<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2024:5654</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-14T10:46:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08.994515.18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JM 2025/8 met annotatie van S. Pieters</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:5654">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:5654</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-31T10:16:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2024:5654 Rechtbank Overijssel , 31-10-2024 / 08.994515.18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2024:5654:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 3.078,72 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank oordeelt dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door het dumpen van drugsafval.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2024:5654:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 08.994515.18</para>
      <para>Datum vonnis: 31 oktober 2024 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende aan de [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 4.375,66.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is eerst behandeld op de openbare terechtzitting van 16 juli 2020. Op</para>
      <para>30 juli 2020 heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de </para>
      <para>ontnemingsvordering. Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.</para>
      <para>Op 24 mei 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank</para>
      <para>vernietigd en het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.</para>
      <para>Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Overijssel, om met inachtneming van het arrest recht te doen.</para>
      <para>Op 21 mei 2024 heeft de Hoge Raad het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is na terugwijzing behandeld op de openbare terechtzitting van</para>
      <para>17 oktober 2024. De veroordeelde is op die terechtzitting niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman mr. J.H. Weermeijer-Patist, advocaat in Leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 3.420,80 en dat – in verband met overschrijding van de redelijke termijn – aan de veroordeelde een betalingsverplichting moet worden opgelegd van € 3.078,72.</para>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden. Verder heeft de raadsman een draagkrachtverweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 24 september 2018 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1 en feit 3: telkens: het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">artikel 10.2,eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2 en feit 4: de voortgezette handeling van telkens: het medeplegen van overtreding van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 5 primair: het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof op en in de bodem,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de lucht en in het oppervlaktewater brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gezondheid te duchten is. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank staat voor de vraag of de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meerdere strafbare feiten. De veroordeelde is veroordeeld voor (kort gezegd) dumping van drugsafval. Door het plegen van de feiten hebben veroordeelde en zijn mededaders het drugsafval niet bij een erkende afvalverwerker hoeven aanbieden. De veroordeelde heeft ten gevolge van deze gepleegde feiten dan ook kosten bespaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 april 2020 is een berekening gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de hand van facturen van de</para>
        <para>gemeente De Wolden, de provincie Zuid-Holland, [internetsite] en [bedrijf] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de facturen van de gemeente De Wolden en de provincie Zuid-Holland blijkt dat de</para>
        <para>veroordeelde en zijn mededaders door het plegen van de feiten een bedrag van € 13.459,39 hebben bespaard. Uit de facturen van [internetsite] en [bedrijf] blijkt dat veroordeelde en zijn mededaders voor het plegen van de feiten € 332,39 kosten hebben gemaakt voor de huur van een pallettruck en een bakwagen. Het wederrechtelijk voordeel is op basis daarvan vast te stellen op € 13.127,--. Dit voordeel is pondspondsgewijs verdeeld over de drie veroordeelden. De veroordeelde heeft aldus € 4.375,66 voordeel verkregen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter zitting heeft de officier van justitie aangevoerd dat op dit bedrag VOT-kosten ad € 260,-- en een contractoraandeel ad € 694,86 in mindering dienen te worden gebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van het voorgaande het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 3.420,80.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overschrijding van de redelijke termijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de</para>
        <para>redelijke termijn en dat die schending dient te leiden tot matiging van de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. De redelijke termijn is aangevangen op de datum waarop</para>
        <para>de ontnemingsvordering is aangekondigd, te weten 10 september 2018. Dit betekent dat</para>
        <para>sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. In gevallen waarin de</para>
        <para>redelijke termijn met zes tot twaalf maanden is overschreden, wordt het ontnemingsbedrag in</para>
        <para>beginsel met tien procent verminderd, met dien verstande dat de maximale vermindering</para>
        <para>€ 5.000,-- mag bedragen. In gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf</para>
        <para>maanden is overschreden, dient naar bevind van zaken te worden gehandeld. De rechtbank acht in dit geval een vermindering van de betalingsverplichting met tien procent passend. De rechtbank ziet geen aanleiding de betalingsverplichting nog verder te verminderen, omdat de vertraging door het ingestelde cassatieberoep niet valt toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting</para>
        <para>moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen</para>
        <para>voordeel van een bedrag van € 3.078,72. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op <emphasis role="bold">€ 3.420,80</emphasis>; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van <emphasis role="bold">€ 3.078,72</emphasis> aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">61 dagen</emphasis>.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. L. Kesteloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Buiten staat</emphasis>
      </para>
      <para>Mr. L. Kesteloo en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>