<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2023:1168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-31T11:34:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10202498 \ CV EXPL  22-4150</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Enschede</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2023:1168">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2023:1168</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-31T11:31:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2023:1168 Rechtbank Overijssel , 21-03-2023 / 10202498 \ CV EXPL  22-4150</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2023:1168:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Deze zaak gaat over de vraag of A  op grond van de huur- en serviceovereenkomst een bedrag heeft te vorderen van gedaagde.</para>
        <para>De kantonrechter is van oordeel dat hiervoor geen gronden aanwezig zijn.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2023:1168:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Enschede</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 10202498 \ CV EXPL  22-4150</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 21 maart 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [A] H.O.D.N. [B]</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: zowel [A] als [B] , </para>
      <para>gemachtigde: B. Drent,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de dagvaarding, <?linebreak?>- de conclusie van antwoord, <?linebreak?>- de conclusie van repliek, <?linebreak?>- de conclusie van dupliek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of [A] op grond van de huur- en serviceovereenkomst een bedrag heeft te vorderen van [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat hiervoor geen gronden aanwezig zijn.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft op 1 november 2017 een huur- en serviceovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met [C] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer KvK [nummer] (hierna [C] ) voor het mogen beschikken over een werkplek voor zakelijk gebruik in het [pand] aan [het adres] in [vestigingsplaats] In de overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) 3. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 1 jaar en zal door automatische verlenging steeds verlengd worden met een periode van 1 jaar. Ingangsdatum: </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">01-11-2017</emphasis>
          <emphasis role="italic">. Opzegtermijn: 2 maand voor afloop periode. (…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit hoofde van voormelde overeenkomst is [gedaagde] aan [C] maandelijks een bedrag van € 39,95 (exclusief 21% btw) aan lidmaatschapskosten verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [B] heeft in deze procedure voor een totaalbedrag van € 338,38 aan facturen van [C] aan [gedaagde] overgelegd. Voormelde facturen bestaan uit de factuur van 27 november 2017 (lidmaatschapskosten december 2017), de factuur van 1 januari 2018 (lidmaatschapskosten januari 2018 tot en met maart 2018) en de factuur van 2 april 2018 (lidmaatschapskosten april 2018 tot en met juni 2018). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [C] bericht [gedaagde] op 30 mei 2018 om 14:44 uur per e-mail als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…) U heeft nog enkele facturen openstaan die inmiddels maanden verlopen zijn. Mochten we geen betaling ontvangen voor donderdag 31-05-2018 dan zullen we de huurovereenkomst beëindigen en deze direct morgen melden bij de kvk. (…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De overeenkomst tussen [C] en [gedaagde] is per 31 mei 2018 door [C] beëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Namens [B] heeft WIS Incasso [gedaagde] , ruim vier jaar later, op 27 juni 2022 en op 4 juli 2022 herinneringen gestuurd voor de onbetaald gelaten facturen voor een bedrag van € 338,38, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is, ondanks sommatie daartoe, niet overgegaan tot betaling van voormeld bedrag, waarna zij door [B] in rechte is betrokken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        [B] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan haar te voldoen een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met rente rechtens en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daartoe voert [B] aan dat [gedaagde] in gebreke is gebleven de lidmaatschapsgelden over de periode januari 2017 tot en met juni 2018 uit hoofde van de overeenkomst te voldoen. [B] heeft haar vordering om proceseconomische redenen beperkt tot een bedrag van € 500,00 waarbij zij afstand doet van haar restantvordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] heeft zij geen overeenkomst gesloten met [B] en is zij aan [B] niets verschuldigd. Zij betwist verder de juistheid van het gevorderde bedrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De vraag die in deze procedure voorligt is of [B] ( [A] ) een bedrag heeft te vorderen van [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert als verweer dat zij geen overeenkomst heeft gesloten met [B] ( [A] ) en aan [B] daarom niets is verschuldigd. De kantonrechter begrijpt dat [B] die stelling erkent, omdat zij bevestigt dat [gedaagde] niet met haar, maar met [C] de overeenkomst in 2017 is aangegaan. Vast staat dat [C] en [B] bij de Kamer van Koophandel als verschillende entiteiten onder verschillende nummers staan ingeschreven. Volgens [A] is [gedaagde] toch het gevorderde bedrag aan haar verschuldigd omdat [C] de afgelopen twee jaren is gewijzigd van rechtspersoon (CvR onder overeenkomst).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Niet duidelijk is wat [B] hiermee bedoelt te stellen. Voor zover zij bedoelt te stellen dat zij ( [A] ) de handelsnaam heeft overgenomen van [C] , helpt dit haar niet. Het enkel overnemen van een handelsnaam van een andere entiteit houdt nog niet in dat ook de overige activa (waaronder de debiteuren) mee overgaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Voor zover [A] hiermee heeft bedoeld te stellen dat zij de hele onderneming, [C] , heeft overgenomen, helpt dat haar ook niet. Naast het feit dat zij haar stelling niet onderbouwt, niet stelt wanneer zij dan [C] heeft overgenomen en zij geen stukken bijvoorbeeld afkomstig van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd waar dat uit blijkt, levert ook deze stelling geen geldige contractoverneming op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Voor een geldige contractoverneming is medewerking van de wederpartij nodig (art. 6:159 BW). [B] heeft geen feiten en of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat [gedaagde] medewerking heeft verleend aan de overdracht van de rechtsverhouding. [gedaagde] heeft dit bovendien gemotiveerd betwist. Verder heeft [B] niet gesteld dat [C] door cessie vorderingsrechten heeft overgedragen aan [B] . Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat [B] enig vorderingsrecht heeft verkregen van [C] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De stelling van [B] dat [gedaagde] de vordering heeft erkend, gaat ook niet op. [gedaagde] erkent immers een bedrag verschuldigd te zijn aan [C] . Dat zij erkent een bedrag verschuldigd te zijn aan [B] volgt uit de stukken niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Dit leidt tot de slotsom dat [B] geen vorderingsrecht kan ontlenen aan de huur- en serviceovereenkomst tussen [C] en [gedaagde] en dat de op de bepalingen in deze overeenkomst gebaseerde vordering van [B] daarom zal worden afgewezen.     </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>
        [A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil;</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2023. (TD)</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>