<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2024:2569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-16T14:25:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08.996046.20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:2569">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:2569</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-16T10:50:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2024:2569 Rechtbank Overijssel , 16-05-2024 / 08.996046.20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2024:2569:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op €125.000,- en legt de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen.</para>
        <para>De veroordeelde was veroordeeld tot het meermaals medeplegen van witwassen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2024:2569:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 08.996046.20</para>
      <para>Datum vonnis:  16 mei 2024 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende aan de [woonplaats]<?linebreak?>[woonplaats]  (Spanje). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel zijnde een bedrag van € 125.000,--.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorafgaande aan de openbare terechtzitting van 2 mei 2024 heeft de rechtbank beslist tot een schriftelijke uitwisseling van standpunten. Vervolgens zijn ingediend:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een conclusie van eis van de officier van justitie, gedateerd 16 april 2024;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een e-mail met bijlage van de raadsman van veroordeelde mr. J.C. Reisinger gedateerd 29 april 2024. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 2 mei 2024. Op voornoemde terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gehandhaafd. De rechtbank heeft kennisgenomen van wat namens de veroordeelde door zijn raadsman mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht. De veroordeelde is op die terechtzitting niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De standpunten van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft aan haar vordering - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de veroordeelde is op 5 oktober 2021 een ontnemingsschikking, als bedoeld in artikel 511c Wetboek van Strafvordering (verder Sv), tot stand gekomen. Door het CJIB is op 27 september 2023 gemeld dat de veroordeelde niet meer voldeed aan zijn betalingsverplichtingen. Vervolgens is deze ontnemingsvordering ingediend<emphasis role="italic">. </emphasis>Gelet op artikel 511b Sv en artikel 6:4:18 Sv, is deze ontnemingsvordering tijdig ingediend. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het vonnis van deze rechtbank van 1 juli 2020 en hoofdstuk 6 van het OPV-001 (van procesdossier Masc-beil) en het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal van bevindingen genummerd als AMB-027.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft ter terechtzitting geen inhoudelijk verweer gevoerd. Wel is aangestipt dat veroordeelde reeds € 90.466,96 heeft voldaan in het kader van de schikking zoals bedoeld in artikel 511 c Sv. Het vonnis van 1 juli 2020 is nog niet onherroepelijk. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 1 juli 2020 onder meer veroordeeld voor het volgende strafbare feit:</para>
        <para>- <emphasis role="italic">feit 6</emphasis>: het misdrijf: <emphasis role="bold">medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd</emphasis>,  gepleegd in de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 april 2020. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit artikel 36e, eerste lid, Sr volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Niet is vereist dat het vonnis onherroepelijk is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 125.000,--. De rechtbank ontleent dit bedrag aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen voor feit 6 zijn vervat, zoals weergeven in het vonnis in de strafzaak<footnote-ref linkend="_0cb44427-359b-4f4d-ad36-adfaf0b1b318" /> en in het bijzonder AMB-027.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overwoog in haar vonnis van 1 juli 2020 dat medeverdachte [medeverdachte] op 26 maart 2020 op de bankrekening van zijn bedrijf [bedrijf 1] B.V. een geldbedrag van € 880.000,-- heeft ontvangen van [bedrijf 2] GmbH en vervolgens - in opdracht van veroordeelde -  een bedrag van in totaal € 125.000,-- naar veroordeelde heeft overgemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De volgende overboekingen hebben plaatsgevonden: </para>
      </parablock>
      <para>- op 26 maart 2020 een overboeking van € 75.000,— naar [veroordeelde], met </para>
      <para>		bankrekeningnummer [rekeningnummer 1];</para>
      <para>- op 29 maart 2020 een overboeking van € 25.000,— naar [veroordeelde], met </para>
      <para>		bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] 765;</para>
      <para>- op 29 maart 2020 een overboeking van € 25.000,— naar [bedrijf 3] BV, </para>
      <para>		met bankrekeningnummer [rekeningnummer 3].</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De FIOD heeft de geldstromen van voornoemde bedragen op voornoemde bankrekeningen onderzocht.<footnote-ref linkend="_3dc22c8f-b5ca-44bd-8b7f-3a08a4d5e5f4" /> Hieruit blijkt dat veroordeelde de beschikking had over deze bankrekeningen en geldbedragen en dat hij de geldbedragen van deze bankrekeningen vervolgens privé heeft aangewend (bijvoorbeeld voor aflossing schulden, inkopen goederen/boodschappen) en/of heeft doorgeboekt/geparkeerd op andere bankrekeningen van onder meer zijn partner [naam], hun kinderen en/of andere personen. Deze feiten en omstandigheden alsmede de omvang van het verkregen voordeel zijn niet betwist door de verdediging. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 125.000,--. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ter zitting is gebleken dat de officier van justitie en de raadsman het erover eens zijn dat veroordeelde in het kader van de eerdergenoemde ontnemingsschikking reeds een bedrag van € 90.466,96 heeft voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 125.000,--; </para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 125.000,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door J.T. Pouw, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Buiten staat</emphasis>
      </para>
      <para>Mr. F.M.A. ’t Hart is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0cb44427-359b-4f4d-ad36-adfaf0b1b318" label="1">
    <para>Het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel van 1 juli 2020 met parketnummer 08.996046-20, pagina 10 en 11( onder het kopje ‘ten aanzien van feit 6’). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3dc22c8f-b5ca-44bd-8b7f-3a08a4d5e5f4" label="2">
    <para>Het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2020, dossiernummer 68314 van de Belastingdienst/FIOD (onderzoek Masc-Beil), pagina’s 394 tot en met 400, genummerd als AMB-027.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>