<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2024:4812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-17T14:50:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">71/010318-24 en 71/176776-24 (gevoegd ter terechtzitting)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:4812">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:4812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-17T14:48:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2024:4812 Rechtbank Overijssel , 17-09-2024 / 71/010318-24 en 71/176776-24 (gevoegd ter terechtzitting)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2024:4812:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 60.258,02 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2024:4812:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 71/010318-24 en 71/176776-24 (gevoegd ter terechtzitting)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum vonnis: 17 september 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende aan de [adres]</para>
      <para>, </para>
      <para>nu verblijvende in de [locatie].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 60.258,02.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 3 september 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. N.M. van Wersch, advocaat in Amsterdam, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. </para>
      <para>Op de terechtzitting van 3 september 2024 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Op het door de officier van justitie gevorderde bedrag moet een aantal bedragen in mindering worden gebracht, omdat veroordeelde deze bedragen moest doorsturen naar andere personen of bedrijven en hij dus niet daadwerkelijk voordeel heeft genoten van deze bedragen. Zo heeft veroordeelde in de ten laste gelegde periode tenminste een bedrag van € 4.493,05 overgemaakt naar privépersonen en heeft hij middels het Paypal-account van zijn partner betalingen gedaan aan derden met een totaalbedrag van € 12.355,00. Ten aanzien van de aangetroffen labels en kwitanties van merkkleding in de woning van veroordeelde heeft de raadsman gesteld dat het een reële mogelijkheid is dat het geen echte merkkleding betrof en dat niet kan worden vastgesteld dat de goederen waarvan een label werd aangetroffen niet ook zijn meegenomen bij het bepalen van de waarde van de goederen die genoemd werden op de kwitanties die in de woning werden aangetroffen. De raadsman heeft ook verzocht het bedrag aanzienlijk lager te bepalen in verband met de te verwachten draagkracht van veroordeelde. Er is sprake van bewindvoering en te voorzien valt dat veroordeelde een zeer zware financiële periode tegemoet gaat, die niet snel beter wordt als hij uit detentie komt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 17 september 2024 veroordeeld voor de strafbare feiten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>het misdrijf:</para>
        <para>medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het transformeren en vervaardigen van wapens en munitie een beroep of gewoonte maken;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2</emphasis>
        </para>
        <para>het misdrijf: </para>
        <para>medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º;</para>
        <para>en:</para>
        <para>medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;</para>
        <para>en: </para>
        <para>medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 3</emphasis>
        </para>
        <para>het misdrijf: </para>
        <para>poging tot handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en van het verhandelen van wapens en munitie een beroep maken;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 4</emphasis>
        </para>
        <para>het misdrijf: </para>
        <para>opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 5</emphasis>
        </para>
        <para>het misdrijf: </para>
        <para>eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd;</para>
        <para>en:</para>
        <para>van het plegen van witwassen een gewoonte maken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat geldbedragen en goederen die het voorwerp van het misdrijf ‘witwassen’ vormen, niet reeds daardoor (geheel of ten dele) wederrechtelijk verkregen voordeel zijn. In artikel 36e, derde lid, Sr is echter bepaald dat wederrechtelijk verkregen voordeel ook kan worden ontnomen indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Artikel 36e, derde lid, Sr stelt geen eisen aan de aard of de ernst van deze andere strafbare feiten die tot het voordeel hebben geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij gebrek aan (voldoende) legale inkomsten en bij gebrek aan enig andersluidende aannemelijke verklaring van de veroordeelde, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij de  contante geldbedragen die hij op de rekening van zijn (ex)partner stortte uit misdrijf heeft verkregen. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde de aankopen van merkkleding en luxegoederen enkel heeft kunnen doen met geld dat hij door middel van strafbare feiten tot zijn beschikking had. De rechtbank zal het voordeel schatten op grond van het bepaalde in artikel 36e, derde lid, Sr.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank zich gebaseerd op de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Contante bedragen en uitgaven aan luxegoederen</emphasis>
        </para>
        <para>Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank de geldbedragen ten aanzien waarvan veroordeelde is veroordeeld ter zake witwassen onder feit 5. Uit het veroordelend vonnis is gebleken dat de veroordeelde de volgende contante geldbedragen tot zijn beschikking had en dat de volgende contante uitgaven zonder legale herkomst door hem zijn gedaan:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 40.027,70 aan contante bedragen die werden gestort op de bankrekening van medeveroordeelde [medeverdachte]; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 20.230,32, bestaande uit merkkleding en luxeartikelen, waarvan een contant bedrag van € 900,00 werd betaald in een [bedrijf], een bedrag van </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>€ 9.787,32 dat werd afgeleid uit het aantreffen van kwitanties van luxegoederen in de woning van veroordeelde en een bedrag van € 9.543,00 dat werd afgeleid uit het aantreffen van afgeknipte designerlabels in de woning van veroordeelde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de overwegingen in het veroordelend vonnis volgt dat de rechtbank van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat bedragen zijn doorgestuurd naar andere personen of bedrijven en ook niet dat sprake was van nepartikelen of dubbeltelling.     </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten</emphasis>
        </para>
        <para>Het is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt waarmee bij de berekening van het voordeel rekening moet worden gehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>De voornoemde bedragen bij elkaar opgeteld, leidt tot een totaalbedrag van € 60.258,02. De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op dit bedrag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 60.258,02. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Draagkrachtverweer</emphasis>
        </para>
        <para>In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld, indien aanstonds duidelijk is dat veroordeelde op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat veroordeelde op dit moment geen draagkracht heeft is, gelet op het feit dat sprake is van bewindvoering, aannemelijk. Dat veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben, is echter niet aanstonds duidelijk. Weliswaar is bij veroordelend vonnis een langdurige gevangenisstraf aan veroordeelde opgelegd en zal veroordeelde na het ondergaan daarvan zijn leven, ook in financiële zin, weer moeten opbouwen. Daar staat tegenover dat het vanwege de leeftijd van verdachte te verwachten is dat hij tegen die tijd in staat zal zijn om inkomsten uit werk te genereren. De rechtbank verwerpt dan ook het gevoerde draagkrachtverweer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op <emphasis role="bold">€ 60.258,02</emphasis>; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van <emphasis role="bold">€ 60.258,02</emphasis> aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt de duur van de <emphasis role="bold">gijzeling</emphasis> die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">1080</emphasis> dagen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en  </para>
      <para>mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Leyendijk en </para>
      <para>mr. K. Drenth, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>