<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2022:220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-27T13:23:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9123173 \ CV EXPL  21-1541</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBOVE:2021:4212" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2021:4212</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2022:220">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2022:220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-27T13:21:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2022:220 Rechtbank Overijssel , 25-01-2022 / 9123173 \ CV EXPL  21-1541</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2022:220:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geldlening. Betalingsregeling tussen partijen. Vordering tot betaling van achterstallige termijnen afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2022:220:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 9123173 \ CV EXPL  21-1541 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 25 januari 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.J. Bijl,</para>
      <para>toevoegingsnummer: 2GE3219</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Yaprak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het tussenvonnis van 26 oktober 2021;</para>
      <para>- de akte van uitlating van [eiseres] (abusievelijk aangeduid als een akte van antwoord) van 9 november 2021;</para>
      <para>- de antwoordakte van [gedaagde] van 21 december 2021, met producties 6 en 7.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Inleiding</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 26 oktober 2021 geoordeeld dat uit de e-mailberichten die [gedaagde] bij akte van 29 september 2021 heeft overgelegd, het bestaan van een betalingsregeling tussen [eiseres] en [gedaagde] blijkt. [eiseres] had daarop nog niet kunnen reageren en is daarom in de gelegenheid gesteld om bij akte op deze producties te reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In die akte heeft [eiseres] haar betwisting van het feit dat er een betalingsregeling zou bestaan laten varen en heeft zij haar eis gewijzigd. [gedaagde] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op deze eiswijziging te reageren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering na de wijziging van eis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert na wijziging van eis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 165,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt daartoe dat de betalingsregeling sinds mei 2018 gold en dat [gedaagde] sindsdien de volgende twaalf maandtermijnen niet tijdig heeft voldaan: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>2018: juni, juli, september, november, december,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2019: februari, april t/m augustus, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2020: oktober.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Omdat [gedaagde] de maand oktober 2020 slechts vier dagen te laat was met betalen, laat [eiseres] die maand buiten beschouwing en vordert zij de overige elf maanden. Volgens [eiseres] loopt [gedaagde] sinds 27 augustus 2019 consequent elf betalingstermijnen van elk € 15,00 achter met betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft betwist dat zij elf maandelijkse termijnen niet tijdig heeft betaald, omdat zij in eerste instantie mocht betalen wanneer zij daartoe in staat was. De betalingsregeling is volgens [gedaagde] pas op 20 september 2019 tot stand gekomen en is tot op heden door [gedaagde] nagekomen. In de akte van antwoord d.d. 21 december 2021 heeft [gedaagde] geschreven “<emphasis role="italic">20 september 2021</emphasis>” maar, gelet op de e-mails waarnaar zij verwijst, berust dat op een kennelijke, zij het een hardnekkig herhaalde schrijffout en bedoelt zij steeds het jaartal 2019 in plaats van 2021.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de kantonrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verweer van [gedaagde] treft doel. </para>
        <para>Op grond van de producties die partijen hebben overgelegd stelt de kantonrechter vast dat de betalingsregeling is ingegaan per 26 september 2019. </para>
        <para>Weliswaar stelt [eiseres] zich in haar akte uitlating d.d. 9 november 2021 op het standpunt dat de betalingsregeling zou zijn ingegaan in mei 2018, maar dit komt niet overeen met de inhoud van haar app op 27 augustus 2018<footnote-ref linkend="_a21558e9-9124-453a-a7d7-610098da90ab" />, waaruit niets blijkt van een betalingsregeling. De zin <emphasis role="italic">“Maar ik zou het wel fijn vinden als je me weer verder gaat terug betalen.”</emphasis> verwijst niet naar een verplichtende, maar naar een vrijblijvende betalingsregeling. En uit de e-mails d.d. 20 september 2019 en 26 oktober 2020<footnote-ref linkend="_7641c690-7980-4819-93d9-3ecc7461efdb" /> blijkt voldoende dat, zoals [gedaagde] ook heeft gesteld, de alsnog afgesproken betalingsregeling is ingegaan per 26 september 2019. In de e-mail van 26 oktober 2020 schrijft [eiseres] immers onder meer: <emphasis role="italic">“Naar aanleiding van de mail van vrijdag 20 september 2019 ben jij op 26 september 2019 begonnen met het verder afbetalen van jouw lening bij mij. Tot op heden heb jij, conform afspraak (13 termijnen x € 15.- = € 195.-) op de 26e van iedere maand voldaan.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft niet (gemotiveerd) weersproken dat [gedaagde] heeft afbetaald, zoals zij in haar conclusie van antwoord onder 4. heeft gesteld en met haar betalingsoverzicht<footnote-ref linkend="_be63a34f-0b09-4fc6-aa8f-f59a9d39e99b" /> en  betalingsbewijzen<footnote-ref linkend="_12690bad-946a-4319-a48e-c4f03f99976e" /> heeft onderbouwd. Weliswaar heeft [eiseres] in haar akte uitlating d.d. 9 november 2021 nog gesteld dat [gedaagde] in de maand oktober 2020 vier dagen te laat was, maar kennelijk heeft [gedaagde] die termijn nog wel betaald, en terecht is [eiseres] over die geringe tekortkoming heengestapt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De kantonrechter trekt uit dit alles de conclusie dat [gedaagde] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding helemaal “bij” was met de nakoming van de betalingsregeling, die vanaf september 2019 gold. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] een aantal maanden (zie hiervoor onder 2.4.) niet tijdig heeft betaald, maar toen bestond er slechts een vrijblijvende en nog geen verplichtende betalingsregeling. [gedaagde] is niet in verzuim komen te verkeren. [eiseres] kon dan ook niet – zoals zij aanvankelijk eiste – het gehele restant van de lening opeisen, maar ook niet – zoals zij in tweede instantie heeft gedaan – elf termijnbedragen van € 15,00 die, zoals [eiseres] ten onrechte meent, achterstallig zouden zijn. Dat leidt ertoe dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] helemaal zal afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [eiseres] wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en dient daarom in de kosten van deze procedure te worden veroordeeld. Beide partijen hebben in deze procedure incomplete informatie aangeleverd en zij zijn dus beide verantwoordelijk voor de nadere aktewisseling. De kosten van de aktes van partijen zullen daarom worden gecompenseerd en dus niet worden meegerekend in de proceskostenveroordeling. De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 248,00 aan salaris van haar gemachtigde (2 punten x liquidatietarief € 124,00). </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vordering van [eiseres] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 248,00,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2022. (SB)</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_a21558e9-9124-453a-a7d7-610098da90ab" label="1">
    <para> Productie 2 bij conclusie van dupliek</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7641c690-7980-4819-93d9-3ecc7461efdb" label="2">
    <para> Productie 5 bij akte van uitlating d.d. 28 september 2021 van [gedaagde]</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be63a34f-0b09-4fc6-aa8f-f59a9d39e99b" label="3">
    <para> Productie 1 bij conclusie van antwoord</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12690bad-946a-4319-a48e-c4f03f99976e" label="4">
    <para> Productie 2 bij conclusie van antwoord</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>