosten verschuldigd. De vordering van eiser wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2024:5951:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">OVERIJSSEL</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11262571 \ CV EXPL  24-2987</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 12 november 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] B.V. MEDE H.O.D.N. [eiser]</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats 1],</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser],</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.E. Hamer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats 2],</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding<?linebreak?>- de conclusie van antwoord<?linebreak?>- de conclusie van repliek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Samenvatting </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen een betalingstermijn van 14 dagen zijn overeengekomen. Nu [gedaagde] binnen de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur heeft betaald, heeft [eiser] geen opeisbare vordering op [gedaagde]. Daarom is [gedaagde] geen rente en incassokosten verschuldigd. De vordering van [eiser] wordt afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] de voorruit van een vrachtwagen van [gedaagde] vervangen en gekalibreerd. [gedaagde] moet hiervoor een bedrag van € 996,62 betalen aan [eiser]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 19 maart 2024 heeft [gedaagde] de factuur van [eiser] ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op 12 april 2024 heeft [gedaagde] het bedrag van € 996,62 aan [eiser] betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 206,14, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt, bezien de achtergrond van voormelde feiten, aan haar vordering het navolgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de factuur van 8 november 2023 niet binnen de betalingstermijn van 14 dagen betaald. Daarom heeft zij haar vordering uit handen moeten geven aan haar incassogemachtigde. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW), tot 4 juli 2024 berekend op een bedrag van € 56,65. Ook vordert [eiser] de incassokosten ten bedrage van € 149,49 op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c en lid 5 BW. De betaling van [gedaagde] heeft [eiser] eerst in mindering gebracht op de incassokosten en de verschenen rente, zodat [gedaagde] nog een bedrag van € 206,14 moet betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. Het verweer van [gedaagde] zal hierna, voor zover van belang, worden besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In deze procedure ligt de vraag voor of [gedaagde] rente en incassokosten moet betalen, hetgeen door [gedaagde] wordt betwist. [gedaagde] stelt zich in dit kader op het standpunt dat zij de factuur pas op 19 maart 2024 heeft ontvangen en binnen de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen heeft betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] de factuur op 19 maart 2024 heeft ontvangen. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat zij de factuur eerder op 8 november 2023 heeft toegezonden aan [gedaagde], maar dit is, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], niet komen vast te staan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Partijen verschillen van mening over welke betalingstermijn van toepassing is. De betalingstermijn bedraagt volgens [eiser] 14 dagen, zoals vermeld op de factuur, terwijl [gedaagde] aansluit bij de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen een betalingstermijn van 14 dagen zijn overeengekomen. [eiser] verwijst weliswaar naar de betalingstermijn op de factuur, maar een betalingstermijn moet (vooraf) worden overeengekomen en kan niet naderhand eenzijdig worden opgelegd. De kantonrechter moet daarom uitgaan van de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen volgens artikel 6:119a lid 2 BW. Dat betekent dat nu [gedaagde] op 12 april 2024 heeft betaald, en derhalve binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur, [eiser] geen opeisbare vordering heeft op [gedaagde]. Daarom hoeft [gedaagde] geen rente en incassokosten te betalen. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>
        [eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil nu zij in persoon procedeert en er geen sprake is van noodzakelijke reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijst de vordering van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde]  vastgesteld op nihil.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2024 (cs).</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>