<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBOVE:2022:1089</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-13T10:01:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Overijssel" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Overijssel</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">08/952187-19 (ontneming) (P)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Almelo</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2022:1089">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2022:1089</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-21T14:08:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBOVE:2022:1089 Rechtbank Overijssel , 21-04-2022 / 08/952187-19 (ontneming) (P)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBOVE:2022:1089:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een 28-jarige man moet 45.000 euro wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBOVE:2022:1089:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK OVERIJSSEL</bridgehead>
    <para>Team Strafrecht </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 08/952187-19 (ontneming) (P)</para>
      <para>Datum vonnis: 21 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] (Afghanistan),</para>
      <para>wonende aan de [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De vordering van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 66.607,00.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 7 april 2022. </para>
      <para>De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat in Borne, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de terechtzitting van 7 april 2022 heeft de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers zijn vordering gehandhaafd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op basis van het dossier aannemelijk is dat er door veroordeelde langer dan de tenlastegelegde periode is gehandeld in cocaïne, met dien verstande dat de periode van dealen is gestart op 24 januari 2017. Bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient deze datum als startdatum te worden genomen. De officier van justitie gaat er verder van uit dat er gemiddeld vijf gram per dag is verkocht en dat een gemiddelde verkoopprijs per gram € 50,00 en een gemiddelde inkoopprijs € 30,00 is geweest. Dit komt neer op € 20,00 winst per gram, aldus de officier van justitie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdediging het redelijk acht dat er vijf gram per dag is verkocht door de veroordeelde en dat enkel uitgegaan moet worden van de tenlastegelegde periode. De veroordeelde heeft verklaard dat hij per verkochte gram cocaïne € 10,00 winst maakte en dat hij elke dag handelde in drugs. Gelet hierop komt de verdediging uit op de volgende berekening: 270 dagen x 5 gram per dag = 1350 gram x € 10,00 = € 13.500,00. De raadsvrouw heeft verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook op </para>
      <para>€ 13.500,00 vast te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Veroordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 21 april 2022 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1, feit 3 en feit 4: </emphasis>
        </para>
        <para>telkens het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2 </emphasis>het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_92a51147-0547-46c5-aadd-fec855bc3c34" />
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door het plegen van de strafbare feiten voordeel verkregen. De rechtbank overweegt daarover het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 21 april 2022 is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van </para>
        <para>23 juni 2018 tot en met 3 maart 2019 heeft gehandeld in cocaïne. Uit de bewezenverklaring volgt dat er sprake is van één of meer gronddelict(en), waarmee het totale geldbedrag is verdiend. In het derde lid van artikel 36e Sr is bepaald dat, naast bewezenverklaarde feiten, ook andere feiten als grondslag kunnen dienen voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat deze op enige wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot het oordeel dat van die situatie hier sprake is. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat veroordeelde langer dan de tenlastegelegde periode in cocaïne heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 24 januari 2017 voor het eerst een geldbedrag op zijn rekening heeft ontvangen voor een verkoop<footnote-ref linkend="_37091fa5-8c9b-49d6-bb6f-07c6823f6995" />. De rechtbank neemt deze datum als startdatum en neemt de periode van 24 januari 2017 tot en met 3 maart 2019 als uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze periode betreft 912 dagen (365 + 365 + 182).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht het, gelet op de verklaringen van getuigen Van Alste<footnote-ref linkend="_b2653a9e-0400-4786-aa88-fedec3ade008" /> en Nijland<footnote-ref linkend="_10ca881b-1f99-40ae-acf7-677d6c967b53" /> en de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting<footnote-ref linkend="_a112fd14-0064-4c10-a491-622375c6870f" />, aannemelijk dat veroordeelde een gemiddelde verkoopprijs had van € 40,00 per gram, dat hij gemiddeld € 10,00 winst maakte per verkochte gram cocaïne en dat het redelijk is aan te nemen dat hij ongeveer vijf gram per dag verkocht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop komt de rechtbank tot de volgende berekening:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>912 dagen x 5 gram per dag = 4.560 gram x € 10,00 = € 45.600,00.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op afgerond € 45.000,00.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vaststelling van de betalingsverplichting</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 45.000,00. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op <emphasis role="bold">€ 45.000,00 (vijfenveertigduizend Euro); </emphasis></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van <emphasis role="bold">€ 45.000,00 (vijfenveertigduizend Euro)</emphasis> aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">900 dagen</emphasis>.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.J.G.B. Heutink en <?linebreak?>mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van Z. Demir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_92a51147-0547-46c5-aadd-fec855bc3c34" label="1">
    <para>Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2019381711. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37091fa5-8c9b-49d6-bb6f-07c6823f6995" label="2">
    <para> Het proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2020 (pag. 377, met de bijlage op pag. 417).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2653a9e-0400-4786-aa88-fedec3ade008" label="3">
    <para> Het proces-verbaal van verhoor getuige Van Alste van 8 maart 2019 (pag. 428 tot en met 430).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10ca881b-1f99-40ae-acf7-677d6c967b53" label="4">
    <para> Het proces-verbaal van verhoor getuige Nijland van 8 maart 2019 (pag. 431 tot en met 433).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a112fd14-0064-4c10-a491-622375c6870f" label="5">
    <para> Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 april 2022.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>